Opinie

Stijn Ronsse

‘Soms dragen zeepbellen ook bij tot revolutionaire veranderingen die het hele systeem beïnvloeden’

Stijn Ronsse Associated fellow Itinera Institute, COO CAPTURE

‘Economische zeepbellen zijn als ballonnen’, schrijft Stijn Ronsse van Itinera. In deze bijdrage stelt hij scherp op de vraag waar geld naartoe gaat, en waar het naartoe moet gaan. Lees hier alle andere bijdragen van onze zomerreeks De doordenkers van Knack.be: Waarheen met ons geld?

Om groei aan te wakkeren, kan het lenen van geld goedkoop gemaakt worden, zodat financiële middelen in toenemende mate richting de economie stromen. Vanuit deze ene zin kunnen verschillende antwoorden bedacht worden voor de vraag waar geld naartoe stroomt: richting consumptie, investeringen, overheidsuitgaven, inflatie, maar ook … richting financiële zeepbellen.

Dat deze laatste (terecht) een negatieve bijklank krijgen is te verklaren doordat ze vaak gepaard gaan met een sneeuwbaldynamiek van toenemende investeringen en een daaropvolgende instorting, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Soms dragen deze zeepbellen ook bij tot revolutionaire veranderingen die het hele economische en maatschappelijke systeem beïnvloeden. Het is deze dynamiek die ik hieronder graag verder uitspit, door niet alleen na te gaan waar geld naartoe gaat, maar ook waar het naartoe moet gaan.

Zeepbeleconomie

Het voorbije decennium voerden centrale banken wereldwijd een zelden geziene versoepeling van het monetaire beleid door. Als reactie op de financiële crisis aan het begin van deze eeuw, werd via verschillende instrumenten geld in de economie gepompt. Zoals wel vaker het geval, stimuleerde dat niet enkel de groei, maar ook zeepbelvorming, ofwel situaties waarbij er een overwaardering van een goed of dienst tot stand komt. Vroegere voorbeelden -denk bijvoorbeeld aan de Tulpencrisis in de 17de eeuw- tonen steeds een gelijkaardige dynamiek: (1) het begint met een aanwakkerend enthousiasme over iets, waardoor (2) er veel geld naartoe stroomt zodat (3) er een steeds grotere spreidstand ontstaat tussen ontsporende prijzen en de reële onderliggende waarde. Het is niet eenvoudig om te voorspellen of iets al dan niet een zeepbel is, maar de evoluties op bijvoorbeeld de huizenmarkt of de markt van de cryptomunten, vertonen toch gelijkaardige kenmerken.

Economische zeepbellen zijn als ballonnen. Als je deze blijft opblazen, zijn er twee mogelijkheden: of je zorgt ervoor dat lucht op een gegeven moment kan ontsnappen, of hij ontploft. Helaas zien we vaak dat het laatste gebeurt en dan is het maar de vraag in hoeverre het geld dat richting de ballon ging, verweven is met de rest van het economisch systeem. De Amerikaanse huizencrisis aan het begin van deze eeuw leerde alleszins dat dit een bijzonder grote maatschappelijke en economische kost kan hebben.

Het moet echter niet altijd zo slecht aflopen. De Amerikaanse economist Bill Janeway argumenteert dat zeepbellen ook een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een nieuwe economie. Als voorbeeld van zo een productieve zeepbel verwijst hij naar de groei van de spoorwegindustrie in het VK in de jaren ’30 en ’40 van de negentiende eeuw. De speculanten gingen op een gegeven moment overkop, maar hadden wel voldoende geld richting de ruggengraat van een nieuwe economie aangetrokken: het Britse spoorwegennetwerk. Met andere woorden, toenemende speculatie en investeringen kunnen ook bijdragen tot het creëren van essentiële schaalgrootte. Maar dan moet er wel iets van intrinsieke waarde aan de basis liggen.

De groene productieve zeepbel?

De vraag is dus eigenlijk: zit er iets in de zeepbel die waarde heeft om een nieuwe economie vorm te geven en hoe wordt ervoor gezorgd dat dit niet verloren gaat als de bel ontploft. Interessant is dat Janeway dit reflectiekader ook gebruikt voor de analyse van een andere speculatieve tendens die hij ziet, namelijk geld dat naar een groene economie stroomt. De vraag die hij opwerpt, is de volgende: waren we de voorbije jaren getuige van een duurzaamheidszeepbel of van een revolutionaire verandering van ons economisch systeem. Hoewel ik denk/hoop dat het geen zeepbel betreft, is de bezorgdheid van Janeway terecht. Het voorbije decennium is er veel geld gestroomd richting beleggingen en investeringen in duurzaamheid, maar in een uitdagend economisch en monetair klimaat is er altijd een risico dat deze stroom stilvalt. Elke actor die een belangrijke rol speelt in het economische systeem wordt voor deze uitdaging geplaatst: (1) voor grote groepen van consumenten zijn investeringen in duurzame oplossingen minder vanzelfsprekend wanneer hun koopkracht wordt aangetast, (2) voor bedrijven in woelig economische water, zijn investeringen in groene oplossingen vaak niet de grootste prioriteit, (3) voor financiers kunnen duurzame investeringen en beleggingen aan rendement verliezen en (4) investeringen door de overheid in duurzaamheid kunnen onder druk komen te staan.

Waar moet geld naartoe gaan?

De vraag moet dan ook niet alleen zijn waar geld naartoe gaat, maar nog meer waar het naartoe moet gaan. Met andere woorden: hoe kan erover worden gewaakt dat de financiële stromen van het voorbije decennium niet de basis waren van een ontploffende zeepbel, maar eerder van een nieuwe groene economie? Janeway formuleert zelf een antwoord en wijst naar één actor die een belangrijke ondersteunende rol te vervullen heeft bij het doorbreken van een nieuw economisch systeem: de overheden. Deze moeten de randvoorwaarden scheppen die een groene doorbraak mogelijk maken. Dat gaat niet alleen over omkadering op vlak van ruimtelijke ordening, energiebevoorrading, infrastructuur, wetgeving, beleidsmatige effectiviteit, financiële ondersteuning waar nodig, maar evengoed over gerichte investeringen in onderzoek en in ondersteunende technologieën. Met andere woorden: de overheden moeten een kwalitatief veld aanleggen, zodat consumenten, bedrijven en andere spelers het spel kunnen spelen en over alle mogelijkheden beschikken om volop de kaart van duurzaamheid te trekken (deze dragen natuurlijk zelf ook verantwoordelijkheid).

Dat vraagt wel overheden die vanuit een duidelijke visie en missie handelen en die in staat zijn verschillende types zeepbellen te monitoren. Zo moet telkens opnieuw een reeks vragen beantwoord worden. Ten eerste is dit met betrekking tot het type zeepbellen: (1) zijn deze al dan niet schadelijk of moeten ze net ondersteund worden (bijvoorbeeld omdat ze maatschappelijke en/of economische waarde kunnen toevoegen)? Indien dit laatste het geval is, wordt vanuit budgettair oogpunt ook best nog gereflecteerd (2) over de noodzaak van overheidsondersteuning en over (3) hoe de ondersteuning er gericht, doeltreffend en specifiek moet uitzien?

De reeks aan keuzes die bovenstaande vragen meebrengt, zorgt ervoor dat dit voor veel zeepbellen geen eenvoudig antwoord is. Gelukkig bestaat er over de noodzaak van een groene economie weinig discussie, zodat de focus direct richting de derde vraag kan gaan: in welke randvoorwaarden zijn investeringen nodig zodat de financiële stromen richting een groene economie niet opdrogen, maar in tegendeel verder aanzwengelen en de basis vormen voor een groene revolutie in plaats van een leeglopende ballon. Met andere woorden: hoe kan zo goed mogelijk gegarandeerd worden dat de gecreëerde schaalgrootte gebruikt wordt om een nieuw economisch systeem te voeden?

Stijn Ronsse is Associated fellow bij Itinera Institute en COO CAPTURE.

Partner Content