Laten we beginnen met het goeie nieuws: iedereen is vóór eerlijke handel. Niemand vindt het oké als zou blijken dat zijn Valentijnsboeket overgevlogen is uit Ethiopische rozenplantages waar vrouwen misbruikt worden. Of dat zijn asperges à la flamande uit Peru komen waar ze verwoestijning in de hand werken en waar vakbondsrechten systematisch geschonden worden. Of dat er in onze Belgische chocolade slaaf-cacao uit Ghana zou zitten. Bij dit soort verhalen voelen de meeste mensen zich ongemakkelijk, zelfs schuldig. Niet alleen gewone mensen: ook de Spice Girls waren 'diep geschokt en ontredderd' toen onlangs bleek dat de T-shirts die ze verkopen in een campagne voor nota bene gendergelijkheid, afkomstig zijn uit een fabriek in Bangladesh waar lagen lonen en geweld tegen vrouwen dagelijkse kost zijn.

'Ethisch consumentisme' zit dan ook in de lift. Met zijn allen gaan we steeds meer op zoek naar labels die 'faire' koopwaar garanderen. In de supermarkt groeit het aanbod fairtrade labels op verpakkingen. Maar hier zien we allerlei problemen on. We krijgen moeilijk zicht op de wildgroei aan keurmerken: kopen we best koffie met het Fairtrade label, of van Rainforest Alliance, of volstaan de labels van Nespresso of Starbucks? Speuren we voor kledij naar het 'Fair Wear Foundation' stempel of vertrouwen we de 'Duurzame collectie' van H&M? Een kat vindt er zijn jongen niet in terug. Bovendien is de labelling business complex en verandert ze snel. Audits zijn niet altijd transparant. De impact op het welzijn van boeren en arbeiders is onduidelijk.

Fairtrade labels verdoezelen de tegenstelling tussen twee visies op 'eerlijke' handel.

En last but not least: labels zijn vrijblijvend. Consumenten en producenten kiezen zelf of ze hierin mee stappen. De overheid staat aan de zijlijn. Onze beleidsmakers gaan wel eens fairtrade fruitsap kopen voor een receptie of een wereldwinkel ontbijt steunen. Dus hooguit wat faciliteren, zonder zich te moeien met de vrije markt van labels. Want dat is het: een markt waar creatieve producenten labels aanbieden en ethische consumenten zich laten verleiden. Dat is de 'hands off' houding tegenover fair trade, die we ook binnen de EU terugvinden.

Dat lijkt vreemd. Stel dat er geen wetgeving zou zijn over giftige producten. (We verdringen even het debat over glyfosaat en Roundup.) Dat we bij het kopen van fruit of speelgoed telkens met een vergrootglas moeten zoeken naar labels die beloven dat er géén gif in zit. Wetende dat er veel 'niet-gif' labels zijn met een twijfelachtige impact. Zoals we verwachten dat overheden veilige producten garanderen, kunnen we ook kinderarbeid-vrije producten verwachten. Als de politiek meer zou reguleren, dan moeten wij als consument niet altijd opnieuw zelf lastige ethische keuzes maken op basis van verwarrende labels; of ons schuldig voelen als we dat niet doen.

Voor Europese politici betekent 'eerlijke handel' meestal 'eerlijke concurrentie'.

Toch is het niet zo vreemd, als je weet dat 'fair trade' niet voor iedereen hetzelfde is. Voor Europese politici betekent 'eerlijke handel' meestal 'eerlijke concurrentie'. Dus, handelen op een gelijk speelveld volgens de wetten van vraag en aanbod, zonder verstoring door overheden. Dankzij de vrije markt zouden bedrijven efficiënter worden, lonen stijgen , en de ergste vormen van uitbuiting verdwijnen. Deze positie overheerst ook in de EU, die al 20 jaar de grootste pleitbezorger is van meer vrijhandel, een wereldwijd web van ambitieuze vrijhandelsakkoorden onderhandelt, en haar wetgeving tegen dumping en andere 'oneerlijke' marktstoringen versterkte.

Recent zette de EU wel stappen in de richting van iets meer sturing voor eerlijke handel. Dankzij een richtlijn van 2014 mogen overheidsaanbestedingen nu ook fair trade criteria bevatten. Zo kunnen steden of universiteiten bepaalde sociale en ecologische eisen stellen aan hun leveranciers van koffie of werkkledij. In nieuwe EU-handelsakkoorden moeten landen als Viëtnam en Colombia plechtig beloven dat ze vakbondsrechten naleven. Er zijn recente EU-initiatieven over handel in conflictmineralen in Congo, illegale houtkap in Ghana of Honduras, en textiel in Bangladesh. En sommigen landen die sociale en milieuconventies onderschrijven, zoals Pakistan en de Filippijnen, mogen aan een lager tarief exporteren naar de EU. Maar: dit alles is ofwel soft en niet-afdwingbaar, ofwel beperkt tot een aantal producten en landen, en altijd is de impact minimaal. Hands-off blijft het dominante motto.

Tegenover zulke softe interventies, staan radicale ideeën voor nieuwe handelsregels die overheden in Noord en Zuid weer greep geven op de economie. Via tarieven en subsidies zouden overheden ruimte krijgen voor een eigen sociaal-economisch beleid. Zo kunnen ze zwakkere sectoren beschermen tegen concurrentie, zoals de EU, China en Japan dat decennialang zelf deden, en zich wapenen tegen een race-to-the-bottom.

Vandaag zijn academici, activisten en beleidsmakers nauwelijks bezig met alternatieve visies op een meer gereguleerde wereldhandel.

Tegelijk kunnen interventies in internationale koffie- of cacaomarkten voldoende hoge en stabiele prijzen garanderen; zodat de prijs niet louter afhangt van grillige wereldmarkten. Verder zouden mensenrechtenverdragen boven handelsverdragen komen te staan. Het blijven vage ideeën. In de jaren 1970 voerde Europa enkele experimenten in die trant, maar de vrije marktvisie haalde al snel de bovenhand. Vandaag zijn academici, activisten en beleidsmakers nauwelijks bezig met alternatieve visies op een meer gereguleerde wereldhandel.

Want we kijken enkel naar de fairtrade labels. Die bieden slechts een 'interim eerlijkheid': een sociale correctie op een incorrect systeem. Natuurlijk kopen we beter fairtrade: het vergroot de niche en geeft een signaal. Maar er is een risico. Fairtrade labels trekken een rookgordijn op: niemand van links tot rechts is er tegen. Omdat ze voor de enen een symbolische stap vooruit zijn en voor de anderen de markt ongemoeid laten. Zo verdoezelen labels de tegenstelling tussen twee visies op 'eerlijke' handel: vrije competitie versus overheidssturing. In plaats van ons blind te staren op labels, zou het echte debat hierover moeten gaan.

Professor Jan Orbie is hoofddocent aan de vakgroep politieke wetenschappen van UGent en directeur van het Centrum voor EU-studies. Deborah Martens is als doctoraatsstudent (Bijzonder Onderzoeksfonds) verbonden aan het Centrum voor EU Studies.