Dit is het tweede deel van onze zoektocht naar de wortels van onze meningen. Het eerste deel vindt u hier:Waar komen meningen vandaan? En waar dienen ze voor?
...

Het was een idee van de Britse acteur Colin Firth, bekend van Bridget Jones's Diary en The King's Speech. Toen hij in 2010 te gast was in het BBC-radioprogramma Today kreeg hij de vraag welk project hij graag gerealiseerd had gezien. Firth koos voor een wetenschappelijk experiment: hij vroeg de Londense onderzoeker Geraint Rees om eens een stel conservatives en liberals in de scanner te stoppen om na te gaan of hun hersenen van elkaar verschillen. Een liberal, in de Angelsaksische betekenis van het woord, is iemand die er een progressieve ideologie opna houdt. Zoals Colin Firth zelf, gaf hij toe. 'Ik wil wel eens weten wat er precies scheelt met mensen die het niet met mij eens zijn', lichtte de acteur zijn project met een knipoog toe. Rees ging graag op het voorstel in, schoof een reeks overtuigde conservatives en liberals in de scanner en kwam tot een opmerkelijke conclusie: er was wel degelijk een verschil. Het conservatieve en het progressieve brein lijken anders in elkaar te zitten. 'Ik vond het een boeiende opdracht', vertelt Rees me aan de telefoon. 'We weten nog niet veel over de relatie tussen politiek en het brein. Uit deze resultaten kunnen we nog niet veel afleiden, maar wat we zagen, was duidelijk: de conservatives in onze steekproef hadden een wat grotere amygdala, bij de liberals zagen we dat een specifiek stukje van de cortex sterker ontwikkeld was.' Terwijl ik met Rees aan de lijn hang, neem ik er op de computer een dwarsdoorsnede van het brein bij. De amygdala is de plek waar emoties zoals angst, boosheid en walging worden verwerkt. Dat ene stukje cortex waar Rees het over heeft - voluit: de cortex singularis anterior - speelt een cruciale rol bij het nadenken over en omgaan met tegenstrijdige informatie. Interessant. Mag ik daaruit concluderen dat conservatieven sneller bang en boos zijn, en dat progressieve mensen beter met tegenstrijdige informatie kunnen omgaan? 'We vermoeden inderdaad dat verschillen in hersenstructuur wijzen op verschillende emotionele en cognitieve eigenschappen', antwoordt Rees. 'En dat die eigenschappen op hun beurt een invloed hebben op de politieke oriëntatie. Maar we moeten voorzichtig blijven. Het is niet omdat we uw grijze massa kunnen observeren, dat we kunnen zien wat u denkt of voelt. Bovendien weten we niet met zekerheid wat de oorzaak is en wat het gevolg. Het is best mogelijk dat een grotere amygdala mensen conservatief maakt. Maar het zou evengoed kunnen dat je door conservatief te zijn gaandeweg een grotere amygdala krijgt. De hersenen evolueren constant en ons gedrag speelt daarbij een rol.' 'Rees heeft gelijk', knikt neurowetenschapper Darren Schreiber in zijn kantoor aan de universiteit van het Britse Exeter. 'Onze hersenen veranderen voortdurend. Als je bijvoorbeeld balletdanser of jongleur bent, heeft dat een invloed op de structuur van je brein. Dat neemt niet weg dat onze politieke voorkeur mee bepaald kan worden door het soort brein dat we hebben. Er kan sprake zijn van aanleg.' Dat politieke oriëntatie tot op zekere hoogte erfelijk is, hebben tweelingen ons geleerd. 'De kans dat ze hun hele leven dezelfde politieke voorkeur hebben, is groter bij een identieke dan bij een twee-eiige tweeling', legt Schreiber uit. 'Statistisch gezegd: veertig procent van de variatie in ideologie is genetisch bepaald. Die variatie lijkt mij nuttig. Het is waardevol dat niet iedereen dezelfde visie heeft, als je dat evolutionair bekijkt: zodra iedereen hetzelfde denkt en dezelfde fout maakt, is iedereen dood.' Schreiber moet lachen als ik hem vraag wat hij vindt van de opmerking van Colin Firth, die wilde weten wat er mis is met het conservatieve brein. 'Er zijn veel academici en journalisten die ervan uitgaan dat er iets scheelt met de hersenen van conservatieve mensen', zegt hij. 'Dat slaat nergens op, maar sommigen proberen het conservatisme te pathologiseren, door te doen alsof het een mentale afwijking is.' Schreiber heeft een punt. Denk maar aan Donald Trump, de Amerikaanse miljardair die een gooi doet naar de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen. Volgens heel wat journalisten, zeker in Europa, is Trump een halve gek. Hij verkoopt de meest ranzige praat over vreemdelingen, en global warming noemt hij een verzinsel van de Chinezen, die de Amerikaanse industrie zouden willen vernietigen. Om dat te geloven, moet je getikt zijn, niet? De wetenschappelijke consensus is zo robuust dat Trump wel van zeer slechte wil moet zijn, óf ongelofelijk dom - toch? Dat laatste hoeft zeker niet te kloppen, schrijft de Amerikaanse auteur Chris Mooney in The Republican Brain. In dat boek vraagt hij zich af waarom veel Republikeinen het zo moeilijk hebben met wetenschap, bijvoorbeeld als het over klimaatopwarming gaat. Aan hun verstandelijke vermogens ligt het zeker niet, weet Mooney. 'Er bestaat zoiets als het smart idiots-effect', schrijft hij. 'Zulke slimme idioten weten veel, maar hun vooroordelen zijn vaak sterker dan die van mensen die minder weten. Smart idiots laten zich ook niet zo snel overtuigen of van de wijs brengen.' Maar waaraan ligt het dan wel? Waarom negeren veel rechts-conservatieve Amerikanen de wetenschappelijke consensus? Waarom willen ze de feiten niet gewoon aanvaarden? Wat scheelt er in godsnaam met hun brein? Wel, eigenlijk niets speciaals, schrijft Mooney. Het zijn gewoon mensen. En mensen zijn nu eenmaal geen machines die op rationele wijze informatie verwerken. Dat doen links-progressieve mensen ook niet. Mooney beweert dat hij evengoed een boek had kunnen schrijven met als titel The Democratic Brain, over de denkfouten die liberals vaak maken. Ook zij zijn geen verlichte geesten die de wetenschap omarmen - wat links soms zegt over pakweg genetisch gemodificeerde gewassen, is even getikt en onwetenschappelijk als wat rechts soms zegt over het klimaat. Blijkbaar beoordelen we feiten soms op basis van onze ideologie, en niet op basis van wetenschappelijke gegevens. De Amerikaanse socioloog Gordon Gauchat kwam drie jaar geleden nog tot de conclusie dat het vertrouwen in de wetenschap bij Republikeinen de voorbije veertig jaar sterk is afgenomen: in 1974, het tijdperk van de ruimtevaart, waren zij nog de groep met het meeste vertrouwen, vandaag die met het minste vertrouwen - het klimaatverhaal past niet in hun kraam. Het mag duidelijk zijn: onze politieke visie en bijbehorende wereldbeeld zijn niet louter het resultaat van een zorgvuldige, verstandelijke afweging. Onze ideologie lijkt een soort weerspiegeling van onze persoonlijkheid te zijn. Linkse en rechtse mensen hebben een ander psychologisch profiel. Misschien werken hun hersenen zelfs anders. Darren Schreiber heeft dat onderzocht, met vijftig Democraten en vijftig Republikeinen. Hij liet ze een gokspel spelen en hield daarbij via een scanner in de gaten wat er in hun respectieve hersenen gebeurde. 'Wat ik zag, verbaasde mij', vertelt hij. 'Ik had verwacht dat Democraten en Republikeinen zich anders zouden gedragen, dat ze anders met risico's zouden omgaan. Maar wat bleek? Op basis van hun gedrag merkte ik geen verschil tussen de Democraten en Republikeinen. Dat vond ik verbluffend. Beide groepen namen evenveel risico's bij het gokken. Daaruit kon je dus niets opmaken. Maar, en dat was de grootste verrassing: hun hersenen gedroegen zich anders. Op basis van een scan kon ik met meer dan tachtig procent zekerheid voorspellen of de gokker in kwestie een Democraat was of een Republikein.' Een definitieve verklaring voor dat resultaat heeft Schreiber nog niet. 'Maar ik vermoed dat het iets te maken heeft met de verwerking van risico', zegt hij. 'Bij de Republikeinen werd vooral de amygadala actief op het moment dat ze geld moesten inzetten bij het gokspel, bij de Democraten werd ook de insula actief, een gebied in de hersenen dat onder meer betrokken is bij de interoceptie, zeg maar de registratie van hoe je je voelt. Een verklaring zou kunnen zijn dat risico voor conservatieven iets is dat van buiten komt en voor progressieven iets is dat in henzelf schuilt. Maar meer dan een vermoeden is dat niet, omdat zo'n scan ons niets zegt over wat je precies denkt of voelt.' Toch is er met die amygdala blijkbaar iets aan de hand. Bij conservatieven lijkt dat oeroude, amandelvormige stukje hersenen niet alleen groter, maar bij momenten dus ook actiever dan bij progressieve mensen. De vraag die ik aan Geraint Rees stelde, blijft me fascineren: wat is het verband tussen sterke emoties en het conservatisme? Angst maakt ons in elk geval conservatiever. Dat lees ik weer in The Republican Brain van Chris Mooney. 'Je kunt liberals gemakkelijk conservatiever maken', schrijft hij. 'Niet met argumenten, maar door hen bang te maken of dronken te voeren.' De verklaring zou in beide gevallen dezelfde zijn: angst en alcohol remmen het complexe denkvermogen af en zetten het brein, aldus tenminste Mooney, in een 'meer natuurlijke' staat. 'Zelf ben ik als liberal in elk geval blij als ik eens een tijdje wat conservatiever kan zijn', schrijft hij niet zonder ironie. 'Dat is altijd een opluchting.' Dat het gemakkelijker is om linkse mensen wat rechtser te maken dan omgekeerd, weet ook de Vlaamse politicoloog Marc Swyngedouw. 'Er bestaat Nederlands onderzoek dat aantoont dat linkse mensen zich wat gemakkelijker laten ompraten', legt hij uit. 'Dat gebeurde tijdens een telefonische enquête. Mensen die erg tolerant zijn ten aanzien van migranten en optimistisch over de toekomst van de integratie, kun je meer van mening doen veranderen dan mensen die daar het tegenovergestelde over denken. Als je hen wijst op het aantal vreemdelingen in de gevangenis, bijvoorbeeld. Of als je hen doet geloven dat migranten onze sociale zekerheid in gevaar brengen. Die mensen zullen dan, nog tijdens het gesprek dat de onderzoeker met hen voert, minder optimistisch en tolerant worden.'En hoe komt dat? 'Omdat het ingewikkelder is om voor migratie te zijn dan om tegen te zijn', zegt Swyngedouw. 'De tegenstanders volgen hun buikgevoel. Voorstanders moeten dat buikgevoel overwinnen en een complexe rationele redenering opbouwen. Ik moet er wel bij zeggen dat het effect van die beïnvloeding door de onderzoekers hoogstens een paar dagen duurt. Daarna zijn die linkse mensen weer even optimistisch over integratie als voor dat telefoongesprek. Maar goed, voor een politicus die zo veel mogelijk stemmen wil halen, hoeven mensen alleen de dag van de verkiezing zijn mening te volgen. Wat ze daarna denken, interesseert hem of haar natuurlijk minder.' Terwijl ik de recente wetenschappelijke lectuur doorneem, zoek ik duidelijkheid over de vraag die u zich als lezer ondertussen waarschijnlijk ook stelt. Is links hetzelfde als progressief en ben je als rechtse mens sowieso conservatief? In de literatuur worden die termen in elk geval vlotjes door mekaar gebruikt - conservatives zijn veeleer rechts, liberals veeleer links. Maar zou het echt zo simpel zijn? Ik klop aan bij Alain Van Hiel, hoogleraar aan de UGent en auteur van het boek Sociale Psychologie, dat als een standaardwerk mag gelden. 'Ik vind het onderscheid tussen links en rechts té simpel', zegt hij. 'Er bestaan weinig dingen die zo strikt bipolair zijn. Ik zou het erg lastig vinden om mijzelf op die ene dimensie te moeten positioneren. Doorgaans bekijken we iemands politieke overtuiging op twee assen: een sociaal-culturele en een economisch-hiërarchische. Wie sociaal-cultureel rechts is, hecht veel belang aan autoriteit en gezag. Wie sociaal-cultureel links is, hecht veel belang aan vrijheid en autonomie. Wie economisch-hiërarchisch links is, wil vooral herverdeling en gelijkheid. Wie economisch-hiërarchisch rechts is, vindt dat ongelijkheid geoorloofd en misschien zelfs noodzakelijk is. Het is wel zo dat de sociaal-culturele dimensie vaak de belangrijkste blijkt.' Dat schema komt me bekend voor. Wat Van Hiel me hier vertelt, is ongeveer hetzelfde als wat evolutionair psycholoog Michael Bang Petersen me uitlegde toen ik hem bezocht aan de universiteit van Aarhus. Dat we geëvolueerd zijn om niet alleen belang te hechten aan meer of minder herverdeling, maar ook aan autoriteit, leiderschap en stabiliteit van de groep. Die tweede ideologische onderverdeling verklaart trouwens een van de grote raadsels waar sommige politieke wetenschappers mee worstelen. Dat raadselachtige verschijnsel doet zich overal voor. In de Verenigde Staten, maar ook in Vlaanderen: mensen die belang hebben bij veel herverdeling stemmen verrassend vaak voor partijen die net minder herverdeling willen. Dwars tegen hun economisch eigenbelang in, dus. In ons land dook dat raadsel op toen het Vlaams Blok in de jaren negentig de socialistische kiezers begon in te lijven. In de VS hebben altijd veel arbeiders voor de Republikeinen gestemd. Wie het schema van Alain Van Hiel en Michael Bang Petersen voor ogen houdt, begrijpt wat daar aan de hand is: bij die kiezers primeert de sociaal-culturele dimensie boven de economische motieven. Ze willen vooral autoriteit en sterk leiderschap.Mensen stemmen dus niet noodzakelijk met hun portefeuille. 'Nee', zegt Alain Van Hiel. 'Die portefeuille blijkt soms veel minder mee te spelen dan bijvoorbeeld een verlangen naar orde en tucht. Dat kan heel gevoelsmatig zijn. Irrationele factoren spelen duidelijk een rol bij ons stemgedrag. Verstand en gevoelens werken op elkaar in. En vaak komt het verstand pas na de keuze in actie: mensen zijn er verdomd goed in om achteraf rationeel uit te leggen waarom ze voor deze of gene partij gestemd hebben. Net zoals een trouwe BMW-koper perfect zal kunnen uitleggen waarom hij altijd voor dat merk kiest: zijn keuze is misschien niet rationeel, zijn uitleg zal dat wel zijn.' Van dat hersenonderzoek is professor Van Hiel niet onder de indruk. De verschillen die men ziet in de amygdala en insula en cortex enzovoort - het zal allemaal wel, denkt hij, maar daaruit kunnen we nog bijlange geen harde conclusies trekken. 'De methodologie van dat hersenonderzoek is nog niet gesofisticeerd genoeg', zegt hij. 'Ik weet niet wat we daar van zullen kunnen leren. Genetisch onderzoek, dat is iets anders: daar mogen we wel veel van verwachten. Dat tweelingenonderzoek is bijvoorbeeld erg interessant en daaruit blijkt inderdaad dat ideologie voor een groot stuk erfelijk is.' Onze politieke oriëntatie hangt samen met onze persoonlijkheid, weet Van Hiel. 'Dat is al vaak onderzocht en de resultaten zijn robuust. Er is één aspect van onze persoonlijkheid dat belangrijk is voor onze politieke oriëntatie. En dat aspect blijft tamelijk stabiel in de loop van je leven. Het evolueert alleen een beetje met de leeftijd.' Bij een kop koffie in zijn kantoor geeft Van Hiel mij een snelcursus psychologische profilering. Onze persoonlijkheid kan worden bestudeerd op vijf basisdimensies. Op elk van die dimensies scoren we hoog of laag. De eerste is neuroticisme: de ene gaat fluitend door het leven, de andere is vaak angstig, instabiel of depressief. De tweede dimensie is extraversie: de ene is sociaal, de andere veeleer teruggetrokken. Dimensie nummer drie is consciëntieusheid: hoe meer je gesteld bent op orde, discipline en ambitie, hoe hoger je daarop scoort. De vierde dimensie heet agreeableness, zeg maar aangenaamheid: de ene is een zeer betrouwbare altruïst, de andere is dat al wat minder. 'Hoe je op die eerste twee dimensies scoort, hangt niet samen met je politieke overtuiging', zegt Van Hiel. 'Je vindt aan alle kanten van het politieke spectrum mensen die meer of minder neurotisch zijn, meer of minder extravert. Die andere twee dimensies, consciëntieusheid en aangenaamheid, hangen een beetje samen met je ideologie, maar niet heel sterk: rechtse mensen scoren een klein beetje hoger op consciëntieusheid en iets lager op aangenaamheid.' Maar die vijfde dimensie in onze persoonlijkheid, die hangt sterk samen met onze positie in het politieke landschap, weet Van Hiel. 'Dat is de dimensie die we openheid noemen: de ene mens staat meer open voor nieuwe ervaringen dan de andere. Mensen die laag scoren op deze dimensie, houden van dingen die ze al kennen. Mensen die hoog scoren op openheid, hebben een rijk fantasieleven, houden van kunst, staan open voor nieuwe ideeën en activiteiten en zijn geïnteresseerd in hun gevoelens. Openheid heeft voor- én nadelen. Zo zijn open mensen creatiever en emotioneel intelligenter. Maar daartegenover staat dat ze eerder geneigd zijn geestverruimende middelen te gebruiken. Wie heel hoog scoort op openheid heeft ook een grotere kans op hallucinaties en heeft soms wilde en dromerige ideeën en opvattingen. Kunstenaars scoren typisch hoog op deze dimensie.' En het verband met ideologie? 'Dat wordt keer op keer bevestigd', zegt Van Hiel. 'Als we dat meten, blijkt dat mensen die sociaal-cultureel veeleer rechts zijn, lager scoren op die openheid dan mensen aan de linkerkant van dat spectrum.' Interessant. Ik vraag hem of we dat eens kunnen testen in Vlaanderen. Van Hiel wil daar graag aan meewerken en geeft mij de vragenlijst waarmee psychologen kunnen meten hoe iemand scoort op de dimensie openheid. Samen met een paar collega's leg ik die lijst voor aan dertig Vlaamse volksvertegenwoordigers, vijf van elke politieke partij. De resultaten van dat steekproefje hebben uiteraard geen wetenschappelijke waarde, maar de trend is duidelijk en sluit aan bij wat degelijk onderzoek al vaker heeft aangetoond: hoe linkser de partij, hoe opener haar politici. Toch wil Van Hiel ook dit verband nuanceren. 'We gaan er in dit theoretische model van uit dat je persoonlijkheid je ideologie vormgeeft, maar als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat we dat niet zeker weten. We weten niet echt wat oorzaak is en wat gevolg. Het kan evengoed andersom zijn: dat je persoonlijkheid wordt vormgegeven door je politieke ideologie, dat links zijn je open maakt en rechts gesloten. We zien wel dat die twee eigenschappen op dezelfde manier evolueren met de leeftijd. Hoe ouder je wordt, hoe rechtser en geslotener. Er is geen enkele andere demografische factor die zo sterk je politieke attitude doet evolueren als ouderdom.' En intelligentie? Ook dat is de voorbije vijftig jaar al vaker onderzocht, onlangs nog door de Canadese psycholoog Gordon Hodson. Zijn resultaten waren zo controversieel dat hij een tijdlang politiebewaking nodig had: conservatieve mensen, met een sociaal-cultureel rechts profiel, hebben gemiddeld een lager IQ dan hun progressieve tegenhangers. 'Die resultaten zijn tamelijk robuust', weet Alain Van Hiel. 'Maar ze moeten ook genuanceerd worden. Om te beginnen gaat het hier om een trend, niet om een wetmatigheid. Bovendien zitten de meesten onder ons in de middenmoot qua intelligentie en bevatten de meeste studies net die mensen. Er zijn maar weinig hele slimme mensen. En het kan best zijn dat extreem intelligente mensen zich qua ideologie ergens in het midden bevinden, omdat ze geen kamp willen kiezen. We mogen hier ook niet uit afleiden dat de progressieve ideologie superieur is aan het conservatisme - al is dat wel wat sommige onderzoekers stiekem willen aantonen. Misschien is het tegendeel waar. Je zou kunnen zeggen dat progressieve ideeën de mensheid ver gebracht hebben. Maar het is mogelijk dat diezelfde progressieve krachten ons aan de rand van een catastrofe brengen. We hebben geen kristallen bol om uit te maken wat de goede weg voorwaarts is.' Ik onthoud dat politiek in hoge mate emotie is. Dat niemand alle partijprogramma's leest en dan op basis van een nuchtere afweging beslist voor welke partij hij kiest. Dat we een soort ideologisch buikgevoel hebben, dat we vervolgens met ons hoofd proberen uit te leggen en goed te praten. Daarom is een sereen debat zo moeilijk: vaak zijn we helemaal geen argumenten aan het uitwisselen, maar gewoon verbaal met elkaar aan het vechten. Van dat laatste heeft de Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt mij overtuigd met zijn geweldige boek The Righteous Mind, dat volgende week de leidraad is bij het derde traject van mijn zoektocht naar de wortels van onze meningen. Haidt gebruikt trouwens een heel bijzondere invalshoek om het verschil tussen links en rechts te verklaren: moraal. Hij denkt dat linkse en rechtse mensen verschillende morele smaakpapillen hebben. Om precies te zijn: linkse mensen hebben er twee, rechtse mensen vijf. Vandaar, aldus Haidt, is het voor politici gemakkelijker om rechtse sentimenten aan te spreken dan linkse - rechts heeft meer mogelijkheden om morele verontwaardiging op te wekken. Links beoordeelt alles op twee dimensies: wordt er niemand geschaad, en wordt er eerlijk verdeeld? Rechts kent volgens Haidt nog drie andere morele dimensies: loyauteit versus verraad, volgzaamheid versus subversief gedrag en wat hij heiligheid of onschendbaarheid noemt versus ontheiliging of ontering. Op dat laatste punt kunt u uzelf testen, volgens Haidt. Beeld u in dat een man een kip slacht, van haar ingewanden ontdoet en dan seksuele betrekking heeft met het karkas. En dat niemand het ziet. Is er dan iets ergs gebeurd? Als u rechts-conservatief bent, vindt u dat gedrag misschien ongepast en onterend. Als u zich aan de andere kant van het spectrum bevindt, zal het u misschien minder storen, omdat niemand er schade van ondervindt. Het werpt in elk geval een ander licht op het verhaal dat de conservatieve Britse premier David Cameron als student ooit een dood varken zou hebben onteerd.