Wie graag eens iets belachelijks gelooft, heeft tegenwoordig keuze zat. Dat is altijd zo geweest, zult u zeggen, en u hebt gelijk. Alleen vind je vandaag voor elke krankzinnige stelling tonnen bewijsmateriaal op het internet. Enfin, zogenaamd bewijsmateriaal.

Lees ook:
...

Wilt u graag geloven dat kindervaccins autisme veroorzaken? Dat de Holocaust nooit heeft plaatsgegrepen? Dat niet Osama Bin Laden, maar de Amerikaanse overheid in 2001 de aanslagen op het World Trade Center heeft georganiseerd? Een minuutje googelen volstaat om van al die meningen een bevestiging te vinden. U zult uiteraard méér informatie vinden die het tegendeel aantoont, maar wees gerust: er zijn genoeg websites die in uw kraam zullen passen, waar u in elke discussie koppig naar kunt verwijzen. Het zijn niet alleen complotdenkers die dat doen. Wij doen het allemaal. Ook als we geen rare dingen geloven, hebben we vooral oog voor informatie die in ons kraam past. Het is zelfs de denkfout waar we het vaakst last van hebben. Dat werd in 1979 aangetoond met een beroemd experiment aan de universiteit van het Amerikaanse Stanford. De onderzoekers vroegen zich af welk effect onze mening heeft op de manier waarop we nieuwe informatie interpreteren. Bekijkt iedereen nieuwe gegevens op dezelfde manier, of hangt dat af van de mening die ze van tevoren al hadden? Ze deden een experiment met voor- en tegenstanders van de doodstraf, die ze allemaal twee fiches lieten zien. Op de ene fiche: de resultaten van een onderzoek waaruit bleek dat de argumenten voor de doodstraf geen steek houden. Op de andere fiche: resultaten van een onderzoek met een totaal tegenovergestelde conclusie. Drie keer raden wat er gebeurde. De voorstanders van de doodstraf waren niet onder de indruk van de informatie die hun mening op losse schroeven zette. De tegenstanders vonden de informatie die niet met hún mening strookte zeer zwak. Iedereen had dezelfde informatie gezien, maar geloofde alleen wat in het eigen kraam paste. Met als gevolg dat iedereen na afloop nog sterker overtuigd was van het eigen gelijk. Het besluit van de onderzoekers was duidelijk: 'Als onze studie iets aantoont, dan is het wel dat sociale wetenschappers niet mogen verwachten dat hun pogingen om objectieve gegevens te verzamelen over brandende sociale kwesties, zullen leiden tot rationaliteit, verlichting en consensus over het beleid. Als mensen met een tegenovergestelde visie in hetzelfde bewijsmateriaal al de bevestiging kunnen vinden voor hun eigen mening, dan hoeft het niemand te verwonderen dat de research in de sociale wetenschappen (...) de vlammen van het debat vaker zal aanwakkeren dan kalmeren.' Voor mensen die daar nog aan twijfelden, werd Twitter uitgevonden. Neem een actueel onderwerp naar keuze. Zo eentje dat de geesten verdeelt, waarover weleens fors wordt gediscussieerd. De islam, bijvoorbeeld. Of de taxshift. Of de Europese Unie. Hou even in de gaten wat voor- en tegenstanders daarover allemaal tweeten en retweeten en u zult zien dat de meesten onder ons haast uitsluitend argumenten omarmen die onze opinie bevestigen, terwijl er misschien evenveel of meer argumenten circuleren die onze visie ontkrachten of uitdagen. Dat is niet raar. Dat is verklaarbaar. Zo zit de menselijke geest nu eenmaal in elkaar. We zoeken eerder naar bevestiging van wat we al geloven dan naar informatie die ons wereldbeeld kan doen kantelen. In wetenschappelijk jargon: onze zwaarste denkfout is de zogenaamde confirmation bias, de bevestigingsvertekening. Ons beeld van de wereld is vertekend omdat we vooral oog hebben voor wat dat beeld bevestigt. En dat doen we zeker niet altijd opzettelijk. Meestal niet, zelfs. Het gebeurt automatisch, zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Met alle gevolgen van dien. 'Mensen hebben de neiging om hun opinies te behouden, ook wanneer die in hun eigen nadeel spelen', schrijft de Gentse psycholoog Alain Van Hiel in zijn boek Sociale Psychologie. 'Waarnemers zijn geregeld het slachtoffer van de tendens om informatie te interpreteren, te zoeken en te vervormen in overeenstemming met hun bestaande opvattingen. Zo blijven beleggers investeren in aandelen die hun waarde verliezen, blijven managers slecht werkende plannen uitvoeren, en slagen juryleden er niet in hun opinie te herzien wanneer hen verteld wordt dat het bewijsmateriaal hoogst twijfelachtig is.' Hoe komt dat? Waarom zit er zo'n fabricatiefout in ons redeneervermogen? Op het eerste gezicht is dat bijzonder merkwaardig. Zou het niet veel nuttiger zijn als we vooral oog zouden hebben voor informatie die onze meningen ter discussie stelt? Evolutionair bekeken lijkt de confirmation bias immers te gek voor woorden: wie zijn wereldbeeld altijd maar bevestigt, zonder oog voor eventuele tegenargumenten, loopt in z'n ongeluk en overleeft niet lang op de savanne. Waarom heeft de natuur ons niet uitgerust met een innerlijke wetenschapper, die altijd de waarheid zoekt? Dat is tenslotte wat wetenschap kenmerkt: de zoektocht naar falsificatie in plaats van naar bevestiging. Wetenschappers moeten altijd bereid zijn om ongelijk te krijgen, experimenten moeten zo ontworpen zijn dat het resultaat de aanvankelijke hypothese kan ontkrachten. Aan wetenschap doen is eigenlijk: tegenargumenten zoeken. Waarom werkt ons brein zo niet? 'Ik denk dat er een misverstand bestaat over de functie van ons redeneervermogen', zegt de Canadese onderzoeker Hugo Mercier. 'We redeneren niet zozeer om te onderzoeken of onze overtuiging klopt, maar om argumenten voor die overtuiging te zoeken.' Mercier studeerde filosofie, economie en politieke wetenschappen en doet nu al een tijdje research naar onze cognitieve vermogens. Ik heb via Skype met hem afgesproken omdat hij een nieuwe manier heeft om die rare confirmation bias van ons te verklaren. 'Ons redeneervermogen heeft een sociale functie', legt hij uit. 'Als we redeneren, zoeken we eigenlijk argumenten om anderen te overtuigen. En dan is het natuurlijk erg zinvol om vooral oog te hebben voor wat jouw visie ondersteunt en in jouw kraam past. Daarom redeneren we niet om aan zelfkritiek te doen, maar om bevestiging te zoeken. Als je op basis van je buikgevoel voor deze of gene partij hebt gestemd, zal je verstand je allerlei redenen geven waarom dat een goede keuze was. En je gevoel zal daardoor versterkt worden. Redeneren bevestigt je eigen wereldbeeld, dat is de confirmation bias.' We hebben geen innerlijke wetenschapper, die al onze meningen voortdurend tegen het licht houdt om de tekortkomingen ervan te zien. We hebben een innerlijke advocaat, die voortdurend argumenten zoekt om onze meningen te versterken en te verdedigen. We zijn ons als het ware haast onafgebroken aan het voorbereiden op een debat. Dat beeld van de advocaat tref ik aan in het boek Ons feilbare denken van de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman. Hij verdeelt de menselijke geest in twee systemen: systeem 1 is het snelle, intuïtieve denken; systeem 2 het trage, rationele denken. Systeem 2 doet vaak aan zelfkritiek, schrijft Kahneman: ons verstand kan onze intuïtie corrigeren, dat is een van de belangrijke functies die het heeft. Maar voor onze beliefs, onze overtuigingen, speelt systeem 2 'apologeet', zeg maar: advocaat van de verdediging. 'De zoektocht naar argumenten en informatie wordt dan grotendeels beperkt tot informatie die consistent is met onze bestaande overtuigingen', schrijft Kahneman. 'Die zoektocht heeft dus niet de bedoeling onze overtuigingen kritisch te onderzoeken.' We hebben niet alleen last van zo'n confirmation bias of bevestigingsvertekening. In zijn boek somt Kahneman een hele resem denkfouten op waaraan we voortdurend ten prooi vallen. Iets wat vertrouwd overkomt, bijvoorbeeld, omdat we het al vaak gehoord hebben, zullen we sneller geloven dan iets wat we nog nooit gehoord hebben. Van verschijnselen waar we vaak over lezen, echtscheidingen in Hollywood bijvoorbeeld, overschatten we de frequentie. Als we een vraag moeten beantwoorden die heel complex is - zoals: welke partij kan dit land het best door de crisis loodsen? - vervangen we die onbewust door een vraag die gemakkelijker is - zoals: welke politicus ziet er het bekwaamst uit? We zullen niet graag toegeven dat het zo werkt. Omdat we nu eenmaal geen irrationele wezens willen zijn. Maar ook omdat we niet wéten dat het zo werkt. We hebben, toont Kahneman in zijn boek overtuigend aan, geen bewuste toegang tot de werking van onze geest. We weten veel minder over onszelf dan we geneigd zijn te denken. 'En het is geen optie om dat niet te geloven', schrijft hij uitdagend. 'Deze inzichten zijn waar. Sterker nog: ze zijn waar over u.' Wij zijn allemaal olifanten in het diepst van onze gedachten. Dat lees ik in The Righteous Mind van de Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt, het boek dat me, samen met dat van Kahneman, echt verplichte lectuur lijkt voor iedereen die grondig wil begrijpen hoe onze meningen tot stand komen. Wat Kahneman nogal technisch 'systeem 1' en 'systeem 2' noemt, noemt Haidt met iets meer gevoel voor beklijvende beeldspraak 'de olifant' en 'de bestuurder'. Die olifant vertegenwoordigt ons buikgevoel, onze intuïtie - systeem 1. De berijder, dat is dan ons verstand - systeem 2. En terwijl de berijder denkt dat hij het voor het zeggen heeft, is het volgens Haidt net andersom: de olifant zet de koers uit, de berijder moet meestal volgen. 'Samen strompelen ze door het leven.' Ook Haidt gebruikt het beeld van de advocaat als hij over de ratio schrijft: in plaats van onze olifant voortdurend te bekritiseren en te corrigeren, neemt de berijder het meestal voor hem op. De berijder verzorgt als het ware de public relations van onze olifant. Ons verstand verkoopt de beslissingen van onze intuïtie en houdt zo onze reputatie in stand. Want die reputatie vinden we vaak belangrijker dan de waarheid. Eens te meer leer ik bij Haidt dat onze meningen vooral een sociale functie hebben. 'Ons morele denken lijkt meer op een politicus die stemmen wil halen dan op een wetenschapper die de waarheid zoekt', schrijft hij. We argumenteren met andere woorden niet om uit te leggen hoe we tot een oordeel zijn gekomen, maar om anderen ervan te overtuigen dat ze ons oordeel moeten volgen. Met de nadruk op ons, want - om eens een beroemde sigarettenslogan te parafraseren - een mening vorm je nooit alleen. Met onze meningen geven we namelijk aan tot welke groepen en coalities we behoren. Denk daaraan als u op Twitter nog eens getuige bent van een hooglopende discussie tussen links en rechts, of als u op een familiefeest in een politiek debat verzeild raakt: we zijn daar geen rationele argumenten aan het uitwisselen, we zijn onze eigen morele gemeenschap aan het verdedigen. We zijn geen intellectueel betoog aan het houden, we zijn aan het supporteren voor onze club. Als was het een voetbalmatch. Al dat lawaai op Twitter, dat is de spionkop van links die tekeergaat tegen de spionkop van rechts.'We verbinden ons in groepjes waarvan de leden een moreel verhaal met elkaar delen', schrijft Haidt. 'Zodra we ons dat morele verhaal eigen hebben gemaakt, worden we blind voor de tegenargumenten. Moraliteit verbindt en verblindt.' En dat geldt niet alleen voor politiek, maar bijvoorbeeld ook voor religie, aldus Haidt: 'Religie gaat over belonging, niet over believing' - religie gaat over ergens bijhoren, niet over iets geloven. Dat verlangen om tot een groep te behoren is evolutionair sterk in ons verankerd. 'In het stenen tijdperk was dat een kwestie van leven of dood', vertelde de Deense onderzoeker Michael Bang Petersen me onlangs. 'Voor onze voorouders was het erg belangrijk dat ze duidelijk maakten tot welke groep ze behoorden. Je had die groep nodig om te overleven, om je te beschermen. De mens is een politiek dier dat coalities vormt. Ook vandaag nog. Die coalities kunnen verschillende vormen aannemen: je ras, je voetbalploeg, je religie of je politieke partij. Maar het biologische mechanisme is telkens hetzelfde.' Aan dat inzicht hield Bang Petersen een rare afwijking over, bekende hij me nog: 'Omdat ik de evolutionaire achtergrond van opinievorming bestudeer, vind ik het steeds lastiger om moreel verontwaardigd te zijn. I lose my views, ik raak mijn opinies kwijt.' Zou het? Is Bang Petersen werkelijk zo onthecht? Ik fronste mijn wenkbrauwen toen hij dat beweerde. Evolutionaire psychologen zijn namelijk zélf hopeloos verdeeld in twee rivaliserende kampen. Bang Petersen behoort, samen met bioloog Richard Dawkins en psycholoog Steven Pinker, tot het kamp dat niet gelooft in zogenaamde groepsselectie: zij denken dat natuurlijke selectie alleen werkt op het niveau van genen en individuen. Maar een groeiende groep even vooraanstaande biologen denkt daar helemaal anders over: David Sloan Wilson en Edward Osborne Wilson, bijvoorbeeld, die overigens geen familie zijn van elkaar. Dat meningsverschil is een ongelofelijk complexe discussie die alleen met wetenschappelijke argumenten kan worden beslecht. In de praktijk is het een verbeten en emotioneel gevecht, waarbij bitse verwijten heen en weer vliegen. Richard Dawkins snauwt graag dat zijn collega's er niets van snappen, een van de Wilsons noemt Dawkins graag 'een journalist, geen wetenschapper' - wat qua belediging voor de Britse bioloog wel kan tellen. Bang Petersen lacht als ik hem dat biologisch gebekvecht voor de voeten werp. 'Ja, dat zijn inderdaad twee verschillende stammen', lacht hij. 'En ik vind dat de leden van de andere stam ontzettende dommeriken zijn. Maar ernstig: wetenschappers zijn ook maar mensen. Wij worden gedreven door dezelfde emotionele fenomenen die overal aan het werk zijn: jaloezie, statuscompetitie, coalitievorming... Alleen beschikt de wetenschap over methodes en instellingen die leiden tot zorgvuldige waarheidsvinding. Uiteindelijk zal ook dit wetenschappelijke debat beslecht worden op een correcte manier.' Helaas zijn exacte wetenschappen het enige domein met een onpersoonlijke, nuchtere en efficiënte procedure om uit te maken wie gelijk heeft. Finaal hebben de feiten altijd het laatste woord: wetenschappers moeten hun ideeën toetsen aan de werkelijkheid, via waarneming of experiment. De theorie volgt de feiten. En dat is niet wat er in de rest van de samenleving altijd gebeurt. Vaak doen we net het omgekeerde, zoals de Amerikaanse psycholoog Leon Festinger op 21 december 1954 verbijsterd vaststelde. Ik vind het een van de vermakelijkste verhalen uit de geschiedenis van de psychologie: de stunt die Festinger uithaalde met een sekte in Chicago die zich The Seekers noemde. Festinger en zijn medewerkers hadden het groepje, dat werd geleid door ene Dorothy Martin, geïnfiltreerd met het oog op die fameuze 21e december in 1954. Op die dag zou de wereld vergaan, zo had de sekteleidster vernomen van de buitenaardse wezens met wie zij een bevoorrecht contact onderhield. The Seekers zouden vlak voor die apocalyps evenwel worden geëvacueerd met vliegende schotels - sommigen onder hen hadden de ritssluiting veiligheidshalve uit hun broek gesneden, omdat ze vreesden dat het metaal de apparatuur aan boord van die ruimtetuigen zou ontregelen. Enfin, men was tot in de puntjes voorbereid. En Festinger en zijn team volgden alles op de voet. Zoals wij ondertussen weten, ging 21 december 1954 voorbij zonder noemenswaardige apocalyps. Er waren van tevoren ook geen vliegende schotels geland om The Seekers te helpen ontsnappen naar een andere planeet. Toen duidelijk werd dat het einde van de wereld voor een andere keer zou zijn, maakte de sekteleidster haar volgelingen, onder wie vijf onderzoekers van Festinger, wijs dat het opperwezen de ramp had uitgesteld omdat zij met z'n allen zo gelovig waren geweest. In Sociale Psychologie schrijft Alain Van Hiel over deze beroemde ontknoping: 'Hoe zouden de volgelingen reageren? Zouden ze mevrouw Martin ontmaskeren als een leugenaar, intrigant, komediant of hysterisch persoon? Nee, hoor. De volgelingen, die zich eigenlijk oneindig belachelijk hadden gemaakt, reageerden met opluchting en enthousiasme. In plaats van mevrouw Martin te vertellen waar het op stond, liepen ze vreugdevol de straat op, vervuld van het heilig vuur en met een ongebreidelde bekeringsijver. De moraal van dit verhaal is onthutsend. Mensen blijken in hun ijver om hun overtuigingen consistent te houden, bereid te zijn zich irrationeel te gedragen, ook wanneer de feitelijke basis voor deze overtuigingen verdwenen is.' Mensen zijn in staat om de gekste dingen te geloven en daar dan geweldig aan gehecht te raken - desnoods vervormen ze de feiten om hun opinies te laten kloppen. Zoals The Seekers deden, dus. Festinger vond voor dat verschijnsel de term cognitieve dissonantie uit: als feit en mening niet meer samengaan, forceren we dat soms een beetje. Jonathan Haidt vergelijkt overtuigingen met kinderen: we spelen ze niet graag kwijt, het liefst zouden we hen altijd bij ons houden. En dat geldt voor ons allemaal - van links tot rechts, van religieus tot liberaal. Haidt kreeg gaandeweg trouwens steeds meer begrip voor die kronkels in onze geest, voor dat wat onbeholpen gestommel van die olifant met die berijder op zijn rug. Zo schrijft hij dat hij vroeger, zoals de meesten van zijn collega's, dacht dat conservatieve mensen een beetje gek waren. Maar van dat idee is hij bevrijd. We hebben, weet hij ondertussen, allemaal de neiging om enorm veel belang te hechten aan ogenschijnlijk triviale dingen. Wij zijn allemaal geboren moralisten. Maar we zijn dat over andere kwesties, omdat we lid zijn van verschillende morele clubjes. De ene hecht het meeste belang aan vrijheid, de andere wil te allen prijze tradities in stand houden. Haidt vergelijkt onze morele antennes met smaakpapillen: we proeven dezelfde werkelijkheid maar onze smaken verschillen van elkaar. Vandaar de soms onoplosbare, oeverloze meningsverschillen. En zelfs met identieke morele gevoeligheid komen we er vaak niet uit. Denk aan het recente debat over de boerkini. Zowel de argumenten voor als de argumenten tegen een verbod rusten op dezelfde morele prioriteit: vrijheid. De vraag die overblijft, luidt: hoe veranderen we dan wel van mening? En hoe kunnen we iemand met een andere mening overtuigen van de onze? Volgens Haidt is dat simpel: 'Praat niet met de berijder, praat met de olifant.' Hij verwijst naar de legendarische Amerikaanse marketeer Dale Carnegie, die in 1936 het boek Hoe je vrienden maakt en mensen beïnvloedt publiceerde. 'Carnegie was een van de grootste olifantenfluisteraars aller tijden', schrijft Haidt. 'Hij drong er herhaaldelijk op aan om directe confrontaties te vermijden, om vriendelijk te beginnen, om te glimlachen, om goed te luisteren en om nooit tegen mensen te zeggen dat ze het mis hebben. Als je iemand wilt overtuigen, moet je warmte en openheid creëren alvorens je eigen opinie te verdedigen.' Hugo Mercier weet hoe we onze eigen meningen kunnen bijsturen indien nodig. 'In je eentje zul je niet snel van mening veranderen', zegt hij. 'Het komt er dus op aan met andere mensen te praten. Niet op Twitter, en niet in een debat, want dan wil je alleen je eigen punt maken. Maar aan een tafel, waar verschillende meningen vertegenwoordigd zijn. Het punt is dat je de fouten in je eigen redenering niet ziet, maar in die van iemand anders wel. Daarom heb je anderen nodig om je eigen mening bij te sturen. Er zijn al heel wat experimenten gebeurd met deliberatieve democratie, die erg veelbelovend zijn.' Ik noteer: hier zit stof in voor nog een heleboel andere verhalen. Tot slot klop ik nog eens bij Alain Van Hiel aan met die merkwaardige bocht die ik de voorbije tien jaar heb gemaakt in mijn houding tegenover het rookverbod, de bocht die mij inspireerde om met deze serie te beginnen. Op het eerste gezicht is het een logische bocht: tien jaar geleden rookte ik zestig sigaretten per dag en was ik heftig gekant tegen elk verbod, ondertussen rook ik al tien jaar niet meer en ben ik voor een zo ruim mogelijk verbod. Is dat niet erg flauw en egoïstisch van mij? Heeft mijn gedrag mijn mening veranderd, zonder dat ik daar objectieve argumenten voor heb? Want die heb ik niet - het is te zeggen: ik ken geen nieuwe argumenten voor of tegen het rookverbod in vergelijking met tien jaar geleden. Van Hiel glimlacht geamuseerd. 'Uw ervaring is niet zo verbazend. Onze attitudes hebben een invloed op ons gedrag, maar het omgekeerde is ook waar. Je kijkt altijd van je eigen perspectief naar de dingen, en dat perspectief kan veranderen. Volgens mij kun je dat zelfs toepassen op politieke overtuigingen.' Van Hiel geeft een voorbeeld. 'Neem nu de kiezers die vroeger voor het Vlaams Belang stemden en ondertussen zijn verhuisd naar de N-VA. Die mensen stemmen vandaag dus voor een partij die gematigder standpunten heeft over migratie en integratie dan hun vroegere partij. Welnu, ik kan mij voorstellen dat ze onder invloed van dat nieuwe stemgedrag hun opinies en vooroordelen over die thema's enigszins hebben aangepast. Ook als ze niet om die reden van partij zijn veranderd, lijkt de kans mij groot dat zij vandaag minder negatief staan tegenover multicultureel samenleven dan vroeger, louter als gevolg van hun gewijzigde stemgedrag. Mij lijkt dat in elk geval een boeiende hypothese, die ik graag eens zou testen. Om de vergelijking door te trekken: die kiezers zijn als het ware gestopt met roken, en dat heeft hun mening over een aantal thema's beïnvloed.' Maar hoever kan dat gaan? Vandaag ben ik voor een vermogenswinstbelasting, wat een niet zo dappere mening is, aangezien ik niet over een vermogen beschik. Als ik morgen, om welke reden dan ook, ineens vermogend word, zou ik dan een tegenstander zijn van zo'n belasting? 'Niet van de ene dag op de andere, natuurlijk', antwoordt Van Hiel. 'Maar ik kan mij voorstellen dat uw mening zou evolueren. In een eerste fase zou u misschien wat onverschilliger worden over het onderwerp, om gaandeweg lichtjes van mening te veranderen. Dat hoeft niet het geval te zijn, maar u mag het zeker niet uitsluiten. Het is niet altijd eenvoudig om afscheid te nemen van je meningen, maar dat dezelfde persoon in de loop van zijn leven eerst voor en daarna tegen iets kan zijn, spreekt vanzelf.'