François Levrau

‘Spoedcursus ethiek voor snelheidsduivels’

François Levrau Dr. Sociale Wetenschappen, verbonden aan Centrum Pieter Gillis (UAntwerpen)

‘Voor moraalfilosofen is de uitspraak van Jan Jambon dat hij zijn chauffeur ‘heel zelden te snel laat rijden’ een godsgeschenk. Het biedt immers de mogelijkheid om er een aantal ethische theorieën op toe te passen’, schrijft François Levrau. ‘Ik leg hieronder kort uit wat er zoal aan die uitspraak schort.’

Voor moraalfilosofen is de uitspraak van Jan Jambon in De Tafel van Vier dat hij zijn chauffeur ‘heel zelden te snel laat rijden’ een godsgeschenk. Het biedt immers de mogelijkheid om er een aantal ethische theorieën op toe te passen. Ik leg hieronder kort uit wat er zoal aan die uitspraak schort.

Dat de bekentenis ongelukkig is omdat de Minister-president van de Vlaamse Regering een voorbeeldfunctie heeft, is vanzelfsprekend en daar ga ik dan ook niet op in. Anderen hebben daar al terecht op gewezen. Bekend is de idee dat politieke leiders ook morele leiders horen te zijn die in woord en daad het goede voorbeeld geven. In deze bijdrage wil focussen op een aantal ethische argumenten. Ik voeg er meteen ook wel aan toe dat niemand zonder zonde is en dat men hem zijn uitspraak nu ook weer niet al te zwaar moet aanrekenen – maar dat belet dus niet dat wat hij zei/deed vanuit moreel oogpunt om nogal wat redenen problematisch is.

Fairness

Een eerste reden heeft te maken met wat Harvard filosoof Michael Sandel het ‘fairness argument’ noemt. Zo stelt Jambon dat hij bereid is om het risico te lopen om beboet te worden. Iemand die gefortuneerd is kan zich inderdaad wat sneller op deze gedachte verlaten. Wat stelt een snelheidsboete immers voor wanneer geld niet de eerste zorg is? Gewoon betalen en dan ben je ervan af, toch? Die achteloosheid is niet iedereen gegund. Het ‘ik ben bereid het risico te nemen om beboet te worden’, lijkt een triviaal zinnetje, maar het weerspiegelt de psychologie van het geld: wie over voldoende geld beschikt, kan het zich permitteren iets losser met bepaalde regels om te gaan. Daarmee zijn we meteen aanbeland bij een ander argument van Sandel, namelijk het ‘crowding out argument’.

Crowding-out

Al te lichtzinnig menen dat men met geld een fout kan wegwissen, kan ertoe leiden dat de fout niet langer als zodanig wordt erkend. Stel bijvoorbeeld een aannemer die dagelijks naar de constructiesite rijdt en daar ook telkens een parkeerticket betaalt. Stel nu dat hij op een dag vaststelt dat er nog maar één parkeerplaats over is, namelijk deze die bedoeld is voor mensen met een handicap. Als hij zou beslissen om die plaats in te nemen en aangeeft bereid te zijn om de boete te betalen, dan kan hij dat makkelijk wegredeneren via de gedachte dat hij die dag blijkbaar een extra duur parkeerticket heeft moeten betalen.

Maar door zo te redeneren negeert hij de specifieke noden van mensen met een handicap en miskent hij de manier waarop de samenleving via tal van accommodaties poogt aan de bijzondere noden van deze doelgroep tegemoet te komen. Het feit dat hij een boete kan betalen, maakt dat hij zich aan die morele reflecties kan onttrekken. Hij interpreteert zijn gedrag gewoon niet als moreel fout, maar als een pragmatische kost. Vergelijkbaar is de situatie van iemand die meent om op de openbare weg vuilnis te mogen achterlaten. Ook deze persoon kan dit voor zichzelf rechtvaardigen via een pragmatisch argument. In plaats van zelf met de rommel rond te lopen, laat hij een ander zijn vuilnis opruimen en de boete die hij betaalt, begrijpt hij dan als de betaling voor een dienst. In dit geval wordt de symbolische kracht van de boete wederom niet erkend: de boete betreft geen som geld die men kan betalen voor een bepaald voordeel (het parkeren nabij de constructiesite) of voor een geleverde dienst (het opruimen van de rommel).

De boodschap die met de boete samengaat is dat er een fout werd begaan en dat daarmee een bepaalde financiële straf samengaat. Wanneer Jambon dus meent dat hij bereid is de boete te betalen – allicht vanuit de redenering dat hij nu eenmaal ergens dringend werd verwacht – dan ziet hij het betalen van de boete als iets wat blijkbaar bij de job hoort (soms moet je dus bereid zijn, zoals de aannemer, om extra centen te betalen om je eigen situatie wat te vergemakkelijken). Maar, een boete is geen prijs die kan betaald worden voor ‘gemak’. Een ‘boete’ zou niemand mogen beschouwen als iets dat zomaar kan betaald worden.

Of nog, er is geen excuus mogelijk omdat de boete verwijst naar afkeurenswaardig gedrag. Dat is natuurlijk allemaal vanuit moreel oogpunt geredeneerd. Als ik zou horen dat mijn kind werd aangereden door een snelrijder en nu met zware kwetsuren in het ziekenhuis ligt, dan zou ik zo snel mogelijk bij hem willen zijn en net daarom misschien ook geneigd zijn om bepaalde snelheidsregels te overtreden. Zoals ik al aangaf, niemand is zonder zonde. Ethiek is een discipline die vooral ideaalbeelden schenkt, waaraan mensen hun eigen gedrag kunnen spiegelen. Het is een discipline die beargumenteert waarom iets goed/slecht is. Ethiek biedt wegwijzers en zegt hoe we ons idealiter horen te gedragen.

De vrijbuiter

Wie het over ethiek heeft, die kan niet om het werk van de Duitse filosoof Immanuel Kant heen. Wat zou hij over Jan Jambons uitspraak/gedrag denken? Allicht zou hij erop wijzen dat de uitzonderingspositie niet kan geüniversaliseerd worden en dat Jambons gedrag daarom moreel verwerpelijk is. Inderdaad, men kan niet tegelijk wijzen op het belang van (snelheids)regels en zelf de uitzonderingspositie claimen (‘Mensen moeten zich houden aan de snelheidsbeperkingen, maar als het me zelf even goed uitkomt, dan draag ik mijn chauffeur op om te snel te rijden.’). Dat is logisch inconsistent en dus niet in lijn met de eerste formulering van wat Kant de categorische imperatief noemt.

Die eerste formulering houdt in dat je altijd moet handelen volgens die maxime (de regel die je gedrag rechtvaardigt) waarvan je kan willen dat ze een universele wet wordt. Dat klinkt complex, maar dat is het niet. De maxime is hier ‘Telkens wanneer het me goed uitkomt, overtreed ik de wet.’ De universele regel die op de veralgemeende maxime is gebaseerd, klinkt als volgt: ‘Wanneer het mensen goed uitkomt, dan mogen ze de wet overtreden.’ Duidelijk is dat men niet kan willen dat deze universele wet bewaarheid wordt.

Als iedereen voor zichzelf kan en mag bepalen wanneer hij de wet van toepassing acht, dan wordt de wet zelf onderuit gehaald en bestaan er dus geen wetten meer. De vrijbuiter, diegene die meent de uitzonderingspositie te kunnen claimen, is bij uitstek een figuur die zich voorbij de universele ethiek stelt.

Liegen?

Moest Jan Jambon dan liegen tijdens het programma? Zoals zijn partijgenoot Ben Weyts opmerkt, was Jambons opmerking een “heel eerlijke uitspraak, al te eerlijk.” Op het eerste zicht zou Kant Jambon inderdaad aanraden om niet te liegen wanneer hij wordt gevraagd of hij soms te snel rijdt.

Dat hij daarmee misschien gezichtsverlies lijdt en dat hij daarmee het belang van verkeerscampagnes wat onderuithaalt, is bezijden de kwestie. Waarom? Omdat Kant niet denkt aan de gevolgen, maar aan de universaliseerbaarheid van het gedrag. Stel dat iedereen wanneer het hem uitkomt liegt en dat liegen dus een universele wet wordt. In dat geval zou een uitspraak ‘ik zeg de waarheid’ betekenisloos worden. Maar, dat Jambon niet mag liegen, betekent niet dat hij daarom persé had moeten toegeven dat hij inderdaad soms de wet overtreedt. Hij had zich ook op wat Sandel een ‘carefully crafted evasion’ noemt kunnen beroepen. In dat geval had hij bijvoorbeeld op de vraag of hij zijn bestuurder opdraagt om te snel te rijden, kunnen zeggen: ‘Ik zeg wel eens vaker gekke dingen tegen mijn bestuurder’ (aangenomen hier dat hij dat inderdaad doet). Daarmee antwoordt hij op de vraag, zonder te liegen. De indruk wordt gewekt dat de uitspraak moet gezien worden als een uitspraak die de bestuurder niet persé hoeft op te volgen.

Mogelijks wordt er toch doorgevraagd en moet Jambon alsnog bekennen, maar misschien ook niet. Het punt is dat hij, door zich op deze ‘evasion’ te beroepen, rekening houdt met twee motieven: enerzijds is hij gericht op de waarheid (Kant) en anderzijds op de gevolgen. Alleen het eerste motief heeft volgens Kant morele waarde. Maar, dat belet niet dat het willen rekening houden met de gevolgen, daarom persé iets afkeurenswaardig zou zijn. Als Jambon dan toch zou bekennen, dan zou hij daar meteen moeten aan toevoegen dat te snel rijden inderdaad fout is en dat hij zich daarover schaamt, als burger, maar ook en vooral als regeringsleider. Niks mis trouwens met ‘schaamte’, het is een belangrijk moreel sentiment, iets wat ook Adam Smith al wist.

Kosten en baten

Zoals aangegeven stelt Jambon dat hij bereid is de boete te betalen. Hij weegt in dat geval allicht de kosten en de baten af, maar doet dat allicht vanuit het eigen perspectief. Hij wil liever niet te laat komen en is daarom bereid de financiële gevolgen te dragen. Hij zou hier natuurlijk ook het risico moeten verdisconteren dat hij door te snel te rijden schade aan anderen kan berokkenen.

Maar, stel nu dat hij naar een vergadering moet gaan omdat hij daar iets moet beslissen dat werkelijk van het allergrootste belang is voor de natie en dat hij en hij alleen de knoop kan en moet doorhakken. In dat geval zou hij kunnen zeggen: ‘Ok, ik rijd te snel en ben bereid de boete te betalen en daarvoor zelfs een onschuldige persoon op te offeren.’ Wie het consequentialisme is toegenegen – een ethische denkstroming waarvan het utilitarisme van Jeremy Bentham de bekendste vertaling is – zal het daarmee niet zo moeilijk hebben. ‘Als we duizend mensen kunnen redden van een gewisse dood, dan doet het doden van één onschuldige persoon er niet zoveel toe.’  

Kant zou hier tegen inbrengen dat men niet zomaar een mens kan gebruiken, zeker niet wanneer die daar zijn toestemming niet voor heeft gegeven (vandaar dat iedereen essentiële rechten heeft). En zelfs indien hij de toestemming gaf om zich als middel te laten gebruiken, dan nog zou Kant het sterk afraden omdat hij daarmee zijn waardigheid verliest en de humaniteit die in hem huist niet respecteert. Wij bezitten onszelf niet en wij horen de ‘menselijkheid’ in ons steeds te respecteren. Dit is de essentie van de tweede formulering van de categorische imperatief. ‘Handel zo dat je de menselijkheid, in je eigen persoon of in de persoon van een ander, altijd als een doel op zichzelf en nooit alleen als een middel ziet.’

Dit is dan weer iets waarmee libertaire filosofen, genre Robert Nozick, het niet eens zouden zijn. Mensen bezitten zichzelf en kunnen/mogen zelf bepalen wat ze met hun eigen leven/lichaam doen, zolang ze iemands bezit, gezondheid, leven niet schaden. Libertaire denkers zullen het nut van snelheidsbeperkingen betwijfelen. Mensen zouden zelf moeten kunnen bepalen hoe snel ze rijden, net zoals ze ook zelf moeten kunnen kiezen of ze een veiligheidsgordel dragen, tenminste als ze dan bereid zijn de kosten te betalen van de schade die ze aan zichzelf en anderen aanrichten.

Morele overwegingen

Kort, alvorens Jambon zijn chauffeur opdraagt te snel te rijden, doet hij er toch beter aan het motief dat aan die vraag ten grondslag ligt te ondervragen. Stelt hij zich boven de ander omdat de boete hem, als financieel gefortuneerde persoon, niks uitmaakt (‘fairness argument’)? Is de boete in zijn ogen werkelijk nog een boete of is het alleen maar iets dat hij bereid is te betalen om een pragmatisch doel te dienen (‘crowding out argument’)?

Begrijpt Jambon dat hij zijn vrijbuitersgedrag niet vanuit het Kantiaans denken kan legitimeren? Of ziet hij zichzelf eerder als een consequentialist die een soort kosten-batenanalyse maakt en daarbij tot de vaststelling komt dat de boete niet opweegt tegen het (staats)belang dat hij moet dienen? En is hij daarbij dan werkelijk bereid om de prijs van de eventuele schade die hij anderen toebrengt te betalen? Wat dan met de rechten van die mensen? Of was hij even de mening toegedaan dat snelheidslimieten alles bij elkaar zinloos zijn en dient zijn demarche als een libertaire reflex gezien te worden?

Wat er ook van zij, het punt is dat Jambon – net zoals dat voor iedereen geldt – er zich best van bewust is dat hij zelf beslist in hoeverre hij zich laat aansturen door morele overwegingen.

Partner Content