Truman, Reagan en Trump: het Amerikaanse draaiboek voor Latijns-Amerika

De Venezolaanse president Maduro is niet de eerste die door de Amerikaanse DEA manu militari uit zijn eigen land naar Washington werd overgevlogen. In 1980 overkwam het Manuel Noriega uit Panama. © (Foto Rechtenvrij)
Walter Pauli

Met de arrestatie/ontvoering van de Venezolaanse president Maduro en zijn echtgenote plaatst Donald Trump zich in een lange Amerikaanse traditie ten opzichte van Latijns-Amerika.

De Braziliaanse president Lula Da Silva was er snel bij om de Amerikaanse interventie in Venezuela in historisch perspectief te plaatsen. Ze deed hem denken aan de ‘ergste momenten van inmenging in de Latijns-Amerikaanse en Caraïbische politiek’, waar ‘het recht van de sterkste’ altijd prevaleerde boven het internationale recht.

Elke Latijns-Amerikaan weet waarover Lula het heeft. Over de yanquis – de Amerikanen dus – en wat zij zich op het continent altijd gepermitteerd hebben. Ook in tijden van zogenaamde ‘internationale rechtsorde’.

Na de overgave van Duitsland en Japan waren de communisten duidelijk in de winningmood. Als reactie ontwikkelden de VS de Truman-doctrine, naar president Harry S. Truman (1945-1952) . Het doel van de Amerikaanse buitenlandpolitiek was voortaan containment (of ‘beheersing’) van alles wat communistisch was, kon zijn, kon worden, of zo genoemd werd.

De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."

De eerste grote waarschuwing van hoe ver de VS daarin durfden te gaan, was de Amerikaanse interventie in Guatemala in 1954. In een klein en arm land waar 2 procent van de inwoners 72 procent van het land bezat en zelfs daar maar 12 procent van gebruikte, had de democratisch verkozen president Jacobo Árbenz (een linkse nationalist) beslist tot een landhervorming. Die genoot steun van de bevolking, maar werd niet aanvaard door de elite. Ook de alomtegenwoordige Amerikaanse United Fruit Company (bekend van de Chiquita-bananen) werd erdoor getroffen, en die bemoeide zich met de zaken.

Net zoals bij Trumps ingreep in Venezuela, waar de Amerikaanse oliebedrijven mogen aanschuiven, was in 1954 in Guatemala de scheidingslijn tussen landsbelang en eigenbelang flinterdun. De winst van United Fruit Company (Chiquita Banana) stond op het spel.

Washington greep in. De nieuwe Republikeinse president Dwight D. Eisenhower (1953-1961) vond de koers van Árbenz een gevaarlijk precedent voor andere Latijns-Amerikaanse landen, én een rechtstreekse bedreiging voor Amerikaanse economische belangen.

Zijn minister van Buitenlandse Zaken, John Foster Dulles en diens broer, CIA-directeur Allen Dulles, hadden de leiding over de operatie. De Dulles-broers waren zelf belangrijke aandeelhouders van United Fruit Company. Net zoals bij de ingreep van Donald Trump vandaag, is de scheidingslijn tussen landsbelang en eigenbelang flinterdun.

Een inderhaast opgerichte ‘vrije’ radio, La Voz de la Liberación, verzond vervalste berichten: dat er een reusachtig rebellenleger oprukte (in werkelijkheid een bescheiden groep van 150 tot 200 huurlingen). Vliegtuigen bombardeerden her en der wat installaties, maar ook dat was vooral bedoeld om paniek te zaaien.

Het lukte. Het leger bleef passief, en de kolonel van het huurlingenlegertje werd de nieuwe president. Árbenz was naar het buitenland gevlucht. Hij stierf in 1971 in Mexico-Stad een merkwaardige verdrinkingsdood… in zijn bad. De omstandigheden daarvan zijn nooit opgeklaard. Vandaag is Guatemala nog altijd een vaste bondgenoot van de VS, al zorgt het migratiedossier voor spanningen.

Varkensbaai

Minder evident was de aanpak van de broers Fidel en Raúl Castro in Cuba. Aan het hoofd van hun baardige guerrillero’s bereikten ze op oudejaarsavond 1958 de hoofdstad Havana. Op nieuwjaarsdag 1959 was dictator Fulgencio Batista al vertrokken. En zagen de VS zich voor een nieuwe werkelijkheid geplaatst: buurland Cuba werd ineens bestuurd door een links regime.

© De foto’s van het dode lichaam van Che Guevara gingen de wereld rond, als een permanente waarschuwing: tegen Washington kan geen enkele revolutionair op.

De VS legden zich er niet bij neer. Een al in 1961 door de CIA georganiseerde inval van Cubaanse bannelingen draaide echter uit op een vernederd verlies. Lang kon Castro niet van zijn triomf genieten. In oktober 1962 dreigde president John F. Kennedy (1961-1963) met een open atoomoorlog als de al geplaatste Russische kernkoppen niet zouden worden weggehaald uit Cuba. Dat laatste gebeurde. Minder dan twintig jaar na de bommen op Hiroshima en Nagasaki stond de wereld vlak bij een nieuwe atoomoorlog.

Nadien ondernam zowel de FBI en de CIA talloze moordpogingen op Fidel Castro en zijn metgezel Che Guevara. U kunt de later vrijgegeven documenten nalezen in boeken als CIA Targets Fidel. The Secret Assassination Report (1996) en Che Guevara and the FBI. The US Political Police Dossier on the Latin American Revolutionary (1997). Soms lijkt het wel een parodie op James Bond. Zo werd onder meer geprobeerd een product in Fidels schoenen aan te brengen waardoor zijn haar zou uitvallen en hij zijn baard zou verliezen, dat symbool van mannelijk gezag.

In werkelijkheid was het wel degelijk ernstig, gewelddadig en hoogst geheim. Duistere pogingen tot vergiftiging, tot moord, al dan niet via een ‘ongeluk’ of tijdens een uit te lokken militaire of sociale opstand: werkelijk alles werd bedisseld. Veel heeft nooit plaatsgevonden, niets is gelukt. Fidel stierf pas in 2016. Raúl leeft nog altijd.

Operatie ‘Brother Sam’

Che Guevara overleefde het niet. Hij bleef de revolutie ‘exporteren’, van Congo tot Bolivia. Met hulp van een aantal overgevlogen CIA-agenten coördineerde de Amerikaanse ambassadeur in Bogota in 1967 de jacht op Guevera en co. Bijna niemand overleefde het. Ook de enige vrouw niet, de Oost-Duitse Tamara – nom de guerre ‘Tanja’ Bunke Bider. Achteraf werd ze in Oost-Berlijn als een heldin vereerd. Guevara werd op 8 oktober 1967 levend gevangengenomen. Na zijn ondervraging werd hij meteen geëxecuteerd.

De foto’s van zijn dode lichaam gingen de wereld rond, als een permanente waarschuwing: tegen Washington kan geen enkele revolutionair op. Zelfs een levende maar nu dode legende als ‘Che’ niet.

Cuba is voor de VS altijd een symbool van kapitaal belang gebleven. Maar politiek wogen de regimewissels in Brazilië (1964) en Chili (1973) veel zwaarder.

Tienduizenden arrestaties, martelingen en censuur: de VS zagen het in Brazilië allemaal door de vingers.

In Brazilië maakte een militaire coup in 1964 een einde aan het bewind van de democratisch verkozen maar – hoe kan het anders – te linkse president João Goulart. De VS boden actieve steun aan rechtse militairen en conservatieve elites die Goulart wilden verwijderen. In de gloednieuwe ambassade in Brasilia werd ‘Operation Brother Sam’ voorbereid: een Amerikaans noodplan om brandstof, wapens en maritieme steun te leveren aan de opstandelingen als dat nodig zou zijn. Dat bleek niet het geval.

Meteen na de coup erkenden de VS de nieuwe militaire junta als de wettelijke regering. Zo begon in Brazilië een militaire dictatuur die tot 1985 stand zou houden. Het was een harde tijd met tienduizenden arrestaties, martelingen en censuur. De VS zagen het allemaal door de vingers.

Zo ging het ook in Chili. De Amerikaanse president Richard Nixon beval de eliminatie van de – jawel – linkse president Salvador Allende. Toen Allende al snel na zijn aantreden grote bedrijven (ook Amerikaanse) nationaliseerde, volgde chaos. Hoge inflatie zorgde voor sociale onrust. Alweer werd een opstand gecoördineerd vanuit de Amerikaanse ambassade. Een militaire junta onder leiding van generaal Augusto Pinochet greep de macht op 11 september 1973. Allende verschanste zich met zijn lijfwacht in het presidentieel paleis. Toen legereenheden dat begonnen te beschieten en bestormen, pleegde hij zelfmoord. Zijn laatste foto – met legerhelm (naar Amerikaans model!) op het hoofd – ging de wereld rond.

Trump
De iconische foto, vlak voor zijn dood, van de Chileense president Salvador Allende. Hij draagt nota bene een helm van Amerikaanse makelij. © Serge Plantureux/Corbis

Net zoals het in Brazilië was gebeurd, werd Chili onder Pinonchet een meedogenloze dictatuur. Tegen de steun van Washington kon decennialang in heel Latijns-Amerika geen enkele protestbeweging op.

Op één uitzondering na. In het kleine, straatarme Nicaragua maakten in 1979 de zogenaamde sandinisten een einde aan de dictatuur van de familie Somoza. Die genoot al sinds 1936 van de macht, met de volle steun van de VS.

Omdat het ongenoegen vanwege dat corrupte regime zeer groot was geworden, groeide het Frente Sandinista de Liberación Nacional (FSLN) uit tot een breed front. Boeren, arbeiders, middenklassers, studenten en – uiterst belangrijk – een groot deel van de katholieke kerk sloten zich aan bij het gewapende verzet.

Jimmy Carter

Niet onbelangrijk: in de VS was Jimmy Carter president (1977-1981). Ook hij wilde geen marxistisch regime, maar hij hoopte op een gematigde overgang. Daarom verminderde hij de steun aan de Somoza-familie en veroordeelde hij openlijk de vele schendingen van de mensenrechten. Ineens stond het regime internationaal geïsoleerd. Bij de inname van de hoofdstad Managua door de sandinisten in juli 1979 vluchtten de Somoza’s het land uit.

De nieuwe Nicaraguaanse junta zag zich geconfronteerd met een nieuwe Amerikaanse president, de Republikein Ronald Reagan (1981-1989). Hij veranderde radicaal Carters meer pacifistische koers. Nicaragua, hoe onbetekenend ook, kreeg een hoge symboolwaarde van een man die de oude Trumandoctrine nieuw leven inblies: de Reagandoctrine was geboren.

Latijns-Amerika werd een frontlijn in de laatste fase van de Koude Oorlog.

Het grote verschil met de oude strategie was dat de VS voortaan zelf agressief zouden optreden. Het volstond niet meer het communisme te ‘beheersen’, het was een vijand die moest worden verslagen het en liefst verpletterd. Latijns- (en vooral Centraal-) Amerika werd een frontlijn in de laatste fase van de Koude Oorlog. De sandinisten vertrokken pas in 1990. Zij verloren de eerste verkiezingen. De VS waren de gulle sponsors van de oppositie. De Koude Oorlog had ook een financiële kant.

De Amerikanen hadden de hele jaren tachtig lang de zogenaamde Contra’s gesteund, gewapende eenheden van ex-Somoza-militairen en allerlei andere extreemrechtse figuren. Ze werden bewapend, gefinancierd en getraind – allemaal in het geheim – door de CIA onder rugdekking van het Witte Huis en het Pentagon. De Amerikaanse marine zorgde voor een (economische) blokkade door de Nicaraguaanse havens met mijnen te blokkeren. In die zogezegde ‘burgeroorlog’ vielen tienduizenden doden, doorgaans burgers, en vooral door Contra-geweld.

Voor Reagan was geweld een uitstekend middel om zijn politieke doel te bereiken: de eliminatie van de tegenstand, telkens als het nodig was of hij de kans rook om zelf controle te verwerven. Het overkwam zelfs de Panamese dictator generaal Manuel Noriega. Die was in de VS opgeleid, maar had zich ver geëngageerd in de drugshandel, toen al samen met Colombiaanse kartels. Toen Noriega in 1989 (het laatste jaar van de Koude Oorlog) de verkiezingen verloor maar toch weigerde af te treden, zagen de VS een kans om alsnog af te raken van een dictator die een vlek was op het democratische imago van de nieuwe Amerikaanse wereldorde.

Onder het presidentschap van Jimmy Carter veranderde de VS van koers. Carter veroordeelde de schendingen van de mensenrechten in Nicaragua. Ineens was het regime internationaal geïsoleerd.

De VS organiseerden operatie Just Cause en stuurden 27.000 soldaten naar Panama. Noriega vluchtte op kerstavond naar de Vaticaanse nuntiatuur in Panama-Stad. Daar hield hij zich tot 3 januari 1990 schuil. Toen bestookten de Amerikanen hem met… loeiharde muziek om hem psychisch te kraken. Noriega gaf zich over en werd door de Amerikaanse antidrugsdienst DEA naar de VS overgevlogen – de parallel met de Venezolaanse president Maduro is treffend. Hij werd in de VS en later in Frankrijk tot lange gevangenisstraffen veroordeeld. In januari 2017 kwam hij vrij omdat een hersenoperatie nodig was. Daarbij liep hij een hersenbloeding op. Van zijn vrijheid heeft Noriega nooit genoten.

Liquidatie

Onder Ronald Reagan grepen de VS elke gelegenheid aan om ‘orde op zaken’ te stellen. Dat deed ze zelfs toen er politieke onrust ontstond op het kleine Caraïbische eiland Grenada. Het parlement werd er in die tijd gedomineerd door de communisten.  Premier Maurice Bishop werd door hardliners in het leger echter als te hervormingsgezind gezien, te zacht in de leer – in die jaren begon zelfs in Moskou een hervormer als Michail Gorbatsjov zich warm te lopen. Bishop werd door het leger doorgeschoten.

Truman en Reagan waren ideologisch gedreven. Dat valt van Trump niet te zeggen.

Reagan maakte daarvan opportunistisch gebruik om een eiland met een ‘fout’ regime binnen te vallen. Hij vond dat juist. Internationaal recht deed er ook toen niet toe. Operatie Urgent Fury diende om in één moeite alle communisten uit te schakelen. Het marxistische regime werd ontbonden, de belangrijkste opstandelingen voor de rechter gebracht en een technocraat aangesteld als interim-premier. In 1984 kwamen er nieuwe verkiezingen en was de parlementaire democratie hersteld.

Zo pakten de Amerikanen tijdens de Koude Oorlog hun achtertuin aan: met al dan niet openlijke militaire interventies, en zo nodig met de (ook fysieke) liquidatie van politieke opponenten.

Maar wat Donald Trump vandaag onderscheidt van belligerente voorgangers als Harry Truman of Ronald Reagan, is dat die twee expliciet ideologisch gedreven werden. Natuurlijk was hun anticommunisme evenzeer ingebed in een bredere strijd om macht en invloedssferen. Maar het bleef er niet toe beperkt. Voor of tegen, maar de Koude Oorlog was in essentie ideologisch: het ging beide kampen om ‘iets hogers’. En dat is wel het laatste wat van Donald Trump te zeggen valt.

 

Partner Expertise