Tactiek voor beginners: restverdediging (VIDEO)

© GETTY
Dieter Peeters
Dieter Peeters Voetbalanalist en -journalist. Momenteel performance analyst bij de nationale U16 & U17.

Elke week legt Sport/Voetbalmagazine een tactisch concept uit, op voorzet van zijn lezers. Les 16 behandelt een tegenwoordig vaak gebruikte term, die misschien niet voor iedereen even duidelijk is.

Wat houdt de term in?

De restverdediging slaat op het aantal spelers dat achterin blijft terwijl de eigen ploeg in de aanval is. Zij zijn ervoor verantwoordelijk dat een eventuele tegenaanval niet meteen uitmondt in een doelkans voor de tegenpartij. Het begrip wordt vooral gebruikt wanneer een ploeg een corner of vrije trap mag nemen of wanneer er plots balverlies is tijdens een aanval.

De term bevat het woord ‘verdediging’, maar is dus eigenlijk vooral van toepassing tijdens de aanval. Als een team de bal heeft, focust een deel zich op kansen creëren, maar neemt een ander deel van de ploeg alvast hun positie in om optimaal te kunnen reageren bij eventueel balverlies. Als dat gebeurt moet de restverdediging de keuze maken om oftewel meteen druk te zetten, de zogenaamde Gegenpressing, of achteruit te lopen om het doel te beschermen, wat tegenwoordig ‘fall back’ heet.

Restverdediging is op zich nog een relatief nieuw begrip dat voor het eerst gebruikt werd in Duitsland begin jaren 2000. De ‘rest’ slaat dus op de ‘overige’ spelers die niet actief meedoen met een aanval en komt dus niet van het Engelse ‘blijven’. In het Nederlandse taalgebied gebruikte toenmalig bondscoach Marco Van Basten het voor het eerst in 2004. Bij ons werd het begrip de laatste jaren pas echt populair tijdens de omkadering van de EK’s en WK’s toen analisten als Gert Verheyen het grote publiek een aantal termen, zoals ook ‘forty-five’, probeerde aan te leren.

Hoe kan je de restverdediging organiseren?

De meest klassieke manier om een restverdediging op poten te zetten, is de ‘+1 regel’. De ploeg in balbezit houdt dan altijd een mannetje meer achterin dan er van de tegenstander voorin blijft, om voor de zekerheid altijd één speler op overschot te hebben. Als er bij de tegenpartij maar één spits vooraan blijft, zullen er twee spelers verantwoordelijk zijn voor de restverdediging, bij twee tegenstanders drie verdedigers enzovoort.

Standard hield thuis tegen Racing Genk bijvoorbeeld altijd 2 spelers voorin bij een hoekschop voor de Limburgers, waardoor Hannes Wolf ervoor koos om 3 verdedigers bij hen te plaatsen. Lucumí ging daardoor bijvoorbeeld niet mee om te koppen. Als de tegenstander iets anders zou doen, zal Genk zich daar meer dan waarschijnlijk opnieuw aan aanpassen.

De restverdediging van Racing Genk bij een stilstaande fase.
De restverdediging van Racing Genk bij een stilstaande fase.© Eleven

Omgekeerd hield Genk in balverlies meestal één spits voorin, terwijl de andere druk ging zetten tijdens de opbouw van Standard. Daardoor hield Montanier meestal twee spelers achter de bal. Als Dessers en Onuachu voorin bleven, moesten er drie Luikenaars zich over de restverdediging ontfermen.

Tijdens de opbouw is de restverdediging van Standard al merkbaar.
Tijdens de opbouw is de restverdediging van Standard al merkbaar.© Eleven

Andere ploegen laten de restverdediging vooral afhangen van hun eigen manier van opbouwen. Bij Club Brugge, bijvoorbeeld, gebeurt dat steevast door de drie centrale verdedigers (en soms de verdedigende middenvelder ervoor, afhankelijk van de tegenstander). Ook al hield Beerschot, bijvoorbeeld, meestal maar één of twee spelers voorin, Clement eiste van zijn ploeg dat er altijd minstens drie spelers de restverdediging vormden om tegenaanvallen af te stoppen.

Maar Club Brugge past dat wel op een flexibele manier toe. Clement plakt geen namen op wie de restverdediging op zich moet nemen, maar zijn spelers kennen duidelijk de principes. Als, bijvoorbeeld, Mata zou inschuiven in balbezit, zakt een andere speler, meestal de verdedigende middenvelder een beetje uit om de nodige dekking te bieden.

Club Brugge kiest steeds voor een 3+1 in de opbouw én in de restverdediging.
Club Brugge kiest steeds voor een 3+1 in de opbouw én in de restverdediging.© Eleven

Vooral ploegen die uitgaan van eigen sterkte, laten hun restverdediging niet afhangen van de tegenstander, zowel in de aanval, als bij stilstaande fases. Anderlecht kiest er zo voor om bij corners twee spelers de restverdediging te laten verzorgen en één speler op de zestienmeter te zetten. Echt interessant wordt het dan als de tegenstander in zo’n situatie twee of drie spelers voorin zou houden. Hoe reageert de ploeg van coach Vincent Kompany dan?

Tactiek voor beginners: restverdediging (VIDEO)
© Eleven

Kompany’s grote leermeester Pep Guardiola is bezeten door restverdediging. Veel van wat zijn Manchester City doet in balbezit heeft te maken met wat er gebeurt als ze de bal niet hebben, met als gekend voorbeeld de inverted wingbacks. Guardiola kiest bij City vaak voor een 2+3 structuur. Twee centrale verdedigers, met daarvoor drie ‘middenvelders’, oftewel de verdedigende middenvelder en bijvoorbeeld de twee wingbacks. Maar net zo goed kan dat een 3+2 vorm aannemen, zoals in de kwartfinale van de Champions League tegen Lyon. In dat geval had Pep ook effectief 3 centrale verdedigers en 2 verdedigende middenvelders opgesteld, maar vaak komt de polyvalente rechtsachter Kyle Walker als derde ‘verdediger’ in de restverdediging, terwijl de linksachter dan mee aanvalt.

De restverdediging van Manchester City in de kwartfinale van de CL tegen Lyon.
De restverdediging van Manchester City in de kwartfinale van de CL tegen Lyon.© Eleven

Hoe een trainer het ook organiseert, simpel met de +1 regel, strikt door bepaalde spelers verantwoordelijk te maken, of flexibel door enkel principes mee te geven, voor elke trainer is het defensief positie in balbezit kiezen de laatste jaren een prioriteit geworden. Dat hele concept noemen we dus de restverdediging.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content