Hoe honden met hun neus zeldzame dieren en planten helpen te beschermen: ‘Zoek de pruikzwam!’

Dirk Draulans

Honden kunnen helpen om zeldzame dieren en planten te beschermen. Speciaal daarvoor getrainde dieren kunnen kwetsbare soorten opsporen zonder ze te verstoren.

De neus van een hond is in staat tot wonderlijke dingen. Studie na studie werpt licht op zijn uitzonderlijke capaciteiten. Een van de laatste bevindingen, gepubliceerd in PLoS One, is dat honden kunnen ruiken dat een mens stress heeft. Ze merken het aan ons zweet en onze adem, omdat de cocktail van chemische stoffen die we loslaten verandert als we onder spanning staan. Hondenneuzen zijn geëvolueerd om zulke subtiele verschillen op te pikken.

Het hoeft dus niet te verbazen dat honden worden ingezet in de zoektocht naar explosieven, drugs en verdwenen mensen. Ze kunnen cash geld vinden en ziektes detecteren in laboratoriumstalen. In de strijd tegen natuurverloedering zijn ze nuttig bij het opsporen van smokkelwaar zoals haaienvinnen en ivoor, of om sporen van stropers van olifanten en neushoorns in het veld te volgen.

Sinds kort krijgt de inbreng van honden in het natuurbehoud ook een constructief kantje: ze kunnen ingezet worden voor de monitoring van populaties van dieren (en planten) die niet makkelijk te vinden zijn. De grote troef is dat ze dat kunnen zonder de soorten in kwestie in gevaar te brengen – het heeft natuurlijk niet veel zin om te investeren de zoektocht naar bedreigde dieren en planten als je daarmee de populaties verstoort. De grotere aandacht voor moeilijk vindbare soorten is noodzakelijk voor efficiënt natuurbehoud. Tot voor kort was dat voornamelijk het werk van vrijwilligers, die zich dikwijls beperkten tot opvallende soorten uit de vogel- en de vlinderwereld. Maar die vormen slechts een deel van het verhaal.

Zwammen en wolven

Bioloog Arno Thomaes van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) was de eerste in Vlaanderen die de hondenoptie nader bekeek. Hij werkt onder meer met bedreigde vliegende herten. Dat zijn grote kevers die leven in en van dood hout en die zeldzaam zijn geworden, onder meer omdat er in het bosbeheer lange tijd geen plaats meer was voor dood hout. Vliegende herten zijn notoir moeilijk te vinden. Ze zijn maar een drietal weken per jaar zichtbaar, en dan meestal slechts een uurtje per dag als het weer goed genoeg is. Het grootste deel van hun leven brengen ze als larve in de grond door. Je kunt dan op geschikte plekken gaan graven om te kijken of er larven zitten, maar dan verstoor je de dieren en hun biotoop. Honden kunnen dat probleem oplossen. Je kunt ze trainen op de geur van larven, die ze zelfs in de grond kunnen ruiken zonder dat ze hoeven te graven.

Eén hond hielp wolvenuitwerpselen te verzamelen om het dieet van de enige wolvenroedel in Vlaanderen te kunnen bepalen.

Thomaes nam contact op met de biologen Ellen Van Krunkelsven (van de hondensteundienst van de politie) en Hilde Vervaecke (Odisee Hogeschool in Sint-Niklaas). Beiden hebben een ruime ervaring met het opleiden van honden én met natuurbeheer. Ze lanceerden samen een campagne om vrijwilligers te zoeken die hun honden graag wilden inschakelen in een trainings- en opzoekingsprogramma. Na een reeks tests bleven er van de honderd kandidaten acht over. De training is omslachtig: het duurt een à twee jaar om een hond op te leiden, wat meteen het belangrijkste knelpunt is voor de toepassing van de techniek.

Het bleek effectief mogelijk om een hond zo te trainen dat hij vliegende herten in de grond kan vinden. Op verzoek van het INBO werden vergelijkbare programma’s opgestart voor het zoeken naar otters, nesten van slaapmuizen, invasieve Amerikaanse stierkikkers die een probleem zijn voor onze lokale fauna, en de uiterst zeldzame pruikzwam, die op oude loofbomen leeft. Er wordt ook een hond opgeleid om zieke egels op te sporen. Een noodzaak, want onze egelpopulaties krijgen klappen door een vreemde ziekte.

De beste resultaten behaalde het INBO voorlopig met een hond die erg goed wolvenuitwerpselen kan vinden. Een huzarenstuk, want de meeste honden zijn daar bang voor. Eén dier (de retriever Wietse van trainster Carina De Pape) laat er zich echter niet door afschrikken. Wietse hielp bioloog Jan Gouwy genoeg wolvenuitwerpselen te verzamelen om het dieet van de enige wolvenroedel in Vlaanderen te kunnen bepalen. In 70 procent ervan zat ree, in 23 procent everzwijn. Slechts 13 procent had sporen van vee. Anders dan de indruk die soms wordt gecreëerd – dat wolven uit gemakzucht bijna uitsluitend schapen en pony’s pakken – blijken ze het voedsel toch vooral in de natuur te vinden. Vee wordt overwegend in de herfst geviseerd, als er grote jongen in de roedel zijn die veel eten nodig hebben en het zelf allemaal nog moeten leren.

Valkuilen

De hondenkennis van het Vlaamse project werd, samen met buitenlandse resultaten, gepresenteerd op een symposium in Sint-Niklaas, onder de titel Noses for Nature (Neuzen voor Natuur). Biologe Van Krunkelsven ging er in op de vele uitdagingen die het goed trainen van natuurspeurhonden met zich meebrengt. Want het grote voordeel dat de gevoelige hondenneus voor dit soort projecten biedt, is tegelijk een belangrijk nadeel: je moet ervoor zorgen dat je een hond traint op exact wat nodig is om de beoogde dieren of planten te vinden. Zo heeft het geen zin dat je honden conditioneert op de watten waarmee je een geurspoor presenteert. Het is een risico dat je hun aandacht vestigt op geuren van dode dieren als ze er levende moeten zoeken. En uitwerpselen van dieren in gevangenschap die voor de training gebruikt worden, kunnen andere geuren afgeven dan die van dieren in het wild, omdat er andere voeding in het spel is.

Er loopt een project om honden te trainen op het vinden van kadavers van vleermuizen onder windmolens.

Er loopt een project om honden te trainen op het vinden van kadavers van vleermuizen onder windmolens, in een poging na te gaan hoe schadelijk windmolens voor vleermuispopulaties zijn. De onderzoekers stelden daarbij vast dat ze voorzichtig moesten zijn met het presenteren van dode vleermuizen uit de diepvries: honden konden zo op het verkeerde spoor gezet worden. Honden kunnen hun trainer ook erg goed ‘lezen’. Als die zich voorspelbaar gedraagt tijdens de training kan de hond afgeleid worden van zijn werkelijke taak. Een hond moet bovendien gezond zijn, want de ervaring leerde dat hij minder presteert als hij wat ziekjes is.

Aan valkuilen geen gebrek dus, maar het kan lukken. Honden kunnen wat ze geleerd hebben opmerkelijk goed toepassen in het veld, op voorwaarde dat hun training gebeurt volgens de regels van de kunst. De Nederlandse hondentrainster Hotsche Luik, de Britse Louise Wilson en de Duitse Annegret Grimm-Seyfarth hamerden er op het symposium op dat het zelden de hond is die in de fout gaat. Als het misloopt, ligt het probleem meestal bij de trainer/begeleider. Een trainer kan te hoge verwachtingen in een hond hebben of té snel willen gaan, waardoor een hond niet de training krijgt die hij nodig heeft. Niet alle honden zijn even goed te trainen, of zijn even bereid om zich in het veld lang genoeg in te spannen. De interactie tussen eigenaar en hond kan te weinig intens zijn om tot een goede samenwerking te komen, net als de interactie tussen hondenbegeleider en de natuurwetenschapper voor wiens project er gewerkt wordt.

Geen geur

Als het lukt, kunnen de resultaten verbluffend zijn. Onderzoekers stelden vast dat honden erg efficiënt zijn in het vinden van de schuilplaatsen van zeldzame amfibieën in tijdelijk droogvallende natuurgebieden. In een proefproject detecteerden honden in korte tijd 163 schuilplaatsen van salamanders, terwijl mensenexperts er geen enkele vonden. De salamanders bleken veel dieper in de grond te kruipen om de droogte te overleven dan men voor mogelijk had gehouden. De goede resultaten stimuleren nu ook andere organisaties, zoals het WWF, om natuurspeurhonden in te schakelen bij hun projecten.

Honden blijken erg efficiënt in het vinden van de schuilplaatsen van zeldzame amfibieën.

Maar het werkt niet altijd. Een proefproject om de larven van zeldzame glimwormen op te sporen leverde voorlopig geen bruikbare resultaten op: de larven lijken, zeker overdag, te weinig geur af te scheiden om efficiënt door honden te kunnen worden opgepikt. Gebrek aan geur kan op zichzelf een interessant thema zijn. De Zuid-Afrikaanse biologe Ash Miller trainde honden om te kunnen bevestigen wat wetenschappers vermoedden: dat de uiterst giftige pofadders geen geur afscheiden. Ze zijn goed visueel gecamoufleerd om op een bosbodem in hinderlaag te liggen en zo prooien te verschalken, maar dat zou minder evident zijn als ze zelf een geur zouden afgeven. De wetenschappers konden honden leren om geuren op te pikken van een adderhuid na vervelling, maar lévende adders roken ze nooit – voor andere slangensoorten was dat wel het geval. Zelfs stokstaartjes (gepatenteerde slangenjagers) en olifanten, wier slurfneus nog gesofisticeerder is dan een hondenneus, kunnen pofadders niet ruiken. ‘Chemische crypsis’ heet dat in het biologenjargon: chemisch onzichtbaar zijn. Ook dat intrigerende verschijnsel werd gedocumenteerd door het inschakelen van gevoelige hondenneuzen. •

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content