Het was zeker niet onterecht, de Europese ongerustheid en de brede verontwaardiging over de Poolse wetswijziging om in eigen land alleen nog een 'Poolse' visie van de Tweede Wereldoorlog te dulden. Wie concentratiekampen als Auschwitz en Treblinka nog langer 'Poolse vernietigingskampen' noemt, riskeert er tot drie jaar cel. Het is zelfs illegaal om nog langer te zeggen of schrijven dat destijds ook de Polen zelf medeplichtig waren aan de Holocaust.
...

Het was zeker niet onterecht, de Europese ongerustheid en de brede verontwaardiging over de Poolse wetswijziging om in eigen land alleen nog een 'Poolse' visie van de Tweede Wereldoorlog te dulden. Wie concentratiekampen als Auschwitz en Treblinka nog langer 'Poolse vernietigingskampen' noemt, riskeert er tot drie jaar cel. Het is zelfs illegaal om nog langer te zeggen of schrijven dat destijds ook de Polen zelf medeplichtig waren aan de Holocaust. De nieuwe Poolse kijk op het eigen verleden leidde tot grote opschudding in Israël. President Reuven Rubin liet zijn ongenoegen blijken ('Je kunt de geschiedenis niet vervalsen, je kunt ze niet herschrijven. Je kunt de waarheid niet verdoezelen'), en een boze premier Benjamin Netanyahu nam telefonisch contact op met zijn Poolse collega Mateusz Morawiecki om zijn ongerustheid te uiten over wat toen nog een wetsvoorstel was. Nadien lieten de twee regeringsleiders weten dat ze zouden streven naar een 'open en directe dialoog' om 'tot een overeenkomst te komen over het wetsvoorstel'. Het gebeurt niet vaak dat een dringende vraag van de Israëli's boudweg genegeerd wordt, maar Joodse gevoeligheden deren Poolse politici niet meer. De Poolse Sejm (Kamer) en Senat (Senaat) keurden het omstreden wetsvoorstel goed. Dat die stemming plaatsvond op 27 januari, uitgerekend de Internationale Herdenkingsdag van de Holocaust, was een spijtig toeval. Nadien ratificeerde president Andrzej Duda de wet die volgens hem 'de Poolse belangen, de Poolse waardigheid en de historische waarheid' beschermt. Schrik voor Europese sancties heeft Duda niet: '"Arbeit macht frei" is geen Pools', een duidelijk schot voor de boeg van Angela Merkel, haar landgenoten en West-Europese vrienden. Dat de Polen voortaan officieel niets met de Jodenvervolging te maken hebben, is natuurlijk te gek voor woorden. Dat miskent trouwens uitspraken en rapporten van de hoogste Poolse instanties. Al in de jaren dertig, duidelijk voor de Duitse invasie van september 1939 en de opdeling van het land, liep de Jodenhaat in Polen al helemaal uit de hand, namen het geweld en de pogroms tegen Joden toe. Begin 1936 deed de hoogste katholieke autoriteit van het land, kardinaal August Hlond (1881-1948), een poging om in een herderlijk schrijven het geweld tegen de Joden in te dammen. Hij deed dat met deze argumentatie: 'Het is een feit dat de Joden oorlog voeren tegen de katholieke kerk. Het is een feit dat de Joden een verderfelijke invloed hebben op de moraal en dat hun uitgeverijen pornografie verspreiden. Het is waar dat de Joden bedrog plegen en woeker en prostitutie bedrijven. Maar laten we rechtvaardig zijn. Niet alle Joden zijn zo. Je mag je eigen volk meer liefhebben, maar je mag niemand haten. Zelfs de Joden niet. Je moet je verre houden van de schadelijke morele invloed van Joden, je moet je van hun antichristelijke cultuur distantiëren. Maar het is verboden Joden te molesteren, in elkaar te slaan, te verminken of te beledigen.' Toen de nazi's in 1939 Polen onder de voet liepen, controleerden ze dus een land met een bevolking die niet afkerig stond van een harde anti-Joodse aanpak. Dat bleek voor het eerst uit de rapporten die de piepjonge Jan Karski (1914-2000) in 1940 bij de Poolse regering in ballingschap in Londen afleverde. Voor alle duidelijkheid: voor veel Polen geldt Karski nog altijd als een nationale held. Hij was een weerstander die zelf ooggetuige was van de onmenselijke behandeling van de Joden in het getto van Warschau, en daarover verslag uitbracht bij de geallieerden. Zijn eerste, vroege rapport aan zijn eigen regering toont hoe moeilijk de zaken lagen. Volgens Karski gebruikten de Duitsers hun antisemitisme om het Poolse volk tot collaboratie aan te zetten. 'En je moet toegeven dat ze daar succes mee hebben', legde hij uit. 'De Poolse boer, de arbeider, de laag opgeleide, onintelligente, gedemoraliseerde arme duivel roept luidkeels: "Nu krijgen de Joden eindelijk een lesje", "Wat er ook gebeurt, we moeten God danken dat de Duitsers zijn gekomen en de Joden hebben overgenomen" en dat soort dingen meer.' Karski zelf vond overigens dat de Poolse Joden zelf deels verantwoordelijk waren voor hun lot: 'Over het algemeen wordt aangenomen dat de Joden Polen en het Poolse volk hebben verraden, dat zij in wezen communisten zijn en met vliegende vaandels naar de bolsjewieken zijn overgelopen.' Vandaar zijn bittere conclusie: 'Het overgrote deel van de Joodse bevolking heeft er dus voor gezorgd dat de Polen, zo kun je zonder meer zeggen, wachten op het moment dat ze wraak kunnen nemen. Praktisch alle Polen zijn verbitterend en teleurgesteld over de Joden. De overweldigende meerderheid (onder wie natuurlijk allereerst de jongeren) wacht letterlijk op een kans om "bloedige wraak" te kunnen nemen.' Een boete of de gevangenis riskeren omdat je nog spreekt of schrijft over het reële en zo omstandig gedocumenteerde Poolse antisemitisme uit de jaren dertig of veertig, daarover struikelen de Europese Commissie en de westerse publieke opinie: de schaamteloze vervalsing, of op zijn minst de blinde ontkenning, van de Poolse geschiedenis door de nieuwe rechts-populistische regeringspartij PiS ('Recht en Rechtvaardigheid'). De wet over de Holocaust is de tweede grote clash in korte tijd met de EU, nadat het Poolse parlement in 2016 al een wet had gestemd om het Grondwettelijk Tribunaal onder regeringscontrole te krijgen. Die kwestie is nog altijd hangende: Polen riskeert er een verlies van zijn Europese stemrecht door. Intussen geven de Polen geen krimp en aarzelen de Europese instanties om een zware sanctie op te leggen. Ook al omdat Warschau kan rekenen op de steun van Boedapest: ook de regering van Viktor Orbán werd door de Europese Commissie op de vingers getikt wegens het niet respecteren van wat tot nu toe als 'democratisch' werd gezien: met een mediawet en een universiteitswet is de controle over de hele samenleving toegenomen. Vandaar dat het Europees Parlement al een resolutie stemde waarin de verslechterde situatie van de democratie en de mensenrechten in Hongarije werd aangeklaagd, en de Europese Commissie vorig jaar een zogeheten inbreukprocedure tegen Hongarije opstartte, om het land te verplichten de Europese regelgeving te volgen. Zo worden vandaag nieuwe frontlijnen getrokken op de Europese kaart. In de ogen van veel West-Europeanen zijn er in Oost-Europese landen als Hongarije en Polen nieuwe, rechts-populistische partijen aan de macht gekomen, met nieuwe 'regeringen' die in snel tempo de neiging tonen om zichzelf te zien als 'regimes'. De brutale manieren van de nieuwkomers uit het Oosten vloeken met de democratische waarden van de aloude Europese Unie. En dat kan niet, zeker niet in de ogen van pro-Europese tenoren als Guy Verhofstadt en Frans Timmermans. Terwijl de kopstukken van de Europese instellingen de wil hebben het beleid in Polen en Hongarije om te buigen, koestert men ginds een gelijkaardige ambitie ten overstaan van... de EU. In zijn maidenspeech als de nieuwe eerste minister van Polen, begin december vorig jaar, zei Morawiecki dat hij zich zou inzetten 'voor de herchristianisering van Europa'. Het is met de Europese Unie in het groot wat landen als België meemaken in het klein: overal dacht men dat nieuwkomers zomaar 'absorbeerbaar' zouden zijn in de bestaande maatschappij, dat zij zich na verloop van tijd wel naadloos zouden inpassen in de bestaande orde. In eigen land zien we dat een samenleving met x procent nieuwkomers ook anders wordt. In Europa begint het te dagen dat de oude Europese Unie in wezen een West-Europees concept was, en dat de Oost-Europese nieuwkomers andere klemtonen leggen. Vraag is dus of het volstaat om Oost-Europa door de West-Europese bril te benaderen. Om de zaken in perspectief te plaatsen is het nooit slecht om wat dieptezicht te krijgen: de geschiedenis van landen als Polen en Hongarije is complexer dan de quotes van Duda en Orbán die de nieuwssites halen. Wat de westerse publieke opinie vaak vergeet, ook al omdat de nieuwe regeringen in Warschau en Boedapest er zelf geen belang bij hebben om er de nadruk op te leggen, is dat de blindheid voor het lokale antisemitisme in die landen niet echt een 'nieuwe' omgang is met de eigen identiteit, typisch voor de Poolse regering van Duda of het Hongaarse kabinet van Orbán. Integendeel: zij kunnen die wetten maar uitvaardigen omdat zij zich daarmee in hun eigen land en voor hun eigen publieke opinie in een lange traditie plaatsen. Vijftig jaar geleden, in het mythische 'revolutiejaar' 1968, kwamen ook in de Poolse steden de studenten massaal op straat. Prompt beschuldigde partijleider Wladyslaw Gomulka de aanstokers... Joden te zijn. Die communistische variant van het oude Poolse antisemitisme slaat aan én deint uit: binnen de kortste keren begint een heksenjacht en worden de kaders van de Poolse communistische partij, regering, legertop en administratie gezuiverd van 'Joden'. Het was een louter cynisch machtsspel, met de Poolse Joden als pasmunt: Gomulka was zelf helemaal geen antisemiet, hij was getrouwd met een Joodse. Maar hij zocht een zondebok, en bondgenoten. Het heeft Gomulka trouwens niet geholpen: in december 1970 moest hij de baan ruimen voor de jongere Edward Gierek, een man die communist was geworden toen hij als gastarbeider in de mijn van Waterschei werkte. Gierek bediende zich van dezelfde antisemitische retoriek als zijn voorganger. Toen die plaats had moeten maken, zorgde hij ervoor dat er een einde kwam aan de nieuwe heksenjacht. Het gevolg was wel dat de drie volgende jaren duizenden Poolse Joden naar Israël emigreerden. Niet alleen Polen had ook nog na WO II een problematische omgang met zijn Joodse inwoners. Ook nadat de nazi's al lang uit Hongarije verdreven waren, bleef het harde Hongaars antisemitisme een politieke én maatschappelijke factor van belang. Dat staat tot in detail beschreven in het tweedelige standaardwerk The Politics of Genocide. The Holocaust in Hungary van de Hongaars-Amerikaanse auteur Randolph L. Braham (geboren als Adolf Ábrahám). Het Hongarije van 1945, zo legt Braham uit, lag in puin, de bevolking was verarmd, en de regering vreesde nieuw golven van antisemitisch geweld. Om brutale pogroms met hun moorden en plunderingen te vermijden nam de Hongaarse regering haar toevlucht tot een van bovenaf gecontroleerd en gekanaliseerd 'neo-antisemitisme' (dixit Braham): 'Ironisch en tragisch, de anti-Joodse betogingen werden vaak aangewakkerd door linkse krachten, die droomden van een sociale omwenteling, en een linkse machtsgreep' - lees: waarom zouden zij Joodse middenstanders, bankiers en grond- en huizenbezitters in hun oude rechten moeten herstellen? Op 25 maart 1945 riep Szabad Nép('Het Vrije Volk'), het blad van de Communistische Partij van Hongarije, de uit de kampen terugkerende Joden op begrip te tonen voor de christenen die nu in hun huizen leefden, zelfs als die nieuwe inwoners dat privilege slechts hadden bekomen omdat ze tijdens de oorlog de beste contacten hadden met het extreemrechtse Nieuwe Orde-regime van admiraal Miklós Horthy, van 1920 tot 1944 de regent van Hongarije. Ook vandaag vinden veel Hongaren niet dat de Joden in hun land voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog groot onrecht werd aangedaan. Omdat Horthy (zoals wel meer collaborateurs overkwam) tegen het einde van de oorlog in conflict kwam met de nazi's, onder meer omdat hij toenadering zocht tot de Britten en de Amerikanen, is hij al kort na de val van de Muur officieel in ere hersteld. Ondanks Horthy's foute verleden roemde premier József Antall hem in 1993 als 'een belangrijke Hongaarse patriot'. In die tijd was dergelijke rehabilitatie van een anticommunist als Horthy vooral nuttig als symbool voor de breuk tussen Hongarije en zijn recente communistische verleden. Dat zinde het Westen zeer, en destijds werden er amper vragen bij gesteld. Vandaag is Horthy de historische vedette van extreemrechtse partijen als Jobbik. hij is ook populair bij de Magyar Gárda , de aan Jobbik gelieerde geüniformeerde militie die in eigen land beschouwd wordt als de opvolger van sinistere voorgangers uit de jaren veertig. Regeringspartij Fidész zit met de zaak verveeld: gezien de concurrentie van Jobbik durft men niet openlijk afstand te nemen van de Horthy-mythe. Vorig jaar noemde ook premier Orbán hem een 'uitzonderlijk staatsman'. Dat leidde tot grote bezorgdheid in de VS en West-Europa. Het Duitse weekblad Der Spiegel volgt met argusogen deze 'taboedoorbrekende' wending van Orbán. Men leest er een bewuste boodschap in voor de nakende parlementsverkiezingen, dit jaar nog, alsof de premier zijn kiezers een gevoel probeert aan te praten in de trant van: 'Wij Hongaren zijn een braaf, waardevol en onschuldig volk. Wie dat in vraag stelt, is ofwel een Jood, ofwel een buitenlands agent ofwel een communist.' Men had die evolutie kunnen zien aankomen. Al in 2014 waarschuwde historicus Randolph R. Braham in The New York Times voor de pogingen van Orbán om het Horthy-verleden van zijn land wit te wassen en de Hongaarse geschiedenis te vervalsen. Braham stuurde zijn eretekens terug en weigerde elke verdere samenwerking met het Holocaust-memoriaal in Boedapest. Dergelijk spanningsveld tussen een oosterse en een westerse visie op de geschiedenis is niet nieuw. In 1985 presenteerde de Franse cineast Claude Lanzmann Shoah, zijn indrukwekkende, negen uur (!) durende documentaire over de Jodenvervolging in Polen. Daar zit geen seconde archiefmateriaal in, alleen maar actuele beelden, getuigenissen van overlevers - slachtoffers, daders én toeschouwers. Vooral die van gewone Polen zijn tenenkrullend: vaak lacherig, meestal ongeïnteresseerd in het lot van de Joden, en af en toe komt er een gulp amper getemperd antisemitisme uit. Ook toen deed de communistische leiding van Polen de film af als 'anti-Pools'. Zelfs de organisatie van Poolse Joden stuurde een protestbrief naar de Franse ambassade: Shoah zou veel te weinig aandacht besteed hebben aan de Polen die wél hulp boden aan de Joden, met gevaar voor eigen leven. Hoe moeilijk de dialoog is tussen twee 'culturele werelden', werd duidelijk door het lange interview van Lanzmann met niemand minder dan... gewezen koerier Jan Karski. Hij praatte er liever niet meer over, zei Karski: 'Vijfendertig jaar na de oorlog wil ik niet terugdenken aan het verleden. Ik ben al 26 jaar hoogleraar en ik spreek met mijn studenten nooit over de Joodse kwestie.' Toen Shoah uiteindelijk in omloop werd gebracht, had Karski er gemengde gevoelens bij. Enerzijds gaf hij toe dat het de ultieme documentaire over de Jodenvervolging was. Maar in de uiteindelijke montage bleek tachtig procent van zijn getuigenis weggeknipt, daarbij een lange, essentiële passage over hoe hij destijds in detail de westerse regeringsleiders inlichtte over wat er in werkelijkheid in Polen gebeurde: dat de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt wel vol belangstelling informeerde naar de Poolse paarden, maar niet de minste interesse betoonde voor het lot van de Poolse Joden. Karski schreef zijn frustratie van zich af in een scherp artikel, Shoah, a Biased Vision of the Holocaust. Lanzmann gaf impliciet toe dat Karski een punt had door van zijn weggeknipte getuigenis nog een heel nieuwe documentaire te maken, The Karski Report. Het gaat om meer dan een misverstand tussen een cineast en een oude interviewé. Het gaat zelfs verder dan twee tradities van geschiedkundige overlevering. Wat op het spel staat, is de vraag of twee kanten van dezelfde historische werkelijkheid allebei op dezelfde wijze belicht worden. Waarom zoomt het Westen zo graag in op het Poolse antisemitisme, maar kijkt men zo gemakkelijk voorbij het lijden van het Poolse volk? De o zo antisemitische Polen werden immers op hun beurt door de nazi's en hun bondgenoten zélf als Untermenschen beschouwd. En niet alleen door de nazi's uit Duitsland, maar ook door hun vrienden uit België. Toen BRT-journalist Maurice De Wilde in de jaren tachtig Rex-leider Léon Degrelle (die aan het Oostfront had gevochten en door Hitler 'zijn ideale schoonzoon' genoemd zou zijn) ondervroeg over zijn oorlogsherinneringen, riep Degrelle op een bepaald moment uit: 'Mais nous n'étions quand même pas des Tchèques!' - 'Wij waren verdorie toch geen Tsjechen!' De idee dat Slavische volkeren in se minderwaardig en op zijn best wat achterlijk zijn, zat (en zit?) er diep ingebakken. De Polen hebben er een onwaarschijnlijk zware prijs voor betaald. Al in 1940 schreef de Duitse generaal Ludwig Beck vanuit Polen: 'Ze hebben vijftienhonderd Joden, onder wie vrouwen en kinderen, net zo lang in open goederenwagons rondgereden totdat ze allemaal waren omgekomen. Vervolgens moesten tweehonderd (Poolse, nvdr.) boeren enorme massagraven voor de Joden graven. Daarna hebben ze ook al die arbeiders doodgeschoten.' Het was geen toeval. Zelfs Saul Friedländer, een van de meest prominente Holocaust-kenners, maakt een onderscheid tussen de initiële politiek van de Duitsers tegenover de Joden en die tegenover de Polen. Die tegen de Polen was erger: 'De moord op de Joden verliep in een eerste fase zonder plan, vooraanstaande Polen werden van hoog tot laag stelselmatig vermoord. Zestigduizend Polen, wier namen al voor de oorlog verzameld waren, dienden uit de weg geruimd te worden.' Dat lot trof vooral de intellectuelen: Untermenschen hadden geen nood aan hersens, aan cultuur, en zeker niet aan eigen leiding. Vandaar dat de nazi's al op 6 november 1939 overgingen tot de Sonderaktion Krakau: de liquidatie van het academische korps van de prestigieuze Jagiellonische Universiteit in die stad. 184 professoren en assistenten werden gedeporteerd naar het concentratiekamp van Sachsenhausen. Tegelijk werden de universiteit en alle andere instellingen van hoger én secundair onderwijs in Polen gesloten. In datzelfde Krakau was de Duitse ondernemer Oskar Schindler actief, de man wiens naam legendarisch werd nadat Steven Spielberg (zelf een nakomeling van orthodoxe Joden uit Oekraïne) hem tot protagonist maakte van Schindler's List. Die Oscarwinnende speelfilm vertelt het verhaal van een 'goede Duitser' die honderden Joden het leven redde door ze in zijn fabriek te werk te stellen. De fabriek van Schindler staat nog altijd in Krakau en er is een fraai museum in gevestigd, een museum dat argeloze westerse toeristen confronteert met de Poolse kant van het verhaal: 'Waarom stelde Schindler zo veel Joden te werk? Alleen maar omdat ze nóg goedkoper waren dan Polen.' Het zit de Polen hoog dat het Westen niet het meer afgewogen beeld koestert van Polen als een land dat tegelijk gemarteld werd, geprangd zat tussen nazi's en communisten en zich desondanks dapper bleef verzetten. Na de verdeling van Polen tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie bléven Poolse soldaten vechten, en ze deden dat van de Slag om Engeland in 1940 over de woestijnoorlog in Tobroek, de inname van Monte Cassino in Italië, de invasie in Normandië tot de bevrijding van België en Nederland. Maar voor die volgehouden dapperheid kregen de Polen niet de erkenning en zeker niet de beloning die ze verwachtten. Integendeel, er wachtten hen pijnlijke vernederingen. Bij de grote overwinningsparade in 1946 in Londen besliste de Britse regering het Poolse contingent níét mee te laten stappen. Tien Britse parlementsleden schreven een verontwaardigde brief naar The Daily Telegraph: 'Er zullen Ethiopiërs zijn, Mexicanen, het medisch korps uit de Fidji-eilanden, de Maleisische politie en pioniers uit de Seychellen, en dat is terecht. Maar Polen zullen er niet zijn. Hebben wij niet alleen onze zin voor verhoudingen verloren, maar ook ons gevoel van dankbaarheid? Wij vrezen het.' Zin voor verhoudingen: het kan zowel Oost- als West-Europa helpen. Zijn 'wij' in West-Europa wel zo anders? Het heeft tot 1994 geduurd voordat journalist Pierre Péan in zijn ophefmakende boek Une jeunesse française het collaboratieverleden van François Mitterrand onthulde, en hoe de socialistische president ook na de oorlog een vriend was gebleven van de beruchte Jodenjager René Bousquet. Het jaar daarop, in 1995, erkende de nieuwe president Jacques Chirac voor het eerst de verantwoordelijkheid van de Franse Republiek in de medewerking van het Vichy-regime bij de Jodenvervolging. Toen waren in België de geesten nog niet rijp voor zo'n geste. De eerste echte aanzet tot officiële introspectie kwam er in ons land pas in 2002, in volle paarse periode. De Franstalige senatoren Alain Destexhe (MR) en Philippe Mahoux (PS) namen het initiatief om een resolutie te laten goedkeuren 'betreffende het bepalen van de feiten en verantwoordelijkheid van de Belgische overheden bij de deportatie en vervolging van de Belgische Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog'. Dat leidde in 2006 tot een eindrapport en later tot een vuistdik boek over de Jodenvervolging in België, met de bepaald niet flatterende titel Gewillig België. Daaruit bleek dat al in de herfst van 1940 de Belgische autoriteiten véél verder gingen in hun samenwerking met de Duitse bezetter dan het toenmalige internationaal recht voorschreef: ze waren er toen al mee akkoord dat alle Belgische Joden zich verplicht moesten registreren, een flagrante overtreding van de Belgische grondwet. En nadien werd het alleen maar erger. Intussen had ook historicus Lieven Saerens de actieve en bijwijlen gretige samenwerking van de Antwerpse politie aan de Jodenrazzia's gereconstrueerd. Het noopte burgemeester Patrick Janssens in 2007 tot excuses aan de Joodse gemeenschap van zijn stad voor de rol die de Antwerpse autoriteiten hadden gespeeld bij die vervolging. Dat leverde hem prompt de hoon op van de jonge N-VA-voorzitter Bart De Wever, die zich vrolijk maakte dat er pas na zestig jaar verontschuldigingen kwamen. Hij vond die 'gratuit en misplaatst'. Het moet een van de laatste keren geweest zijn dat De Wever zo hard met zijn hoofd tegen een muur liep, want de afkeuring voor zijn denigrerende commentaar was algemeen, van de andere partijvoorzitters tot de woordvoerders van de Joodse gemeenschap zelf. Toen hij vijf jaar later op zijn beurt de Antwerpse gemeenteraadsverkiezingen won en burgemeester werd, had hij zijn les geleerd. In mei 2015, bij de eerstvolgende verjaardag van de deportatie van de Antwerpse Joden, sprak hij woorden die tot dan toe geen enkele Vlaams-nationalistische partijvoorzitter in de mond had genomen: 'Ik wil het verleden recht in de ogen kijken: deze collaboratie was een vreselijke fout op alle vlakken. Het is een zwarte bladzijde in de geschiedenis die het Vlaams-nationalisme onder ogen moet zien en die ze nooit mag vergeten.' De Wever koppelde het grote verhaal van 'de collaboratie' aan het persoonlijke relaas van 'de collaborateur': zijn eigen familie. "Mijn eigen grootvader was lid van het VNV, de Vlaams-nationale partij die massaal in de collaboratie is gestapt.' Geesten kunnen dus evolueren: laat dat de bescheiden les zijn van West- aan Oost-Europa, van Bart De Wever aan Viktor Orbán en Andrzej Duda, die nieuwe nationalisten aan de andere kant van het continent. Wat daarbij altijd helpt, is enige historische kennis, maar vooral - zo kan De Wever uit eigen ervaring meegeven - een fikse dosis politieke druk.