Huidskleur bepaalde de Britse blik op de koloniale bevolking. Wie niet wit was, was minderwaardig. Vooral de zwarte bevolking van de Afrikaanse en Caraïbische kolonies werd vaak weggezet als lui en dom, als een kinderlijk 'ras' dat de begeleiding van superieure, Britse blanken nodig had. Dat idee was breed verspreid in de 19de en vroege 20ste eeuw. In (pseudo-)wetenschappelijke studies bijvoorbeeld, maar net zo goed in music hall-shows of krantenartikelen.
...

Huidskleur bepaalde de Britse blik op de koloniale bevolking. Wie niet wit was, was minderwaardig. Vooral de zwarte bevolking van de Afrikaanse en Caraïbische kolonies werd vaak weggezet als lui en dom, als een kinderlijk 'ras' dat de begeleiding van superieure, Britse blanken nodig had. Dat idee was breed verspreid in de 19de en vroege 20ste eeuw. In (pseudo-)wetenschappelijke studies bijvoorbeeld, maar net zo goed in music hall-shows of krantenartikelen.Veel kans om dat rasdenken aan de praktijk te toetsen, had de modale Brit niet. Er waren maar weinig migranten uit de kolonies in het Verenigd Koninkrijk. Sinds de 18de eeuw waren er wel kleine zwarte gemeenschappen in havensteden als Londen en Liverpool, net als groepen lascars, Indische matrozen van de East India Company. Die waren echter maar met enkele duizenden. Wie naar het moederland kwam, deed dat meestal als passant, niet als migrant. Als matroos bijvoorbeeld, of als student aan een Britse universiteit in het geval van een kleine elite.Toen het schip Empire Windrush in 1948 in de haven van Tilbury aanmeerde, veranderde die situatie ingrijpend. Aan boord waren 492 Jamaicaanse mannen en één vrouw. Velen van hen hadden tijdens de oorlog in het Britse leger gediend. Nu waren ze op zoek naar een beter leven, weg van de torenhoge werkloosheid die Jamaica en andere Caraïbische kolonies in haar greep hield. In Groot-Brittannië heerste daarentegen een arbeidstekort, waardoor bedrijven arbeiders gingen ronselen in de kolonies.De passagiers van de Windrush (zie foto bovenaan) kregen de jaren daarop het gezelschap van tienduizenden regiogenoten. Toen de Caraïbische kolonies na 1960 geleidelijk onafhankelijk werden, volgden er nog meer. In 1966 telde het Verenigd Koninkrijk al 360.000 Afrikaanse en Caraïbische migranten. In dezelfde periode kwam daar een groeiend aantal migranten uit India, Pakistan en Bangladesh bij. Ook zij werden aangetrokken door de kans op werk en welvaart. Tegen 1970 waren zij eveneens met bijna een half miljoen.Veel nieuwkomers trokken naar Groot-Brittannië met het idee dat ze een gouden toekomst tegemoet gingen. Maar eens aangekomen, wachtte hen vaak een ontnuchtering. In de kolonies was hen het idee ingelepeld dat ook zij Britten waren, leden van de grote familie van het Rijk. Vaak waren ze ook wettelijk Britse onderdanen, of konden ze als inwoners van het Gemenebest vrij naar het Verenigd Koninkrijk afreizen. Maar de hartelijke ontvangst die ze verwachtten, was nergens te bespeuren.Omdat de meeste migranten laaggeschoold waren, kwamen ze alleen voor de zwaarste jobs in aanmerking. Indiërs en Pakistani's werkten als arbeiders in de textiel- of staalindustrie. Migranten uit de Caraïben kwamen terecht in schoonmaakbedrijven of de horeca. Ook wie een diploma had, belandde door discriminatie vaak in de fabriek. Omdat veel huisbazen niet aan mensen met een andere huidskleur wilden verhuren, hokten ze samen in arbeiderswijken in grootsteden als Londen of Birmingham, vaak in echte krotwoningen.Die discriminatie verraadde de wantrouwige, soms openlijk vijandige houding van een deel van de witte bevolking tegenover de nieuwkomers. De grens tussen kolonie en thuisland, waarbij de witte Brit kon gaan en staan waar hij wilde en de lokale bevolking domineerde, was doorbroken. De gekoloniseerde maakte nu deel uit van de Britse samenleving. De vrees dat de blanke Britten nu bedreigd werden in hun identiteit leidde tot rauwe uitbarstingen van racisme. Rassenvermenging door relaties tussen zwarte mannen en witte vrouwen was een schrikbeeld. Op sommige plaatsen weigerden witte Britten de nieuwkomers zelfs de toegang tot handelszaken door bordjes op te hangen met daarop 'negers, Ieren en honden niet welkom'.De situatie kwam voor het eerst tot een echte uitbarsting in de Londense wijk Notting Hill. In die achtergestelde stadsbuurt waren na 1948 veel Caraïbische migranten komen wonen, wat de huisprijzen deed stijgen. Dat veroorzaakte spanningen met de witte arbeidersbevolking, en leidde tot vecht- en scheldpartijen. Graffiti die opriep om Groot-Brittannië blank te houden verscheen op de muren, terwijl fascistische splintergroepen er voet aan de grond probeerden te krijgen. In de zomer van 1958 explodeerde de situatie. Een week lang waren er zware rellen in de wijk, waarbij honderden witte jongeren migranten aanvielen.De rellen stelden het migratiedebat op scherp. Verschillende politici van Labour, en zeker van de Conservatieven, keken sowieso met argwaan naar de nieuwkomers. Winston Churchill dacht er in 1955 zelfs even aan om 'Houd Groot-Brittannië blank' als verkiezingsslogan te gebruiken.Hoewel de vrees voor de publieke opinie radicale maatregelen tegenhield, zetten beleidsmakers in de nasleep van de rellen stappen om de migratie uit de voormalige kolonies af te remmen. De Commonwealth Immigrants Act van 1962 beperkte voor het eerst de toegang tot het Verenigd Koninkrijk van gekleurde migranten uit de (voormalige) kolonies. De toelatingsvoorwaarden werden in de jaren daarna nog verder beperkt. Gezinsherenigingen zorgden er echter voor dat de toestroom nooit helemaal stopte.De Britse regering goot ook het recht op gelijke behandeling van de nieuwkomers in een wet. De eerste Race Relations Act van 1965 maakte het illegaal om mensen op basis van hun etnische herkomst het recht op werk, huisvesting of andere zaken te ontzeggen. Maar het was aartsmoeilijk om op basis van die wet discriminatie ook effectief aan te klagen.De xenofobie in de Britse samenleving nam in ieder geval niet af. In 1968 hield de Conservatieve politicus Enoch Powell een opruiende speech waarin hij waarschuwde voor de gevaren van immigratie. Om zijn onheilspellend toekomstbeeld in de verf te zetten, citeerde hij een passage uit de Aeneis van Vergilius waarin de rivier Tiber 'schuimt van het bloed'. Zijn eigen partij veroordeelde hem scherp na zijn rivers of blood-toespraak, maar bij sommige witte Britten was er wel degelijk sympathie voor zijn ideeën.Dat bleek ook uit de opkomst van de extreemrechtse partij British National Front in de jaren 1970. Niet alleen scoorde de partij hoog in lokale verkiezingen in steden als Londen, sommige aanhangers schrokken er niet voor terug om geweld te gebruiken tegen zwarte of Aziatische migranten. Racistische moorden als die op de jonge Sikh Gurdip Singh Chaggar in de Londense voorstad Southall in 1976 joegen een schokgolf van angst en verontwaardiging door hele gemeenschappen.Bleven racisme en sociale discriminatie dus aanwezig, dan kreeg het protest daartegen vanaf de jaren 1960 eveneens steeds meer vorm. In 1963 organiseerden jonge Caraïbische migranten een maandenlange boycot van de busmaatschappij van Bristol, omdat die geen zwarten wilde aannemen. Hun inspiratie haalden ze in de Verenigde Staten, bij de gelijkaardige boycot van burgerrechtenactivist Martin Luther King. Enkele jaren later vormde een groep activisten - opnieuw naar Amerikaans voorbeeld - een British Black Panther-beweging. Die was tot haar ontbinding in 1972 een erg mediagenieke strijdgroep tegen politiegeweld en racisme voor zelfbewuste Afrikaanse, Caraïbische én Aziatische jongeren. Vanuit een gedeelde ervaring van achterstelling en discriminatie identificeerden die zich immers allemaal als 'zwart'.Verzet en activisme namen zo de plaats in van de eerder passieve houding van de eerste generatie migranten. Veel van de jonge activisten waren geboren en getogen in Groot-Brittannië. Gelijke rechten waren voor hen geen buitensporige eis, maar een vanzelfsprekendheid. De Aziatische jongeren die zich in de nasleep van de moord op Chaggal verenigden in de Southall Youth Movement, een jeugdbeweging die de strijd aanging met discriminatie, kozen niet voor niets de slogan Come what may, we are here to stay. In hun protesten tegen het National Front werkten die organisaties bovendien nauw samen met (overwegend blanke) linkse groepen als de Anti-Nazi League.In de jaren 1980 ontplofte die mix van sociale achterstelling en groeiend activisme soms. In 1981 waren er drie dagen lang zware rellen in de Zuid-Londense achterstandswijk Brixton. De grote Caraïbische gemeenschap had er een diepgeworteld wantrouwen tegenover de politie door een jarenlang beleid van willekeurige fouilleringen. Toen de politie een jongen die in een steekpartij gewond was geraakt wilde meenemen voor verzorging, barstte de bom. Groepen woedende jongeren plunderden winkels, staken auto's in brand en gingen de politie te lijf. Ook in steden als Liverpool braken rellen uit. Hoewel dat opnieuw een schok door de Britse samenleving joeg, veranderde er op korte termijn weinig. Toen de politie vier jaar later een zwarte vrouw neerschoot in Brixton, volgden er opnieuw rellen.Maar ondanks alle spanningen begon er vanaf de jaren 1980 wel degelijk iets te veranderen. Zo deed de Indische gemeenschap het sociaal-economisch uitstekend vanaf de late jaren 1980 en kende ze een groeiende middenklasse.Openlijk racisme is steeds minder aanvaardbaar. Tegelijkertijd zorgt het groeiende activisme van jonge zwarten en Aziaten ervoor dat ze steeds zichtbaarder worden in het publieke leven. Dat is zo op politiek vlak, waar stads- en gemeenteraden vaker zwarte of Aziatische verkozenen tellen. Zo heeft Londen met Sadiq Khan sinds 2016 een burgemeester met Pakistaanse wortels. Na de algemene verkiezingen van 1987 zetelden er voor het eerst ook vier Britten met een migratieachtergrond in het Lagerhuis. Alle vier vertegenwoordigden ze de Labourpartij, die zich sinds de jaren 1980 uitdrukkelijk inzet voor de rechten van etnische minderheden.Nog meer dan politiek is cultuur een domein waarin Britten met een migratieachtergrond meer aanwezig zijn. Notting Hill Carnival groeide vanaf de late jaren 1960 uit van een klein straatfeest tot een van de drukst bezochte evenementen in Londen, waarin Caraïbische muziek en dans centraal staan. Films als My Beautiful Laundrette (1985), over een jonge, homoseksuele Pakistani, tonen een Britse samenleving waar etnische en religieuze minderheden integraal deel van uitmaken.Daarom zijn alle problemen niet van de baan. De opkomst van radicaal islamisme veroorzaakt bijvoorbeeld toenemende spanningen met de Zuid-Aziatische moslimgemeenschap. Dat toonde zich voor het eerst bij de Iraanse fatwa tegen het boek 'De duivelsverzen' van Salman Rushdie in 1989. Bij een demonstratie door de grote Pakistaanse gemeenschap van Bradford werden toen exemplaren van zijn boek verbrand.Samenleven blijft moeilijk. Dat de miljoenen mensen met Afrikaanse, Caraïbische of Zuid-Aziatische wortels integraal deel zijn van de Britse samenleving, staat vandaag echter niet meer ter discussie.