De Nederlandse kunstenares Shirin Mirachor herhaalde in 2017 in Brussel een foto-experiment dat ze eerder in Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen opzette: ze zocht jonge mannen met volle baard bijeen. Sommigen waren hipsters, anderen vrome moslims. Ze liet deze mannen van kledij wisselen om zo de kijker in verwarring te brengen: wie is de hipster en wie is de moslim? Zo'n artistiek project leert hoe onze vooroordelen worden gestuurd door welke kleren iemand draagt. Het zegt tegelijkertijd iets over het belang dat deze mannen aan hun baard hechten. De hipster draagt een baard om progressief te zijn, de gelovige moslim juist om traditionele waarden uit te dragen. Allebei plaatsen ze zich echter bewust buiten de mainstream. Ook dat is natuurlijk een relatief gegeven, want de hipsterbaard kan je de laatste jaren bespeuren op de kin van menig voetbalheld of filmster.

Baard vertelt heel wat over hoe in het verleden mannelijkheid werd geconstrueerd.

De baard is niet alleen een natuurlijk maar ook een cultureel gegeven en daarom heeft de baard ook een geschiedenis. Met dit inzicht gewapend kunnen we veel te weten komen over hoe in het verleden mannelijkheid werd geconstrueerd. Een bijzonder interessante periode in dit opzicht is de zestiende en zeventiende eeuw, de zogenaamde Europese Renaissance. Op de geschilderde portretten uit die tijd zien we namelijk haast uitsluitend mannen met baarden. Sommige cultuurhistorici hebben daaruit afgeleid dat alle mannen in de Renaissance baarden hadden, maar dat is een verkeerde lezing. Enkel de rijken konden zich immers zo'n portret veroorloven.

Mannen die niet tot de elite behoorden, werden zelden geportretteerd, maar andere iconografische bronnen geven wel een idee van bredere patronen van gezichtsbeharing. In de zestiende en zeventiende eeuw waren de boerentaferelen van Pieter Bruegel de Oude tot Adriaen Brouwer een echte rage. Daarop zien we boeren met geschoren (of slecht geschoren) kinnen. Het betreft natuurlijk geen fotorealistische voorstellingen. Bruegel, Brouwer en consoorten ensceneerden het boerenleven zoals de burgerij en de adel het zich graag verbeeldden. Toch staat het vast dat deze schilders een enorm belang hechtten aan de waarheidsgetrouwheid van het detail. Het treft dan ook dat zij boeren doorgaans zonder gezichtsbeharing tonen, terwijl burgers of edellieden een volle baard torsen.

De baard was in de Renaissance dus een onderscheidend teken voor de sociale stand, net zoals kledij dat was. Toch was de culturele codetaal van de gezichtsbeharing meer gelaagd. De baard onderscheidde de man uit de elite niet enkel van boeren en ondergeschikten, maar ook van andere groepen zoals vrouwen, jonge mannen en geestelijken. Dat eerste mag evident lijken, maar toch was dat niet altijd zo. Er werden in de Renaissance geregeld gevallen van vrouwen met baarden gerapporteerd, al zag men die meestal als monsterlijke afwijkingen van de natuur. Toch konden bebaarde vrouwen ook positieve connotaties oproepen. Dit was het geval bij de zogenaamde 'baardheiligen', zoals de sinds de middeleeuwen in Vlaanderen vereerde heilige Ontkommer. Volgens de legende was zij aan een gedwongen huwelijk met een heidense vorst ontsnapt, doordat de goddelijke voorzienigheid haar op het juiste moment van een stevige baard had voorzien. Sint-Ontkommer werd daarop met baard en al gekruisigd. Deze voorbeelden geven wel aan dat een vrouw met baard niet echt aantrekkelijk werd bevonden en niet beantwoordde aan de heersende genderhiërarchieën.

Meer fluïde waren de grenzen tussen jonge en volwassen mannen. In het patriarchale model van de vroegmoderne tijd was een jonge man ondergeschikt aan het hoofd van het huishouden. Dat kon zijn vader zijn, maar ook een ambachtsmeester of een heer. Mannelijkheid werd eerder dan iets dat aangeboren en onveranderlijk was, beschouwd als een eindpunt in een sociaal leerproces. Het bereiken van de volwassenheid viel samen met een huwelijk en het verwerven van een erkende maatschappelijke positie, ook al was dat vaak op relatief late leeftijd. Of dit ook gepaard ging met het laten groeien van een baard is een vraag die meer onderzoek verdient. In ieder geval waren er mannen die nooit de status van familiehoofd verwierven en steeds ondergeschikt bleven.

Een groep mannen die volgens de regel geen baard mocht dragen was de geestelijkheid. Het canonieke recht verbood baarden, al was er discussie of dit ook voor korte baarden gold. In de middeleeuwen werd het verbod redelijk goed nagevolgd, maar in de Renaissance begon de hoogste geestelijkheid af te wijken. Julius II liet in 1511 een tijdelijke 'rouwbaard' groeien omwille van het verlies van de stad Bologna. Clemens VII liet zijn rouwbaard (ditmaal voor de stad Rome) tot zijn dood in 1534 staan. Na Clemens volgden nog 23 bebaarde pauzen. Toch was het hebben van een baard voor clerici nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Toen Viglius van Aytta, voorzitter van de Geheime Raad, in 1563 beloond werd met het lucratieve proostschap van de Sint-Baafskathedraal in Gent, hield dat ook zijn wijding tot priester in. Viglius wilde echter graag zijn netjes getrimde baard behouden en diende daartoe een verzoekschrift in bij de paus. Dit werd ingewilligd, wellicht na de betaling van een fikse som.

Haarstijl van de keizer

De baard in de Renaissance blijkt dus een uiterlijk teken te zijn geweest van 'hegemonische mannelijkheid'. Met andere woorden: de baard gaf aan dat je een dominante positie innam ten aanzien van vrouwen, jongeren en ondergeschikten en dat je je - althans in principe - onderscheidde van geestelijken. Dit verklaart natuurlijk niet waarom net de baard in die periode die rol speelde. De sleutel is wellicht de keizerlijke baard van Karel V. Als jonge hertog van Bourgondië ging Karel getooid met een typische middeleeuwse pagekop en had hij een gladgeschoren (buitenmaatse) kin. Hij slaagde er echter in om naast de Bourgondische en Spaanse erfenis ook de keizerskroon te verwerven. In 1530 werd hij in Bologna - nota bene door Clemens VII - tot keizer gekroond. Als keizer veranderde Karel radicaal zijn haarstijl: hij liet een baard groeien, net zoals de Romeinse keizers vanaf Hadrianus dat hadden gedaan. De baard paste volop in de imperiale ambities van Karel V, die zo niet alleen in de herleving van de antieke stijl maar ook in het lijf van de keizer zelf vorm kregen. Het voorbeeld van de keizer oefende samen met het bredere humanistische ideaal een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de Europese elites.

Het lichaam is een natuurlijk gegeven, maar heeft tegelijkertijd een eigen geschiedenis die iets vertelt over het denken over dat lichaam, maar ook over sociale verhoudingen en ideologische constructies. In een andere tijd of context kan de baard iets helemaal anders betekenen. In de Renaissance drukte de baard in de eerste plaats een hegemonische mannelijkheid uit, al daagden baardheiligen en bebaarde pauzen dat ideaalbeeld voortdurend uit. In de negentiende eeuw was de baard eerder een teken van avontuurlijkheid en durf. En in de eenentwintigste eeuw staan de hipster en de vrome moslim zij aan zij in hun verlangen om anders te zijn dan de doorsnee man.

Professor Anne-Laure Van Bruaene (UGent) is gespecialiseerd in kunst en literatuur van de zestiende eeuw.

De Nederlandse kunstenares Shirin Mirachor herhaalde in 2017 in Brussel een foto-experiment dat ze eerder in Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen opzette: ze zocht jonge mannen met volle baard bijeen. Sommigen waren hipsters, anderen vrome moslims. Ze liet deze mannen van kledij wisselen om zo de kijker in verwarring te brengen: wie is de hipster en wie is de moslim? Zo'n artistiek project leert hoe onze vooroordelen worden gestuurd door welke kleren iemand draagt. Het zegt tegelijkertijd iets over het belang dat deze mannen aan hun baard hechten. De hipster draagt een baard om progressief te zijn, de gelovige moslim juist om traditionele waarden uit te dragen. Allebei plaatsen ze zich echter bewust buiten de mainstream. Ook dat is natuurlijk een relatief gegeven, want de hipsterbaard kan je de laatste jaren bespeuren op de kin van menig voetbalheld of filmster.De baard is niet alleen een natuurlijk maar ook een cultureel gegeven en daarom heeft de baard ook een geschiedenis. Met dit inzicht gewapend kunnen we veel te weten komen over hoe in het verleden mannelijkheid werd geconstrueerd. Een bijzonder interessante periode in dit opzicht is de zestiende en zeventiende eeuw, de zogenaamde Europese Renaissance. Op de geschilderde portretten uit die tijd zien we namelijk haast uitsluitend mannen met baarden. Sommige cultuurhistorici hebben daaruit afgeleid dat alle mannen in de Renaissance baarden hadden, maar dat is een verkeerde lezing. Enkel de rijken konden zich immers zo'n portret veroorloven. Mannen die niet tot de elite behoorden, werden zelden geportretteerd, maar andere iconografische bronnen geven wel een idee van bredere patronen van gezichtsbeharing. In de zestiende en zeventiende eeuw waren de boerentaferelen van Pieter Bruegel de Oude tot Adriaen Brouwer een echte rage. Daarop zien we boeren met geschoren (of slecht geschoren) kinnen. Het betreft natuurlijk geen fotorealistische voorstellingen. Bruegel, Brouwer en consoorten ensceneerden het boerenleven zoals de burgerij en de adel het zich graag verbeeldden. Toch staat het vast dat deze schilders een enorm belang hechtten aan de waarheidsgetrouwheid van het detail. Het treft dan ook dat zij boeren doorgaans zonder gezichtsbeharing tonen, terwijl burgers of edellieden een volle baard torsen.De baard was in de Renaissance dus een onderscheidend teken voor de sociale stand, net zoals kledij dat was. Toch was de culturele codetaal van de gezichtsbeharing meer gelaagd. De baard onderscheidde de man uit de elite niet enkel van boeren en ondergeschikten, maar ook van andere groepen zoals vrouwen, jonge mannen en geestelijken. Dat eerste mag evident lijken, maar toch was dat niet altijd zo. Er werden in de Renaissance geregeld gevallen van vrouwen met baarden gerapporteerd, al zag men die meestal als monsterlijke afwijkingen van de natuur. Toch konden bebaarde vrouwen ook positieve connotaties oproepen. Dit was het geval bij de zogenaamde 'baardheiligen', zoals de sinds de middeleeuwen in Vlaanderen vereerde heilige Ontkommer. Volgens de legende was zij aan een gedwongen huwelijk met een heidense vorst ontsnapt, doordat de goddelijke voorzienigheid haar op het juiste moment van een stevige baard had voorzien. Sint-Ontkommer werd daarop met baard en al gekruisigd. Deze voorbeelden geven wel aan dat een vrouw met baard niet echt aantrekkelijk werd bevonden en niet beantwoordde aan de heersende genderhiërarchieën.Meer fluïde waren de grenzen tussen jonge en volwassen mannen. In het patriarchale model van de vroegmoderne tijd was een jonge man ondergeschikt aan het hoofd van het huishouden. Dat kon zijn vader zijn, maar ook een ambachtsmeester of een heer. Mannelijkheid werd eerder dan iets dat aangeboren en onveranderlijk was, beschouwd als een eindpunt in een sociaal leerproces. Het bereiken van de volwassenheid viel samen met een huwelijk en het verwerven van een erkende maatschappelijke positie, ook al was dat vaak op relatief late leeftijd. Of dit ook gepaard ging met het laten groeien van een baard is een vraag die meer onderzoek verdient. In ieder geval waren er mannen die nooit de status van familiehoofd verwierven en steeds ondergeschikt bleven.Een groep mannen die volgens de regel geen baard mocht dragen was de geestelijkheid. Het canonieke recht verbood baarden, al was er discussie of dit ook voor korte baarden gold. In de middeleeuwen werd het verbod redelijk goed nagevolgd, maar in de Renaissance begon de hoogste geestelijkheid af te wijken. Julius II liet in 1511 een tijdelijke 'rouwbaard' groeien omwille van het verlies van de stad Bologna. Clemens VII liet zijn rouwbaard (ditmaal voor de stad Rome) tot zijn dood in 1534 staan. Na Clemens volgden nog 23 bebaarde pauzen. Toch was het hebben van een baard voor clerici nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Toen Viglius van Aytta, voorzitter van de Geheime Raad, in 1563 beloond werd met het lucratieve proostschap van de Sint-Baafskathedraal in Gent, hield dat ook zijn wijding tot priester in. Viglius wilde echter graag zijn netjes getrimde baard behouden en diende daartoe een verzoekschrift in bij de paus. Dit werd ingewilligd, wellicht na de betaling van een fikse som.De baard in de Renaissance blijkt dus een uiterlijk teken te zijn geweest van 'hegemonische mannelijkheid'. Met andere woorden: de baard gaf aan dat je een dominante positie innam ten aanzien van vrouwen, jongeren en ondergeschikten en dat je je - althans in principe - onderscheidde van geestelijken. Dit verklaart natuurlijk niet waarom net de baard in die periode die rol speelde. De sleutel is wellicht de keizerlijke baard van Karel V. Als jonge hertog van Bourgondië ging Karel getooid met een typische middeleeuwse pagekop en had hij een gladgeschoren (buitenmaatse) kin. Hij slaagde er echter in om naast de Bourgondische en Spaanse erfenis ook de keizerskroon te verwerven. In 1530 werd hij in Bologna - nota bene door Clemens VII - tot keizer gekroond. Als keizer veranderde Karel radicaal zijn haarstijl: hij liet een baard groeien, net zoals de Romeinse keizers vanaf Hadrianus dat hadden gedaan. De baard paste volop in de imperiale ambities van Karel V, die zo niet alleen in de herleving van de antieke stijl maar ook in het lijf van de keizer zelf vorm kregen. Het voorbeeld van de keizer oefende samen met het bredere humanistische ideaal een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de Europese elites. Het lichaam is een natuurlijk gegeven, maar heeft tegelijkertijd een eigen geschiedenis die iets vertelt over het denken over dat lichaam, maar ook over sociale verhoudingen en ideologische constructies. In een andere tijd of context kan de baard iets helemaal anders betekenen. In de Renaissance drukte de baard in de eerste plaats een hegemonische mannelijkheid uit, al daagden baardheiligen en bebaarde pauzen dat ideaalbeeld voortdurend uit. In de negentiende eeuw was de baard eerder een teken van avontuurlijkheid en durf. En in de eenentwintigste eeuw staan de hipster en de vrome moslim zij aan zij in hun verlangen om anders te zijn dan de doorsnee man.Professor Anne-Laure Van Bruaene (UGent) is gespecialiseerd in kunst en literatuur van de zestiende eeuw.