10/06/13 om 06:47 - Bijgewerkt om 06:47

De overbodigheid van de sociale partners

Het sociaal overleg verwordt steeds meer tot een onderdeel van onze problemen in plaats van een bijdrage aan de oplossing ervan te leveren. De sociale partners zijn maatschappelijke ballast geworden.

De overbodigheid van de sociale partners

© Thinkstock

Minister van Werk Monica De Coninck speelde recent nog maar eens de bal door naar de sociale partners met de oproep om vanuit hun overleg tot een oplossing te komen voor de netelige discussie rond het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden. In essentie gaat het daarbij om afwegingen tussen sociale bescherming en jobcreatie en -behoud. Brengt men de bescherming van arbeiders in termen van onder meer ontslagvergoeding naar het niveau van de bedienden dan ontstaat voor het geheel van ons arbeidersbestand een aanzienlijke potentiële meerkost met alle gevolgen vandien voor de tewerkstelling.

Tot nu toe kwamen werkgeversorganisaties en vakbonden nauwelijks tot een constructief gesprek over deze materie. Vooral de socialistische vakbond, en meer specifiek nog de Waalse geledingen, wil tot een gelijkschakeling komen waarbij iedereen een statuut verwerft gelijk aan het huidige bediendenstatuut. Onder meer omdat premier Elio Di Rupo nu eerst nog een stukje staatshervorming en vervolgens de begroting wil afronden, krijgen de sociale partners een laatste kans om tot een door hen onderhandeld resultaat te komen. Zoals ondertussen genoegzaam bekend, behoort het tot de leef- en werkwereld van Elio Di Rupo om verschillende dossiers tegelijk ten gronde aan te pakken.

Sommige van de sociale partners zijn zich zeer goed bewust van het belang van deze laatste kans. De voorbije jaren slaagden ze er immers nauwelijks nog in om tot ernstige afspraken te komen. Ondanks veel retoriek over het belang van het sociaal overleg voor het Belgische model bewezen de dames en heren van de werkgevers- en werknemersorganisaties vooral hun eigen overbodigheid. Meer nog, doordat zij, bijvoorbeeld, op het vlak van de evolutie van de loonkosten en van de hervorming van onze arbeidsmarkt op een oorverdovende manier niet thuis gaven, droegen de sociale partners op een directe manier bij aan de minder goeie sociaal-economische gang van zaken in ons land.

De sociale partners gleden de voorbije decennia geleidelijk af tot de status van onderdeel van het probleem, veel meer dan onderdeel van de oplossing. In de naoorlogse periode kon het sociaal overleg gedijen in uitzonderlijk gunstige omstandigheden. Omvangrijke buitenlandse investeringen droegen een economische inhaalbeweging waarbij de mede door de Tweede Wereldoorlog ontstane achterstand op de Verenigde Staten geleidelijk kon verkleind worden. Hoge productiviteitsstijgingen maakten dat forse toename van de lonen, hogere belastingdruk en uitbouw van de welvaartsstaat vrij vlot te combineren vielen. Liep er in de ene of andere richting al eens een wiel af dan zorgde de continue, door investeringen en export gedreven economische groei snel voor herstel van de averij. Sociaal overleg baadde in weelde daar het louter over verdeling van de aanzwellende koek ging.

In de loop van de jaren 1970 begon het allemaal wat moeizamer te lopen. De forse olieprijsstijgingen zorgden voor een reële verarming die zich bij ons vooral in hogere werkloosheid vertaalde. De sociale partners kwamen niet echt tot maatregelen die dit tij konden keren. In een voorspel tot wat er nadien nog ging komen, verzandde het sociaal overleg toen al geregeld in welles-nietes-discussies over bijvoorbeeld de indexkoppeling. De devaluatie van februari 1982 was in essentie een correctie van compleet uit de hand gelopen loonkosten die op hun beurt uit falend sociaal overleg voortvloeiden. Deze devaluatie en de begeleidende maatregelen (o.m. een tijdelijke des-indexering) zorgde voor een nieuwe groeifase van de economie die het succesvol afronden van sociaal overleg aanzienlijk vergemakkelijkte. Vanaf het einde van de jaren 1980 evolueerde het sociaal overleg steeds meer in de richting van voorstellen waar de regering voor de nodige fondsen diende te zorgen om tot een afgerond akkoord te kunnen komen. Vervroegde uittreding via systemen als het brugpensioen, bepaalde vormen van arbeidsduurverkorting en verhoogde tewerkstelling in overheidsverband vormen typische voorbeelden van de koehandel die de sociale partners organiseerden op de kap van de anonieme belastingbetaler.

Waar de sociale partners compleet de mist in gingen de voorbije twintig jaar is met betrekking tot het in de hand houden van onze loonkosten. Vergelijkt men het niveau van de loonkosten bereikt bij ons (per uur, per werknemer, gecorrigeerd voor productiviteit) dan zitten we, zo blijkt o.m. uit cijfers van Eurostat en OESO en uit bedrijfsgegevens, veeleer 20% dan wel "slechts" 10% uit koers. Het werkloosheidspercentage bleef in België de afgelopen jaren relatief goed in Europese context omdat wij nogal wat economische werkloosheid wegduwen in statuten allerhande en omdat onze overheden, vooral op de lagere niveaus, flink wat mensen bijkomend binnen pakten. In de aan internationale concurrentie blootgestelde bedrijven en sectoren greep en grijpt er een forse tewerkstellingsafbraak plaats. In OESO-verband behoort België nog altijd tot het groepje van landen met een lage tewerkstellingsgraad (de effectieve tewerkstelling als % van de beroepsbevolking).

Door akkoorden te sluiten die tot meer overheidsuitgaven aanleiding gaven en door schuldig verzuim rond de evolutie van de loonkosten en daaruit voortvloeiende jobvernietiging woog het sociale overleg de voorbije twee decennia ook zwaar op de publieke financiën. De sociale partners dragen alzo mede verantwoordelijkheid voor het terug boven de 100% van het BBP opwippende overheidsschuld. Het sociaal overleg overleeft vooral omdat een beperkte groep van mensen en hun directe achterban er uit machts- en prestige-overwegingen alle belang bij heeft dat dit systeem gecontinueerd wordt. Het verschil tussen maatschappelijk rendement en persoonlijke baten is in het geval van het sociaal overleg echter hemeltergend groot geworden.

Slagen de sociale partners er niet in om rond het eenheidsstatuut van de werknemers tot een constructief voorstel van oplossing te komen, dan bewijzen ze definitief hun eigen maatschappelijke overbodigheid. Meer nog, de onzekerheid voortvloeiend uit hun onvermogen tot moedige en verantwoorde besluitvorming weegt nu al jaren op de sociaal-economische evolutie. De regeringen van dit land kunnen dit niet langer zomaar laten gebeuren. Zij dienen de bepaling van het algemeen kader inzake loon- en arbeidsmarkt naar zich toe te trekken en de concrete invulling van dat algemene kader over te laten aan sectoren en beter nog aan de verantwoordelijken binnen individuele ondernemingen. De huidige vorm van sociaal overleg weegt als een dood gewicht op ons aller toekomstperspectieven.

Onze partners