Opinie

Laurens De Brucker

‘Dat het Ventilus-project wat West-Vlaamse tegenkanting kent, is een verkeerd motief om de procedure stop te zetten’

Laurens De Brucker Doctoraal onderzoeker KU Leuven en advocaat milieu- en energierecht

Advocaat Laurens De Brucker wijst op de belangrijke taak die voor de Vlaamse Overheid weggelegd in het Ventilus-dossier. Hij pleit voor een doorstart in plaats van een herstart van het project, ook al komt er protest tegen de actuele GRUP-procedure.

Anno 2022 lijken grote infrastructuurprojecten de achilleshiel van de Vlaamse Regering te zijn geworden. Na de bom die onlangs door de Raad van State onder de Oosterweelverbinding werd gelegd in het kader van de PFOS-affaire, dreigt nu ook het West-Vlaamse Ventilus project als een ware splijtzwam te fungeren en steeds meer verdeeldheid te zaaien binnen de rangen van de Vlaamse meerderheid.

Het op 28 februari 2022 gepubliceerde eindrapport van de Ventilus-intendant, waarin geconcludeerd werd dat een project in wisselstroom met slechts een gedeeltelijke ondergrondse aanleg de enige optie betreft om op een robuuste en toekomstgerichte wijze de noodzakelijke stappen te zetten om de energietransitie te realiseren tegen 2030, druist immers regelrecht in tegen de bezwaren en muizenissen van talloze omwonenden, die het project liever letterlijk begraven zouden zien.

Het massale burgerprotest tegen Ventilus en het daarbij horende gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) boezemt de grootste Vlaamse meerderheidspartij duidelijk angst in. Zo liet Bart De Wever bij Radio 1 optekenen dat de Vlaamse Regering maar beter rekening houdt met de bezorgdheden van omwonenden. N-VA-fractieleider Wilfried Vandaele lichtte in de commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement dan weer toe dat het hem ‘niet onverstandig (lijkt) om te kiezen voor de optie die de minste weerstand opwekt’.

In navolging van het Oosterweeldebacle en vrezend voor electorale repercussies, lijkt de N-VA het geweer thans resoluut van schouder te hebben veranderd en met hangende pootjes terug te komen op de in het Vlaamse regeerakkoord uitgedrukte doelstelling om het maatschappelijk belang bij grote infrastructuurwerken te laten prevaleren op louter particuliere belangen. Zulks is uiterst opmerkelijk. Bij aanvang van de huidige legislatuur had niemand een dergelijke ommezwaai immers ooit voor mogelijk gehouden.

De vraag kan evenwel worden gesteld of de keuze voor de ‘least resistance option’ de meest aangewezen strategie betreft. Het eindrapport van de Ventilus-intendant besluit alvast in tegenovergestelde zin. Een herstart van het project, waarbij vertrokken wordt van een ondergronds project in gelijkstroom, zou immers het stopzetten van de lopende GRUP-procedure betekenen. Bovendien zal België in een dergelijk herstartscenario de Europese ‘Fit for 55’-doelstellingen, waaraan tegen 2030 voldaan moet zijn, niet halen.

Alleen al uit klimaatgerelateerde en energietransitionele overwegingen verdient het dan ook de aanbeveling om geen nieuw ruimtelijk planningsproces op te starten.

Er is echter ook een bijkomende reden waarom het actuele GRUP-proces moet worden verdergezet en geen her-, maar wel een doorstart dient te kennen. Er bestaat immers geen enkele garantie dat een ondergrondse variant van het Ventilus-project niet op lokale weerstand zal botsen. Ook in dergelijk geval zal er namelijk sprake zijn van werkzaamheden die resulteren in de nodige ongemakken voor omwonenden.

Bovendien biedt het geïntegreerd spatiaal planningsproces dermate veel inspraakmogelijkheden voor het betrokken publiek dat het formuleren van bezwaren en opmerkingen nimmer kan worden uitgesloten. Niet alleen bij de opmaak van de start- en procesnota, maar ook naar aanleiding van het openbaar onderzoek voor het ontwerp-GRUP, het openbaar onderzoek voor het project-MER en het openbaar onderzoek voor de noodzakelijke omgevingsvergunningsaanvraag kunnen derden-belanghebbenden immers hun doleanties uit de doeken doen.

Als klap op de vuurpijl bestaan er nadien ook nog eens diverse verhaalsmogelijkheden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de Raad van State en de gewone burgerlijke rechter.

De omstandigheid dat het Ventilus-project behoorlijk wat West-Vlaamse tegenkanting kent, lijkt an sich aldus een verkeerd motief te zijn om de huidige GRUP-procedure stop te zetten en te opteren voor een ondergronds alternatief. Eerder lijkt het aangewezen om de bevoegde actoren aan te sporen om niet alleen in het kader van de opmaak van de scopingsnota, het voorontwerp-GRUP en het ontwerp-GRUP de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen, maar ook met betrekking tot het onderzoek naar alternatieven en de motivering waarom deze opties niet in aanmerking komen. Tevens lijkt het opportuun om zowel in het GRUP, als in de uiteindelijke omgevingsvergunning afdoende wetenschappelijk gestaafde garanties in te bouwen die de gezondheid van omwonenden vrijwaren. Ten slotte oogt het absoluut noodzakelijk om in iedere stap van het ruimtelijk planningsproces voldoende aandacht te besteden aan de weerlegging van geformuleerde bezwaren en bemerkingen.

Eens te meer is in dat verband een belangrijke taak voor de Vlaamse Overheid weggelegd. Indien de N-VA wil vermijden dat de in 2019 voorgestelde regering van ‘sterke Jan’ niet de geschiedenisboeken ingaat als het gefaalde infrastructuurbewind van ‘slappe Janus’, doet Zuhal Demir, de minister van Omgeving, er bijgevolg maar beter goed aan om een extra oogje in het zeil te houden bij de opvolging van het Ventilus-project door haar administratie.

In ieder geval lijkt het aangewezen dat de Vlaamse Regering het aanbevolen doorstartscenario van de Ventilus-intendant onderschrijft.

Laurens De Brucker is advocaat milieu- en energierecht bij Xirius Public en doctoraal onderzoeker aan het KU Leuven Centre for Public Law.

Partner Content