John Vandaele
John Vandaele Journalist MO*

Het Wereldverbond van de Arbeid congres- seerde onlangs in Bangkok : gesprek met uittredend WVA-voorzitter Willy Peirens over macht en onmacht van de vakbond.

Ruim driehonderd vakbondsafgevaardigden uit meer dan honderd landen verzamelden vorige maand in een broeierig Bangkok voor het congres van het Wereldverbond van de Arbeid (WVA). De aanwezigen op zo’n congres zijn van diverse pluimage. Sommigen staan voor piepjonge en kleine organisaties, anderen spreken namens grote en gevestigde vakbonden. Sommigen bakken zoete broodjes met hun overheid, anderen worden erdoor vervolgd. Pragmatische Europeanen stellen zich op tegenover radicale Zuid-Amerikanen. Goed geschoolde vertegenwoordigers uit het rijke Oostenrijk treffen er onervaren syndicalisten uit het straatarme Madagascar. Verscheidenheid troef dus. Toch heeft zo’n congres net de bedoeling na te gaan wat ze, ondanks hun verschillen, samen kunnen zeggen over de evolutie in de wereld.

Het congres riep op tot een koerswijziging van de globalisering. Wat wil het WVA zien veranderen ?

WILLY PEIRENS : Centraal staat voor ons dat mensen beter worden van de huidige economische transformatie en dat ze daarover ook moeten kunnen meepraten. Dat is wat ons beweegt en het is van daaruit dat we kijken naar wat in de wereld gebeurt. Daarom zeggen wij : de rol van de politiek moet geherwaardeerd tegenover ?la pensée unique?, het eenheidsdenken, het verhaal van de macro-economisten en de experten van de internationale financiële instellingen zoals het Internationaal Muntfonds (IMF). Zij zeggen : zo moet het en niet anders. Wij zeggen : dat is niet waar, er valt over hoe de samenleving er moet uitzien, nog iets anders te zeggen en daar moet ook ruimte voor zijn. Het IMF riep op zijn jongste vergadering in Hongkong op de mobiliteit van het kapitaal verder te bevorderen. Maar als dat niet omkaderd wordt door wereldwijde fiscale en sociale afspraken, beland je in een situatie waarin staten fiscaal en sociaal tegen elkaar worden uitgespeeld. Dat gaat dus net in tegen de slagkracht van de politiek. Dat klagen we ook Europees aan. Als je een grotere rol voor de politiek en de overheid wil, dan moet de overheid zich ook de middelen kunnen verschaffen om die politiek te kunnen voeren en alle pleidooien voor deregulering gaan in de andere richting.

Eén aspect van die politieke omkadering, dat zijn de sociale clausules : het opnemen van sociale spelregels in handelsakkoorden. Op jullie vorige congres, vier jaar geleden, waren die een hot issue. In Bangkok niet. Zijn die nu begraven ?

PEIRENS : Ze zijn zeker niet begraven. De discussie is wel uitgezuiverd. De Aziaten en Latijns-Amerikanen vreesden eerst dat de sociale clausules een protectionistische zet vanwege de Europeanen waren. Nu begrijpt iedereen dat het gaat om de fundamentele arbeidsconventies : verbod op kinderarbeid, dwangarbeid en discriminatie, en het recht op vrije vakbondswerking en collectieve onderhandelingen. Daar kan toch eigenlijk niemand tegen zijn. Ook al is er nog nergens een echt politiek akkoord, dit is voorlopig een ?gewonnen? strijd. De eerste stap is de campagne van de Internationale Arbeidsorganisatie om die conventies door zoveel mogelijk landen te laten ratificeren. Die campagne kent een redelijk succes. De volgende stap is dan het opnemen van die basisregels in andere akkoorden zoals handelsovereenkomsten. Ik vind dat we daarin vooruitgang hebben geboekt.

Er was in Bangkok sprake van een globaal sociaal contract, een globale fiscaliteit. Dat klinkt heel ambitieus in de huidige context.

PEIRENS : Dat is zeker ambitieus. Niet alleen als je kijkt naar wat er in Zuidoost-Azië gebeurt maar ook als je naar Europa kijkt. Toch heerste in Bangkok niet alleen het gevoel dat het moet veranderen, maar ook dat het kán veranderen. We kunnen inderdaad nog geen grote zegebulletins voorleggen over wat we gerealiseerd hebben maar anderzijds verklaren zelfs de verantwoordelijken van de internationale financiële instellingen dat het anders moet.

De speech die IMF-directeur Michel Camdessus in Bangkok gaf, klonk anders toch heel orthodox.

PEIRENS : Camdessus is orthodox zoals alle macro-economisten, maar het was wel de eerste keer dat hij publiek zei dat de dialoog met de vakbonden moet voortgezet en uitgediept worden. Dat is niet zo evident. Hij heeft ook in het openbaar verklaard dat de vakbonden moeten betrokken worden bij de voorbereiding van aanpassingsprogramma’s. In vergelijking met tien jaar geleden betekent dat een kentering.

Dat zijn toch alleen maar woorden…

PEIRENS : Het feit van die verklaringen duidt hoe dan ook het begin van een engagement aan. Onze vraag om een andere koers wordt nu toch al niet meer weggelachen. Maar daarin zullen we alleen verder kunnen opschieten als we voldoende mensen kunnen overtuigen.

Uit de statistieken blijkt echter dat syndicaten wereldwijd achteruitgaan.

PEIRENS : Dat is inderdaad de grootste uitdaging. Zo’n internationale vakbondsorganisatie heeft enkel nut als we erin slagen de vakbonden aan de basis te versterken. Anders kan je wel op een kantoor zitten in Brussel, maar dreig je een lobbygroep te worden. Onze equipe in Brussel, en het budget, hoe bescheiden ook, moeten in de eerste plaats gebruikt worden om de basis van het syndicalisme te versterken.

Waarom gaan vakbonden achteruit ?

PEIRENS : Die verzwakking wordt mee in de hand gewerkt door de manier waarop multinationals en politieke verantwoordelijken willen dat vakbonden zich organiseren. Dat is heel sterk professioneel, per onderneming, zo wat op zijn Amerikaans. Daar dreigt het grote gevaar van corporatisme, want op die manier zijn werklozen niet meer geïnteresseerd in de vakbonden. Dat is een van de redenen van de achteruitgang van vakbonden in meerdere landen. Wij pleiten niet voor de afschaffing van de beroepscentrales, integendeel. Maar een sterke algemene en interprofessionele solidaire actie is echt nodig.

Waar liggen de uitdagingen in België en Europa ?

PEIRENS : Eigenlijk verwacht men van ons dat we mee het eenheidsdenken onderschrijven en omdat we dat niet doen, zijn we niet meer mee. Dat is verschrikkelijk. Natuurlijk moeten wij ons aanpassen het zou maar al te gek zijn te doen alsof er economisch niks is veranderd. De internationalisering van de economie heeft uiteraard invloed op wat je op nationaal vlak nog kan realiseren. De rol die we willen spelen, blijft dezelfde.

Wat verandert, is hoe we ons organiseren. We lopen het risico in te gaan op de vraag om alleen nog akkoorden te maken op het niveau van de ondernemingen. Onze rol bestaat er echter in ervoor te zorgen dat de ménsen van al die wijzigingen in de economische activiteit beter worden. Dat kan je niet louter op ondernemingsvlak bereiken. Dan krijg je namelijk een aantal dingen zoals, bijvoorbeeld, de sociale zekerheid niet meer georganiseerd. Wij willen op nationaal niveau regelingen treffen over tewerkstellingsbevordering, of de financiering van de sociale zekerheid. Daar hebben wij de draai nog niet gevonden.

U bedoelt dat het sociaal overleg niet meer vlot ?

PEIRENS : Het staat om twee redenen onder druk. Ten eerste omdat de werkgevers niet dezelfde kijk hebben op dat overleg. Zij denken : hoe minder algemene afspraken we maken, hoe meer er op ondernemingsvlak kan worden geregeld, hoe beter dus. Dan hebben ze minder last met hun leden. En de politiek kijkt toe en zegt : als zij het niet doen, doen wij het. Terwijl wij vinden dat het overleg best tripartiet blijft. Dat is ook democratie.

Het tweede probleem ligt bij ons. Mensen betalen een serieuze bijdrage aan hun bond en dan verwachten ze dat ze verdedigd worden. Dat ze voor hun eigenbelang opkomen, is de natuur zelf van het syndicaat. Wij mogen de mensen die ons lidgeld betalen, ook niet aanvallen. Maar ik vind wel dat wij, als verantwoordelijken van een beweging, mogen zeggen dat het iets te kortzichtig is enkel aan het directe eigenbelang te denken. Europees geldt dat probleem nog veel meer.

Dat elk land aan zichzelf denkt ?

PEIRENS : En volgens zijn eigen mandaat. De Duitsers hebben geen interprofessioneel mandaat, maar wel heel sterke bonden. Ook de Nederlanders evolueren in die richting. De syndicale zwakte in zuiderse landen is dramatisch. In Frankrijk is nog slechts negen procent van de loon- en weddetrekkenden gesyndiceerd. En dan moet dat Europees syndicalisme opkomen voor een serieuze sociale dialoog : evident is anders.

Nu, klagen helpt niet. We moeten dat dal, of beter die aanpassingsperiode, door ; een andere keuze bestaat er niet.

In verband met de versterking van het syndicalisme, lijkt vooral Azië, als economische groeipool van de toekomst, een enorme uitdaging. In Thailand, bijvoorbeeld, staan de vakbonden heel dicht bij de regering, denken corporatistisch en beperken zich tot de betere ondernemingen. Hoe gaat het WVA daarmee om ?

PEIRENS : Als wereldorganisatie moet je soms risico’s nemen. Je kan wel nagaan of een vakbond zich aan de WVA-criteria houdt, maar anderzijds moet je ook vertrouwen geven. Wie zijn wij om te zeggen : je moet het zo doen en anders aanvaarden we je niet ? Ons Thaise lid is zeker niet het ideale model van een vakbond in Azië ; als dat al zou bestaan. Ik begrijp heel goed dat er verwijten zijn over corruptie en meedraaien in het systeem. Waarop de vakbond dan weer repliceert dat ze zo werken omdat ze dan invloed hebben, zelfs in economische activiteiten, en dat het er toch op aankomt invloed te hebben. Ik denk dat je de juiste middenweg moet zoeken.

Vakbondswerk zoals u dat daarnet omschreef, heeft vaak een politieke dimensie en leidt geregeld tot oppositie tegen het regeringsbeleid. Dat ligt toch moeilijk voor veel van uw Aziatische leden.

PEIRENS : Inderdaad. Onze basisstelling is dat de gewone mensen beter moeten worden van de economische ontwikkeling in Azië en dat impliceert eigenlijk dat het politiek beleid moet veranderen. Opdat de groei iedereen ten goede komt, moeten er verdelingsmechanismen komen en moet je een ander belastingsysteem uitstippelen. Dat kan alleen door een andere politiek. En dan moet je daarvoor opkomen. Ik begrijp wel dat vakbonden, die daar een positie hebben verworven, aarzelen om daarin mee te stappen. Toch is dat het basisprobleem : dat ze heel autonoom kunnen zijn.

In Indonesië heb je met de SBSI wel een onafhankelijke vakbond die kritiek durft leveren op het regeringsbeleid. Het gevolg is wel dat de leider van de SBSI, Muchtar Pakpahan, momenteel in de gevangenis verblijft.

PEIRENS : De SBSI heeft het moeilijk om als vakbond erkend te worden. Toch beantwoordt hij beter aan de vragen van de mensen. Daarom hebben wij hen opgenomen, ook al was dat voor onze regionale Aziatische afdeling, om dezelfde politieke reden, een probleem. Uiteindelijk hebben we een akkoord gesloten, en dat is een belangrijke stap : het is een internationale erkenning voor de SBSI zelf en voor de regio spelen ze misschien wel een rol die te vergelijken valt met wat Solidarnosc indertijd gedaan heeft in Oost- en Centraal-Europa. Ik hoop echt dat ze in onze Aziatische afdeling inspirerend werken. Dat is voor de vakbeweging, mondiaal gezien, heel belangrijk. Daarom wordt Muchtar Pakpahan, net als Walesa indertijd, zowat een symboolfiguur.

Het WVA wil meer dan vroeger gaan samenwerken met andere NGO’s.

PEIRENS : Het is belangrijk dat vakbonden allianties aangaan met organisaties die ook opkomen voor fundamentele rechten of concrete punten die passen in ons actieprogramma. Waar vroeger veeleer argwaan of concurrentie bestond, willen we nu meer samenwerken.

Social Alert, bijvoorbeeld, wil een soort Amnesty International worden voor socio-economische basisrechten.

PEIRENS : Dat Social Alert mee op initiatief van het WVA tot stand kwam, bevestigt onze openheid ten opzichte van NGO’s. Social Alert zal een alarmfunctie vervullen op het vlak van fundamentele sociale rechten. In Social Alert zitten ook andere internationale organisaties, waarvan we weten dat ze de problemen soms sneller kunnen zien dan wij. Waarom zou je dan niet samenwerken in plaats van te zeggen : wij hebben het niet gezien, dus is het geen probleem.

Wat brengt zo’n congres, behalve de grote verklaringen, eigenlijk bij ?

PEIRENS : Vooreerst dat je elkaar ontmoet. Dat is nodig indien je samen een organisatie wil vormen. Daarnaast stel ik vast dat we beter met elkaar leren praten. Goed, er zijn ?palavers op zijn Afrikaans? en je moet luisteren naar grote discoursen’ van de Latijns-Amerikanen ; anders pakt het niet. Maar we leren elkaar begrijpen. Dat is belangrijk : wil je anno ’98 in België nog vakbond zijn, dan kan dat alleen als we ook mondiaal en Europees echt iets uithalen. Ik denk dat iets van dat bewustzijn doorsijpelt op zo’n congres. Daarom denk ik dat ook de ACV-delegatie hier iets sterker uitkomt en dat heeft een vermenigvuldigingsaspect omdat ze dat bewustzijn ook kan uitdragen.

Op het congres werd u als WVA-voorzitter opgevolgd door de Congolees Fernand Kikongi.

PEIRENS : Ik stop niet internationaal, ik blijf immers vice-voorzitter. Het was echter evident dat ik vervangen werd door een niet-Belg aangezien de secretaris-generaal opnieuw een Belg is, Kris Peeters. Een internationale organisatie kon niet geleid worden door twee Belgen.

U zou ook aftreden als ACV-voorzitter.

PEIRENS : Kijk, eind volgend jaar is er een ACV-congres. Zo’n congres evalueert de prestaties van de voorzitter en neemt besluiten voor een nieuwe periode van vier jaar. Ik ben dan 62 en een half jaar en ik zeg er soms bij : ik werk vanaf mijn vijftien jaar. Ik zou het wat te stom vinden dat we dan zouden doen alsof er niets aan de hand is. Iedereen weet toch dat ik na twee en een half jaar wegga. Let wel : ik heb niet het gevoel dat ik weg moét. Wat me ertoe brengt, zijn de feiten.

John Vandaele

KOREAANS PROTEST TEGEN HET IMF : Het IMF gaat in tegen de slagkracht van de politiek.

MUCHTAR PAKPAHAN : De Indonesische vakbondsman is de Lech Walesa van Azië.

SOCIAAL OVERLEG : Hoe minder algemene afspraken, hoe beter voor de werkgevers.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content