Eurocommissaris Frans Timmermans zoekt naar menselijkheid in Europa: ‘De Russen in Oekraïne? De gruwelijkste barbarij’

Operatie Market Garden, 1944 (beeld uit A Bridge Too Far). ‘Hybris: hoeveel menselijke ellende is daardoor niet veroorzaakt?’ © Gettyimages

Frans Timmermans, vicevoorzitter van de Europese Commissie, wordt gelauwerd voor zijn inzet voor het Oude Continent en de waarden waarvoor het hoort te staan. In zijn aanvaardingsspeech trekt hij een boog van de Grote Oorlog tot Oekraïne. ‘Er is een Europa van voor 24 februari 2022 en een Europa van daarna.’

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Toen hij tussen 2014 en 2019 Europees Commissaris was van onder meer Rechtsstatelijkheid en het Handvest van de Grondrechten, kwam de Nederlandse sociaaldemocraat Frans Timmermans onzacht in botsing met de balorige lidstaten Hongarije en Polen. Hij daagde ze voor de rechter omdat ze de rechtsstaat langzaam maar zeker uitholden. Nu hij als vicevoorzitter van de Commissie belast is met de uitvoering van de Green Deal, vuurt hij zijn Tsjechische opvolgster Vera Jourova aan om Polen en Hongarije sneller aan te klagen.

Timmermans staat al jaren pal voor de rechtsstaat, en maakt zich sterk voor internationale samenwerking, solidariteit, homorechten, diversiteit, gelijkheid van vrouwen en mannen, en de bescherming van mensenrechtenactivisten. Redenen te over, menen ze in Nijmegen, om hem de ‘Vrede van Nijmegen Penning’ toe te kennen. Dat ereteken wordt tweejaarlijks uitgereikt aan een internationale hoofdrolspeler die zich inzet voor Europa. De naam verwijst naar de Vrede van Nijmegen uit 1678, een tijdelijk einde aan de oorlogen die het continent toen teisterden. Eerder gingen Jacques Delors (2010), Umberto Eco (2012), Neelie Kroes (2014), het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (2016) en Paul Polman (2018) Timmersmans al voor.

Van angst komt woede, van woede agressie, en die zoekt een zondebok. Dat gebeurde in de jaren 1930, en het gebeurt nu weer.

Dit was zijn bedankingsrede.

***

Op 2 augustus 1914 schrijft Franz Kafka in zijn dagboek: ‘Duitsland heeft Rusland de oorlog verklaard. Ben ‘s middags gaan zwemmen.’ De Eerste Wereldoorlog is zowel een eindpunt als een startpunt in de Europese geschiedenis. Het is het door de Europeanen zelf georganiseerde einde van de Europese werelddominantie en het begin van een binnen-Europese flipperkast van oorlog en vrede, van onderdrukking en vrijheid, van aantrekken en afstoten van Europese volkeren.

Kafka kon dat op 2 augustus niet weten, en pas achteraf krijgt zijn aantekening de lading die wij er nu aan toekennen: historische gebeurtenissen en de banaliteit van ons dagelijkse bestaan zijn in het hier en nu vaak gelijkwaardig in onze beleving. In die zomer van 1914 werd de oorlog alom verwelkomd. Europa dat even zijn neus snuit of wat slijm ophoest om weer beter te kunnen ademen. Voor Karl Marx was de oorlog nodig om de Duitse eer te redden. Het werd een slachtpartij zoals de wereld er nog nooit een gezien had. De waarde van het menselijke leven werd door generaals en politici haast tot nul gereduceerd, behalve natuurlijk als het henzelf betrof. Zij die in die gruwelijke vleesmachine werden gezogen en er aan de andere kant levend uitkwamen, waren voor het leven getekend en zouden tot de beste en helaas ook absoluut slechtste vertegenwoordigers van de mensheid uitgroeien.

De Grote Oorlog veranderde Europa radicaal. Kosmopolieten werden in een klap fervente nationalisten. Schrijvers die een warme vriendschap koesterden, zoals dichter Maurice Maeterlinck en schrijver Stefan Zweig, stonden ineens als vijanden tegenover elkaar. Maeterlinck fel anti-Duits, Zweig vooral stil maar toch ook meegevoerd in een dynamiek die hem dwong de Duitse zaak, zij het impliciet, te omarmen. Wanneer de Duitsers de oorlogsmisdaad begaan om het weerloze Leuven plat te branden en Zweig komt kort daarna in de stad om haar te beschrijven, zal hij tussen alle mooie krullen door een impliciete rechtvaardiging voor het Duitse optreden neerpennen. En dat doet hij in Luik ook. Het is niet alleen ‘goed of fout, het is mijn land’, het is ook de behoefte iets wat duidelijk buiten het kader is van de normen en waarden waarin je gelooft en waarin je wilt leven alsnog binnen dat kader te plaatsen. Duitsers zoals ik zouden dit nooit doen als we niet door de Belgen en de Fransen waren geprovoceerd – die gedachte.

De Grote Oorlog was in letterlijke zin onvoorstelbaar in 1914, ook al zal hij vervolgens in de Europese politieke, maatschappelijke en culturele geschiedenis bepalend zijn tot op de dag van vandaag. Deze poging tot collectieve Europese zelfmoord zou zelfs op herhaling gaan, en zou niet alleen het zelfbeeld van Europeanen opblazen maar ook het beeld van ons in de rest van de wereld definitief veranderen. Het superioriteitsgevoel dat de Europeanen graag naar hun koloniën brachten, werd daar weggeblazen. En het leidde ook tot een gevoel van vrijheid bij die volkeren. De oorlog en de fouten bij de afhandeling ervan zijn de vader en moeder van de totalitaire ideologieën die de vroedvrouwen zijn van de volgende oorlog. Zij zijn de Europese grootouders die soms in een diepe slaap of coma verkeren, maar nooit sterven en soms met een botoxkuurtje weer aan een tweede jeugd beginnen en aan de poort gaan staan rammelen. Zoals we helaas nu weer te veel zien.

Vrijheid, gelijkheid, solidariteit en lotsverbondenheid over nationale grenzen heen bleek het enige recept dat duurzaam werkt om onze demonen aan de ketting te houden en onze beste eigenschappen in hun kracht te zetten. We hebben die methode met vallen en opstaan nu ruim 70 jaar toegepast, en het heeft in een groot deel van Europa tot een ongekend lange periode van vrede, stabiliteit en voorspoed geleid.

Maar vrede is zo veel meer dan de afwezigheid van oorlog. Voor vrede is ook zo veel meer nodig dan een sterke defensie en goede verdragen. Vrede vergt voortdurend en intensief onderhoud van de hele samenleving.

Leuven, 1914 ‘Het superioriteitsgevoel dat de Europeanen graag naar hun koloniën brachten, werd weggeblazen.’
Leuven, 1914 ‘Het superioriteitsgevoel dat de Europeanen graag naar hun koloniën brachten, werd weggeblazen.’ © Gettyimages

De ervaringen van de wereldoorlogen en het afschrikwekkende voorbeeld van dictaturen in Europa die de oorlog hadden overleefd of er zelfs sterker uit waren voortgekomen, leidden tot de conclusie dat de nationale en transnationale staatsinrichting van het vrije Europa op drie pijlers gestoeld moest worden: democratie, rechten van de mens en rechtsstatelijkheid. Die pijlers zijn gelijkwaardig, niet inwisselbaar en dienen elkaar te respecteren. Want het verleden had geleerd dat je democratie ook kunt inzetten om rechten van de mens te schrappen of de rechtsstaat tot wapen kunt maken van de zittende macht. De showprocessen die fascisten in Italië, nazi’s in Duitsland en stalinisten in de Sovjet-Unie orkestreerden, waren allemaal gebaseerd op wetten, de vonnissen werden allemaal door rechters uitgesproken. Voor iedere misdaad, zelfs de meest infame, vond men een juridische basis. Aan een juridische basis en de schijn van rechtsstatelijkheid werd bovendien altijd heel groot belang gehecht. Ook omdat men uiteindelijk de rechtsstaat, de ware rechtsstaat vreesde.

Een mooi voorbeeld hiervan is het Tanzpalast Eden-proces in Berlijn in 1931. De advocaat Hans Litten – een van de grootste helden uit de geschiedenis van de advocatuur, volgens mij – verdedigde een aantal linkse activisten die waren aangevallen door een knokploeg van de Sturmabteilung en hadden teruggevochten. Litten riep Adolf Hitler op als getuige en onderwierp hem aan een kruisverhoor van drie uur, waarin hij aantoonde dat het gebruik van geweld door de SA onderdeel was van een plan om de democratische rechtsorde omver te werpen. Hitler raakte in het nauw, verloor zijn zelfbeheersing en was duidelijk bevreesd dat de NSDAP hierdoor buiten de wet geplaatst zou kunnen worden. Zover kwam het helaas niet – daarvoor was het klimaat in de Weimarrepubliek tot in de rechtszaal al te zeer verziekt – maar Hitler was hierdoor zo van streek dat de naam ‘Litten’ nooit meer in zijn aanwezigheid mocht worden uitgesproken. Hans Litten was een van de eersten die de dag na de brand in de Reichstag werd opgepakt. Hij zou van gevangenis naar gevangenis worden vervoerd, overal werd hij gemarteld, totdat hij zich vijf jaar later, gesloopt en uitgeput, verhing in Dachau.

De scheiding der machten, een onafhankelijke rechterlijke macht, vrije media: ze zijn essentieel voor een duurzame vrede. Maar zelfs in de meest zelfvoldane democratieën zijn ze niet vanzelfsprekend, zijn ze altijd voor verbetering vatbaar, en zijn ze – veel vaker dan ons lief is – bedreigd. Alleen als we ons daar bewust van zijn, en ook altijd leven en handelen in het besef van het menselijke tekort, van onze feilbaarheid en noodzaak tot reparatie van onze fouten, zijn we in staat een samenleving in stand te houden en te versterken die onze waarden vertaalt in concreet en constructief handelen.

Bijna dertig jaar geleden was ik aanwezig bij een gesprek tussen mijn politieke vader, Max van der Stoel, en Brian Urquhart, ondersecretaris-generaal van de Verenigde Naties. Urquhart zat op de eerste tank die tijdens Operatie Market Garden (grootschalig maar mislukt offensief van de geallieerden in Nederland in 1944, nvdr) over de Waalbrug in de richting van Lent reed. Hij vertelde dat Market Garden hem genezen had van twee dingen: zijn eigen arrogantie, en zijn vertrouwen in de voortreffelijkheid van zijn superieuren. Bij de voorbereiding van de operatie was hem als 26-jarige inlichtingenofficier duidelijk geworden dat de operatie gedoemd was om te mislukken. Ik citeer hem: ‘Een kind kon dat zien. Maar niemand wilde naar mij luisteren, zij zagen mij als een kind. Bovendien, zo werd mij gezegd, Monty wil het en Churchill heeft het al goedgekeurd, dus we kunnen niet terug.’ Hybris, zelfoverschatting, gebrek aan kritisch vermogen. Hoeveel menselijke ellende is daardoor niet veroorzaakt? Kijk ook naar de opeenstapeling van fouten die tot het bombardement van de Nijmeegse binnenstad heeft geleid in februari 1944. Bijna 800 Nijmegenaren moesten het met de dood bekopen.

Het is niet moeilijk mensen tegen elkaar op te zetten. Zeker niet in tijden van fundamentele omwentelingen, waarbij oude zekerheden verdrongen worden door nieuwe onzekerheden. Als vervolgens vertrouwen in vooruitgang wordt verdrongen door vrees voor achteruitgang, is het verleidelijk voor politici om zich meester te maken van de zorgen, en die niet in kansen maar in angsten om te buigen. Van angst komt woede, van woede agressie en die agressie gaat op zoek naar een zondebok. Dat gebeurde in de jaren 1930, en het gebeurt nu weer. Vroeg of laat moet de agressie een uitweg vinden, is de zondebok tot zulke mythische proporties uitgegroeid dat ertegen moet worden opgetreden. En dan is oorlog in de ogen van de agressor geen misdaad meer maar een kwestie van overleven. En daarin vindt men dan, net zoals nu de Russen in Oekraïne, de rechtvaardiging voor de gruwelijkste barbarij.

De draaischijf van Lanoye is een meesterwerk. Zelden heb ik een roman gelezen waarin de volstrekte banaliteit van het kleine en het grote Kwaad zo wordt verbeeld.

De kluwen van uitdagingen waarvoor wij nu staan kent nauwelijks een parallel in onze geschiedenis. Europa krijgt een bescheidener plaats in de wereld; we moeten de klimaat- en biodiversiteitscrises zien te beheersen; covid en de gevolgen ervan zullen ons nog tijden bezighouden; we zitten in een industriële revolutie die qua impact op ons leven alleen te vergelijken is met de eerste industriële revolutie. Die heeft Europa en de wereld in de negentiende eeuw op tal van vlakken fundamenteel veranderd. En dan woedt er ook nog een gruwelijke oorlog op ons continent. Er is een Europa van voor 24 februari 2022 en een Europa van daarna. Rusland viel Oekraïne binnen. Ik heb die dag de collegevergadering bijgewoond, met mijn directoraat-generaal vergaderd, een Amerikaanse delegatie ontvangen en ‘s avonds gekookt voor mijn vrouw en de kinderen. Een historische gebeurtenis en de banaliteit van mijn bestaan. Zo vergaat het ons allemaal.

Vanaf het einde van de jaren negentig heeft Vladimir Poetin gezocht naar een manier om Rusland weer trots, zelfvertrouwen en het gevoel van collectieve lotsbestemming te geven. Hij verzon een cocktail van waarden en symbolen uit tsaristisch Rusland, de Sovjet-Unie en vormen van moderniteit, op een bedje van orthodoxie. Hij gaf de kerk de plaats die ze had als instrument van de staat, zoals ooit bedacht door Peter de Grote. De kerk speelde die rol graag, in ruil voor invloed, rijkdom en een paar speerpunten, zoals het actief stimuleren van homohaat. Die hele constructie was een kunstmatige methode om macht te verwerven, ze te behouden en vervolgens het land ten behoeve van de eigen kliek leeg te roven. Het was cynisch maar effectief. Rusland en de Russen vonden hun mojo ook weer. Maar de prijs was hoog, heel hoog. De faustiaanse deal – jullie geven mij je vrijheid, en ik geef er stabiliteit en wat welvaart voor terug – raakte uitgewerkt, waardoor een steeds grotere repressie nodig was. En natuurlijk moesten er zondebokken worden aangewezen, die natuurlijk steeds grotere proporties aannamen en steeds bedreigender werden. En zo kwam er oorlog.

Als ik in de afgelopen dertig jaar een ding geleerd heb, is het dat veel fouten die wij maken het gevolg zijn van ons tekortschietende voorstellingsvermogen. Toen ik aan het einde van de zomer van 1991, na het mislukken van de staatsgreep, vanuit Moskou aan Den Haag wilde schrijven dat de Sovjet-Unie weleens uit elkaar zou kunnen vallen, hebben mijn bazen, die het zeer goed met mij voor hadden, mij tegen mijzelf beschermd door het bericht niet uit te sturen. Ik zou voor gek zijn versleten en een vroegtijdig einde aan een mogelijk belovende diplomatencarrière hebben ingeluid. Ik accepteerde hun oordeel, dus ik sta hier niet mijn gelijk te halen, integendeel. Het was mijn Urquhart-moment.

Als we in deze tijden in staat willen zijn meesters van onze eigen lotsbestemming te blijven, moeten wij ons collectieve voorstellingsvermogen mobiliseren en stimuleren. En er is geen belangrijker plek dan de universiteit om daar de grondslagen voor te leggen. De beste manier daarvoor is toegeven aan onze nieuwsgierigheid naar anderen en het vreemde, en onze ontevredenheid over de dingen zoals ze zijn. Nieuwsgierigheid en ontevredenheid, vertelde Simon Perez mij eens, zijn de drijvers van vooruitgang. Ons vermogen om ons te verplaatsen in een ander zal bepalend zijn voor succes. Dat vermogen staat onder grote druk: het andere, het vreemde boezemt in tijden van onzekerheid eerder angst in dan dat het de nieuwsgierigheid stimuleert. En ik denk dat het internet en de informatiesamenleving dat alleen nog maar heeft versterkt. Niets is makkelijker dan je op te sluiten in een bubbel met mensen die allemaal jouw mening delen. De nobele kunst van het goed met elkaar van mening verschillen dreigt te verdwijnen, en daarmee ook de basis van onze democratische rechtsstaat.

Wie zijn voorstellingsvermogen de ruimte geeft, zal grenzen verleggen. Wat onvoorstelbaar lijkt, is het niet langer, wat onmogelijk schijnt, blijkt toch mogelijk te zijn. Literatuur, kunst, cultuur zijn in dat verband geen luxe, maar essentieel bij het doorgronden van de mensensoort en waartoe zij collectief en individueel in staat is. Humaniora, dames en heren. Humaniora. Nog zo veel wetenschap kunnen wij stimuleren, nog zo veel harde feiten, nog zo veel natuurkunde, scheikunde. Maar de humaniora leert ons naar andere mensen te kijken, onszelf te kennen en de relaties met andere mensen op een vreedzame manier te definiëren. Dat gaat niet zonder humaniora. Dat gaat niet zonder taal. Dat gaat niet zonder literatuur. Dat gaat niet zonder kunst.

Recent is een absoluut meesterwerk van Tom Lanoye verschenen: De draaischijf. Zelden heb ik een roman gelezen waarin voor ons en in ons taalgebied de volstrekte banaliteit van het kleine en het grote Kwaad wordt verbeeld van mensen die tastend zoeken naar een manier om oorlog en bezetting door te komen. Dit is een roman waarin je niet ontkomt aan de vraag: ‘Wat zou ik nou hebben gedaan?’ Dat is heel knap van Lanoye. Met het meesterlijk beschrijven van de zwakheden van zijn personages dwingt hij ons tot een confrontatie met onze eigen zwakheden, waardoor hij ons de kans geeft erbovenuit te groeien. Alleen door het menselijk tekort in onszelf te herkennen en erkennen, in al zijn lelijkheid en banaliteit, kunnen we onszelf en elkaar recht doen en kunnen we, naar mijn stellige overtuiging, de collectieve wil mobiliseren om er samen het beste van te maken. Waarin we niemand achterlaten, niemand tot zondebok bestempelen, en iedereen in haar en zijn waarde laten.

Frans Timmermans

– 1961 geboren in Maastricht

– 1998 komt voor de PvdA in de Nederlandse Tweede Kamer

– Staatssecretaris en minister in de regeringen Balkenende IV en Rutte II

– Zat in de Europese Conventie die de Europese grondwet voorbereidde

– 2014-2019 Europees commissaris, o.a. van Rechtsstatelijkheid en het Handvest van de grondrechten

– 2014 vicevoorzitter Europese Commissie

– 2019 wordt Europees commissaris voor de Green Deal

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content