Opinie

Frank Judo

‘Angst voor betutteling is meer dan onverantwoordelijkheid’

Frank Judo Advocaat, kerkjurist en historicus

‘Dat een overheid streeft naar gedrag dat wenselijk is vanuit het perspectief van de maatschappij, de samenleving dus, is minder vanzelfsprekend dan het klinkt’, schrijft Frank Judo. Hij plaatst een aantal kanttekeningen bij een paar gevallen van de laatste maanden waarbij maatregelen als ‘betuttelend’ werden ervaren.

Het heeft altijd iets ongemakkelijks als mensen worden aangesproken op de principes die ze hoog in het vaandel hebben geschreven. En vermits vandaag zo goed als iedereen de menselijke autonomie een warm hart toedraagt, doet het in de regel geen goed wanneer een voorgenomen beleidsmaatregel als ‘betuttelend’ wordt gepresenteerd. Zeker niet wanneer die kritiek afkomstig is vanuit een hoek die niet meteen bekendstaat als een oord waar die autonomie steeds als richtsnoer werd genomen. Of concreter: voor wie zich beschouwt als een erfgenaam van ’68 en hoog oploopt met het beginsel ‘il est interdit d’interdire‘, moet het geen fijn gevoel zijn voorgesteld te worden als een kruising tussen een schoolmeester en een kanselredenaar, zeker niet als dat gebeurt door de erfgenamen van de verdedigers van orde en gezag.

Want dat is inderdaad de licht surrealistische situatie die is ontstaan in het klimaatdebat, maar ook in min of meer verwante discussies, zoals die over de verkeersveiligheid. Denk maar aan de oproepen om de prijs voor het water te diversifiëren, het debat over de beperking van de maximumsnelheid op de snelweg of de inkorting van de Dodentocht in Bornem. Stuk voor stuk werden die omschreven als ‘betuttelend’, wat dan weer aanleiding gaf tot verontwaardigde reacties over zoveel maatschappelijke onverantwoordelijkheid.

De wetgevende macht beperkt zich minder dan ooit tot wetgeven, maar vindt in resoluties allerhande een makkelijk instrument om goed- en afkeuring uit te spreken over maatschappelijke fenomenen in binnen- en buitenland.

Ach, al te ernstig moeten we dat spel niet nemen, evenmin als de verwijten van onverantwoordelijkheid en gebrek aan maatschappelijke solidariteit die bij wijze van tegenoffensief gelanceerd worden. Het is de taak van de oppositie om kritiek te uiten, en de taak van de meerderheid om de gekozen beleidspaden te verdedigen. Dat de gekozen retoriek ertoe leidt dat soms de indruk ontstaat dat we een reprise beleven van een aantal debatten over medische ethiek uit het laatste derde van de twintigste eeuw, zegt meer over de spanning tussen politieke retoriek en inhoud dan over wat anders.

Toch zou het fout zijn het betuttelingsdiscours weg te schuiven als niet meer dan een strategische handigheid of, erger nog, als onversneden egoïsme. Dat mensen het gevoel krijgen niet ernstig genomen te worden of erger nog, onder voogdij te worden geplaatst (want van de Latijnse term voor voogdij, tutela, komt het woord ‘betutteling’ vandaan) is op zich al een relevant signaal in een samenleving die autonomie positief waardeert. Is er geen opvallende tegenstelling tussen het succes van het betuttelingsdiscours enerzijds en anderzijds de vaker weerkerende suggestie om persoonlijke autonomie grondwettelijk te verankeren?

Bij nader toezien zijn beide fenomenen misschien wel nauwer verwant dan het lijkt. Het inschrijven van een filosofisch beginsel als dat van de menselijke autonomie in een juridische tekst is immers op zich al een merkwaardig fenomeen. Een dergelijk initiatief geeft geen aanleiding tot enig gebod of verbod. Het zou vooral een plechtige bevestiging zijn van de gehechtheid van een ruime meerderheid in het parlement aan dat beginsel. In afgeleide orde zou het ook een interpretatiesleutel voor andere regelgeving kunnen zijn.

Plechtige bevestigingen zijn overigens niet het monopolie van de grondwetgever, maar lijken steeds meer een kerntaak van het parlement te worden. De wetgevende macht beperkt zich minder dan ooit tot wetgeven, maar vindt in resoluties allerhande een makkelijk instrument om goed- en afkeuring uit te spreken over maatschappelijke fenomenen in binnen- en buitenland.

Is dat fout? Niet noodzakelijk. Wel geeft deze evolutie onvermijdelijk aanleiding tot verwarring. Wetgeving is een vorm van machtsuitoefening en een overheid zonder minstens een mogelijkheid tot de uitoefening van dwang, is een contradictio in terminis. Goed- en afkeuring door de overheid houdt dus minstens een hint in naar dwangmaatregelen die goedgekeurde fenomenen bevorderen en afgekeurde fenomenen afzwakken, ook wanneer dat niet of niet voluit gebeurt.

Halve dwangmaatregelen komen ook vaker voor dan we denken. Zo wordt de fiscaliteit vaak ook gebruikt om samenlevingsevoluties te sturen. Denk maar aan de accijnzen op tabak en fossiele brandstoffen: een verbod komt er niet, maar door producten duurder te maken hoopt men het gebruik ervan af te remmen. Onvermijdelijk geeft die werkwijze aanleiding tot ongemakkelijke gedachten, zoals de vraag of de overheid wel blij kan zijn met een terugval van de opbrengsten van de accijnzen in kwestie.

Is het niet aan de samenleving zelf om te bepalen wat zij wenselijk acht? Is ook dat geen uiting van respect voor de menselijke autonomie, met name in haar collectieve dimensie?

De recente aandacht voor ‘nudging’, het geven van duwtjes aan de burger met het oog op het bevorderen van maatschappelijk wenselijk gedrag, zonder echt dwang uit te oefenen, versterkt die tendens nog. De duwtjes in kwestie gaan immers uit van een instantie die als het erop aankomt wel degelijk dwang kan uitoefenen en dat misschien wel meent te moeten doen als de duwtjes niet volstaan. Denk maar aan het aanbrengen van strepen op de weg op een plek waar men de snelheid naar beneden wil, zonder daar echt gevolgen aan te bevinden, of de wijziging van de toon in de communicatie van de overheid als die graag snelle betalingen ziet van belastingen of verkeersboetes.

Dat een overheid streeft naar gedrag dat wenselijk is vanuit het perspectief van de maatschappij, de samenleving dus, is ook minder vanzelfsprekend dan het klinkt. Is het niet aan de samenleving zelf om te bepalen wat zij wenselijk acht? Is ook dat geen uiting van respect voor de menselijke autonomie, met name in haar collectieve dimensie?

Of ligt net daar het probleem, dat we er niet meer in slagen te denken buiten het binaire schema van de burger en de politiek? Ons maatschappelijk middenveld is verzwakt, niet alleen maar soms ook door bewust overheidshandelen. En toch is het net daar dat we in min of meer zachtzinnige confrontatie met andersdenkenden de grenzen aftasten van een consensus over wat maatschappelijk wenselijk is. Dat kan, omdat het middenveld niet met macht, maar hoogstens met gezag bekleed is: het vraagt ernstig genomen te worden, maar beschikt niet over de mogelijkheid om dwang uit te oefenen. En dat is maar goed zo.

Vrees voor betutteling vanwege middenveld en samenleving is dus strikt genomen niet aan de orde, omdat zelfs de meest gezaghebbende instantie niemand tegen de eigen wil onder voogdij kan plaatsen. De overheid kan dat wel, zelfs als ze er (minstens voorlopig) voor kiest dat niet te doen. Dat verklaart waarom mensen sneller geprikkeld reageren als de overheid zich als hoeder van de maatschappelijke wenselijkheid profileert, en waarom ze niet noodzakelijk ongelijk hebben.

Nieuw is dit allemaal niet. Halverwege de negentiende eeuw verdedigde de Franse socioloog Alexis de Tocqueville al de stelling dat een levenskrachtige democratie staat of valt bij een sterk middenveld, naast burgers die bereid zijn op te komen én uit te komen voor het welbegrepen eigenbelang dat ze verdedigen. Door taken naar zich toe te trekken die eigenlijk aan het middenveld toekomen en de eigen kerntaak te laten vervagen, draagt een overheid niet bij tot de levenskracht van de democratie waarvan zij de hoeder is.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content