Opinie

Laurens Cherchye

‘Inflatie treft armere gezinnen harder: beleid moet daar extra aandacht voor hebben’

Laurens Cherchye Econoom aan de KU Leuven
Bram De Rock Econoom aan de KU Leuven en ULB
Frederic Vermeulen Econoom aan de KU Leuven

door de inflatie’, schrijven Laurens Cherchye (KU Leuven), Bram De Rock (ULB en KU Leuven) en Frederic Vermeulen (KU Leuven). Deze bijdrage schrijven ze in het kader van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB). De andere stukken van onze zomerreeks: De doordenkers van Knack.be: waarheen met ons geld? kan u hier lezen.

De galopperende inflatie staat al enkele maanden prominent in het nieuws. Dat is niet zo verwonderlijk: uit de jongste cijfers van Statbel blijkt dat de inflatie in juni is gestegen tot 9,65%. Dit terwijl de inflatie meestal onder de 2% schommelde in het voorbije decennium. We moeten al teruggrijpen naar 1982, toen de Belgische frank gedevalueerd werd, voor inflatiecijfers die gelijkaardig zijn aan die van vandaag. Concreet betekent het hoge inflatiecijfer dat we nu bijna 10% meer betalen voor een representatieve korf van goederen en diensten dan een jaar geleden. Als we kijken naar specifieke groepen van goederen en diensten, dan zien we dat de stijging van de inflatie vooral te wijten is aan de stijgende prijzen voor huisvesting en energie, voeding en alcoholvrije dranken en transport.

De 9,65% inflatie in juni geeft het gemiddelde weer over alle Belgische gezinnen.  Gezinnen verschillen echter sterk in hun uitgavenpatronen, wat ervoor zorgt dat de impact van inflatie niet dezelfde is voor elk gezin. Dit ondanks het feit dat lonen en sociale uitkeringen grotendeels welvaartsvast zijn door indexering.

Welke gezinnen kunnen tot de grootste verliezers gerekend worden? Om hierop een antwoord te formuleren kijken we naar het huishoudbudgetonderzoek van 2018 van Statbel. We kiezen voor cijfers uit 2018 omdat het jongste huishoudbudgetonderzoek slaat op het eerste pandemiejaar 2020, wat natuurlijk niet erg representatief is voor de huidige situatie wegens onder andere lockdowns en  schoolsluitingen.

In 2018 besteedden de Belgische gezinnen gemiddeld 35.764 euro aan goederen en diensten. Met 30,3% ging het grootste gedeelte van die bestedingen naar huisvesting en energie. Ook voeding en alcoholvrije dranken nemen met 14% een flinke hap uit het budget van de Belgische gezinnen. Het budgetaandeel van transport, ten slotte, is met 11,4% tevens verre van te verwaarlozen.

Ook die cijfers zijn natuurlijk gemiddelden over alle Belgische gezinnen, en verbergen een sterke verscheidenheid tussen gezinnen. 

Zo is het budgetaandeel van huisvesting en energie gelijk aan 39,4% voor de 25% armste gezinnen. Dat aandeel daalt gestaag tot 24,9% voor de 25% rijkste gezinnen. De goederengroep huisvesting en energie is een typisch voorbeeld van een “noodzakelijk” goed: het budgetaandeel daalt naarmate een gezin rijker wordt. Als we ons beperken tot de deelgroep van energie, dan blijken Belgische gezinnen gemiddeld 4,6% van hun budget hieraan te spenderen. Ook energie is een noodzakelijk goed: het budgetaandeel daalt van 6% voor de 25% armste gezinnen tot 3,7% voor de 25% rijkste gezinnen.

Hoewel rijkere gezinnen meer euro’s uitgeven aan huisvesting en energie treft de stijgende inflatie de armere gezinnen dus relatief meer. Ietwat verrassend misschien is dat de impact van de inflatie op huisvesting en energie niet direct doorgetrokken kan worden naar voeding of transport. Zo varieert het gemiddelde budgetaandeel van voeding en alcoholvrije dranken niet erg. Het blijft schommelen rond de 14% als we de gezinsinkomensladder opklimmen van het laagste kwartiel tot het hoogste kwartiel. Voor transport geldt trouwens een omgekeerd verhaal: het budgetaandeel stijgt van 7,4% voor de 25% armste gezinnen tot 13,1% voor de 25% rijkste gezinnen.

Alles bij elkaar genomen kunnen we besluiten dat armere gezinnen verhoudingsgewijs meer getroffen worden door de inflatie dan rijkere gezinnen. Dat dus vooral door de hogere kosten voor de noodzakelijke goederen huisvesting en energie. Inkomen is natuurlijk niet de enige dimensie waarin gezinnen verschillen. Zo merken we ook belangrijke verschillen in uitgavenpatronen tussen alleenstaanden en koppels, gezinnen met of zonder kinderen, of tussen gezinnen in verschillende regio’s. Ook die verschillen vertalen zich in een variërende impact van inflatie. Wat maakt dat het inflatiecijfer van 9,65% niet noodzakelijk representatief is voor alle gezinstypes.

En zou het kunnen dat er ook winnaars zijn in deze tijden van hoge inflatie? Zonder over concrete cijfers te beschikken vermoeden we van wel. Zo weegt de vastrentende hypotheek van huiseigenaars steeds minder door op het gezinsbudget bij een stijgende inflatie. Als er dan ook nog eens zonnepanelen op het dak liggen, scheelt dat al vlug meer dan een slok op een borrel in vergelijking met gezinnen die hun dure elektriciteit zelf moeten aankopen. Het typevoorbeeld van de winnaar van de inflatie is wellicht de loontrekkende door indexatie beschermde huiseigenaar met een vastrentende hypotheek, met zonnepanelen op het dak, zonder… spaargeld geplaatst op een gewone spaarrekening. Want daarvan smelt de koopkracht momenteel weg als sneeuw voor de zon.

Helaas is dat nog niet het geval voor de hoge inflatie zelf, vrezen we. Die zal nog wel een tijdje aanhouden. Het ziet ernaar uit dat de verstoringen van de wereldwijde aanvoerketens door de pandemie niet opgelost zullen worden op korte termijn. Hetzelfde geldt voor de oorlog in Oekraïne en het gaspokerspel van de Russische president Poetin. Met alle gevolgen van dien voor de wereldwijde energie- en voedselprijzen.

Wat kunnen we in deze turbulente context nu meegeven als beleidsaanbeveling? Welnu, we hopen dat de hierboven geciteerde cijfers duidelijk aantonen dat niet elk gezin in gelijke mate getroffen wordt door de uit de pan swingende inflatie. En dat er, naast de automatische loonindexering, best aanvullende maatregelen komen gericht op de gezinnen die het zwaarst getroffen worden door de inflatie. Bijvoorbeeld door het aanpassen van sociale tarieven voor energie of gerichte bijkomende transfers, waarbij die laatste maatregel het best verdedigbaar is vanuit economisch perspectief.

Laurens Cherchye en Frederic Vermeulen zijn beiden verbonden aan de KU Leuven; Bram De Rock is verbonden aan de Université Libre De Bruxelles en de KU Leuven. De drie auteurs zijn tevens research fellow van het Institute for Fiscal Studies (IFS) te London en het Centre for Economic Policy Research (CEPR). Hun gezamenlijk onderzoek spitst zich toe op het bestedingsgedrag van gezinnen. In 2019 ontvingen zij voor dit onderzoek de Francquiprijs.

De Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB) wil op ongebonden en interdisciplinaire wijze bijdragen aan het maatschappelijk debat. Het wetenschappelijk genootschap viert dit jaar haar 250-jarig bestaan. 

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content