‘Als ze komen om onze boten aan te vallen, zullen we alles inzetten om ons te verdedigen’

Afrikaanse bootvluchtelingen in Libië © Reuters
Joanie De Rijke
Joanie De Rijke Medewerkster Knack

Sinds de dood van Muammar Khaddafi bloeit de vluchtelingenindustrie in Libië als nooit tevoren. Hoewel de meerderheid van de duizenden migranten vastbesloten is om ooit in Europa te raken, hoor je ook andere stemmen. ‘Ik keer terug naar mijn land. Europa is voorgoed verleden tijd.’

Volle maan boven de haven van Misrata. Op de kade zit een zeventigtal vluchtelingen achter elkaar in een rij op de grond. De knieën opgetrokken, de handen rustend op de schouders van de man voor hen. Orders van de Libische bewakers. In het donker nemen die geen risico’s. Niemand zegt iets. Gelatenheid heerst. Op een teken van de bewakers komen ze overeind. Een voor een mogen ze vertrekken, telkens op een meter afstand van elkaar. Aan het begin van de kade wacht een bus. En dan het detentiecentrum. Hun tocht naar een beter leven in Europa is voorbij. Ze zijn terug bij af.

De mannen zijn de laatsten van de ruim 450 Afrikaanse immigranten die de Libische kustwacht vanmorgen vroeg aantrof op zee. Verspreid over zes zelfgemaakte rubberen boten dobberden ze rond. De hele groep werd aan boord gehesen en terug naar het vasteland van Libië gebracht. De desillusie droop van de gezichten toen we ze een paar uur later zagen aankomen. Hun droom aan flarden. Voor sommigen al voor de tweede, soms zelfs derde keer.

De kustwacht stond er trots bij te kijken. Ze heeft maar twee geleende sleepboten – hun eigen schip wordt gerepareerd – en Europa doet minnetjes over de inzet van de Libiërs bij het opsporen van bootvluchtelingen, maar in Misrata lachen ze er niet mee.

De stad van een half miljoen inwoners heeft een grote haven en ligt aan de westkant van het verdeelde Libië, waar vorige zomer de Dageraad-coalitie de macht greep en een eigen regering vormde in de hoofdstad Tripoli: het Algemeen Nationaal Congres.

In de nieuwe regering zitten Moslimbroeders en islamitische milities. Aan de oostelijke zijde van het land zwaait de internationaal erkende regering in Tobruk de scepter met premier Abdullah Al-Thinni aan het hoofd. Dit parlement werd in juni 2014 verkozen, maar moest zich terugtrekken in Tobruk nadat de milities van de Dageraad de verkiezingsuitslag niet aanvaardden en in opstand kwamen. De Tobruk-overheid wordt gesteund door generaal Khalifa Haftar, voormalige Khaddafi-aanhangers en de nationalistische Zintanmilities.

Abdullah al-Thinni
Abdullah al-Thinni© Belga Image

Maar de oorlog in het verscheurde Libië is meer dan een strijd tussen islamisten en anti-islamisten. Een complexe stammencultuur domineert de samenleving. De stammen bestrijden elkaar om de lokale macht, grond en financieel gewin, zonder zich iets aan te trekken van de oorlog tussen de twee regeringen. Zo breken er geregeld gevechten uit tussen milities die dezelfde overheid steunen. Intussen maken jihadisten van Ansar Al-Sharia en de Islamitische Staat gebruik van de algemene chaos om ook een poot in het Libische zand te zetten.

In zulke onstabiele tijden is het geen wonder dat een netwerk van smokkelaars een enorme vluchtelingenindustrie kon opbouwen. Ten tijde van dictator Muammar Khaddafi werd de immigrantenstroom uit Afrika aan banden gelegd door strikte afspraken met Italië. En de zuidgrens van Libië werd bewaakt door de daar dominerende Afrikaanse Touboustam. Maar sinds de dood van de leider werden de deuren naar Europa weer wijd opengegooid.

We hoeven geen geld, we hebben materiaal nodig

De enorme aantallen vluchtelingen die vanuit Libië per boot de Middellandse Zee opgaan, zijn intussen overal bekend. Ondanks de gruwelverhalen over honderden doden slaagt het merendeel van de migranten erin levend overkant te halen. En dus blijven ze het proberen. Vooral via het westen van Libië. Vanaf de stad Zuwara, niet ver van de Tunesische grens, tot aan Misrata – waardoor de verantwoordelijkheid op de schouders van de regering in Tripoli rust. Zij heeft met de voortwoedende burgeroorlog wel iets anders aan haar hoofd dan de jacht op immigranten, maar kan er door de internationale media-aandacht niet omheen. Alle ogen zijn gericht op Libië.

De commandant van de kustwacht in Misrata voert met zijn korps van 430 man de forcing. Hij stuurt zijn mannen alle dagen de territoriale wateren op, in de hoop dat de wereld begrijpt dat ze in Misrata wel degelijk doen wat ze kunnen. Dat de kustwacht geregeld de andere kant op kijkt als er een vluchtelingenboot passeert en mee profiteert van de migrantenindustrie, wordt in Misrata met klem ontkend.

Commandant Reda Essa heeft de leiding over de kustwacht van de ‘centrale sector’ in Libië, zoals hij het noemt. ‘Ik beweer niet dat alles vlekkeloos verloopt. Maar wij vinden de mensensmokkel een dirty business, we willen er niet aan meewerken. Met onze beperkte middelen proberen we onssteentje bij te dragen, om humanitaire redenen. Maar we zijn gebonden. Ik denk dat we hooguit 15 procent van de immigrantenstroom opsporen. Als ik meer en snellere boten had, dan kon ik 50 procent tegenhouden. Is dat een druppel op een hete plaat? Ik dacht het niet. Mijn vraag aan Europa is dan ook: geef ons de middelen. We hoeven geen geld, we hebben materiaal nodig. Helaas aarzelt Europa vanwege de politieke situatie, het laat ons aanmodderen.’

Die onwillige houding is deel van het probleem, vindt de commandant. ‘Wij van de kustwacht werken allemaal samen, van Benghazi tot Zuwara, los van de huidige toestand. De reden dat Europa niet wil helpen, houdt dus geen steek. In plaats daarvan komen ze af met onrealistische plannen om de smokkelaarsboten voor onze kust kapot te schieten. Terwijl er niet zoiets bestaat als een smokkelaarsvloot. De boten waarmee immigranten oversteken zijn ofwel zodiacs die met de hand worden gemaakt in Tunesië, ofwel vissersboten. De vissersboten worden wel degelijk gebruikt door de vissers. Het gaat om hun inkomen, ze kunnen niet zonder. Maar na een aantal maanden verdwijnt de boot plots. Verkocht aan iemand in een andere stad, zeggen de vissers dan. Bewijzen dat de boot naar een smokkelaar is gegaan, zijn er niet. Het heeft weinig zin om die vissersboten uit te schakelen, want daarmee raak je direct aan het inkomen van de vissers. Bovendien zal niemand in Libië aanvaarden dat Europa de boel aan diggelen komt schieten. Dat wordt als een regelrechte inbreuk op onze soevereiniteit beschouwd. In plaats van ze te vernietigen, kan Europa de oude vissersboten beter opkopen. Zo voorkomen we dat de vissers hun boten aan de smokkelaars verpatsen.’

Europa moet ons steunen met de beveiliging van de grens, want dáár begint het probleem, niet op het moment dat de immigranten aan de oversteek op zee beginnen.

En dan is er nog het probleem van de zuidgrens van Libië. ‘Europa moet ons steunen met de beveiliging van de grens, want dáár begint het probleem, niet op het moment dat de immigranten aan de oversteek op zee beginnen. Iedereen jammert over de doden op zee, niemand heeft het over de duizenden vluchtelingen in de woestijn. Die worden gedropt door de smokkelaars zonder dat er verder naar hen wordt omgekeken. Een aantal sterft door droogte en gebrek aan water en voedsel. Europa heeft er alle belang bij om dit probleem mee aan te pakken, want ook de IS komt via de immigrantenstroom op zee Europa binnen. We hebben dringend nood aan steun, aan training, en aan samenwerking bij reddingsoperaties. Van Europa, en van Italië in het bijzonder.’

'Als ze komen om onze boten aan te vallen, zullen we alles inzetten om ons te verdedigen'
© Belga Image

Van kapitein Muftah Balta horen we hetzelfde verhaal. We varen 24 uur mee op de Farwah, een van de geleende sleepboten die de kustbrigade van Misrata gebruikt om de zee af te schuimen, op zoek naar vluchtelingen. Hun terrein strekt zich uit van Misrata tot aan Tripoli, een traject van 200 kilometer. Bedoeling is dat we voorbij de stad Khoms varen en dan telkens van de kust zo’n 50 kilometer noordwaarts de zee opgaan.

Tegen zonsondergang komt een boot in zicht zonder vlag en zonder naam. Vluchtelingen? ‘OfItalianen die weer eens op onze territorialewateren vissen’, zegt Balta grimmig. Meteen worden de wapens bovengehaald. Midden op het dek staat een oude jeep, afkomstig van debrigade die Khaddafi doodde. Op de laadbakvan de auto staat een groot afweergeschut.Twee bemanningsleden rollen het plastic van het wapentuig en zetten zich in positie. De bootsman tuurt met een mitrailleur in de hand door de verrekijker. ‘We gebruiken de wapens echt niet tegen de immigranten’, benadrukt kapitein Balta. ‘Maar je weet nooit wie er aan boord zit.’ De spanning stijgt terwijl de bootnadert. Het blijkt loos alarm. Boot en bemanning zijn van Libische afkomst, ze brengen werknemers van Khoms naar deelektriciteitscentrale vlak bij Sirte.

We varen verder. De uren verstrijken. Geen vluchteling of illegale Italiaanse visser te bekennen deze nacht.

We blijven het proberen, tot het lukt of tot we sterven

Tegen de ochtend passeren we een vlot met een paar brandstoftanks en flesjes water die wonderlijk genoeg nog altijd overeind staan. ‘Het lijkt op de bodem van een zelfgemaakte zodiac’, zegt de kapitein. ‘Misschien is de rest van de boot kapotgegaan en zijn de inzittenden verdronken. Maar het kan evengoed een vlot zijn met bevoorrading voor immigranten. Soms hebben ze brandstof mee voor hooguit 90 kilometer, soms voor een veel langer traject. Vaak is de boot stilgevallen als we ze vinden. De passagiers zitten doodstil omdat hun is gezegd dat ze zich zo min mogelijk mogen bewegen. Als we ze vinden, zijn ze op van de stress. Niemand van hen kan zwemmen. Degene die de boot bestuurt, weet net genoeg om de boel overeind te houden, maar daar houdt het op. En toch, ondanks de angst zijn ze vastberaden. Negentig procent van de vluchtelingen die we vinden, wil terug naar Europa. “We blijven het proberen, tot het lukt of tot we sterven”, dat is de teneur.’

Dat de regering geen prioriteit maakt van het vluchtelingenprobleem blijkt ook in Zuwara, bekend als hét smokkeloord van Libië. De Amazigh, of Berbers die hier wonen, houden zich al jaren bezig met het illegale immigrantentransport over zee. Zuwara ligt het dichtst bij Lampedusa, zo’n 300 kilometer noordwaarts. Vanaf de zandstranden – rotsen zijn hier niet – is het heel makkelijk om snel de zee op te gaan. Als er ergens opgetreden moet worden tegen de vluchtelingenstroom, is het hier.

Maar er gebeurt zo goed als niets. De kustwacht van Zuwara heeft welgeteld één kleine zodiac ter beschikking. ‘Daar kunnen we niets mee’, verzucht Daniël Al-Atushi, assistent-chef van de brigade. Hij wijst op het bootje, verscholen achter een groter exemplaar waardoor het ding nog nietiger lijkt. ‘We krijgen totaal geen steun van de regering in Tripoli. Behalve het etiket “kustwacht” hebben we niets. Met dit bootje moeten we 77 kilometer kust bewaken.’

De boot vooraan mogen ze lenen van een scheepvaartbedrijf. Die is goed om drenkelingen uit zee te redden zodat ze niet verdrinken, maar verder heeft het volgens Al-Atushi allemaal weinig zin. ‘Sinds februari 2015 hebben we duizend bootvluchtelingen opgepikt. We brengen ze terug aan wal, maar dan begint het probleem pas. Want er is geen onderdak, voedsel of medische hulp voorzien voor pakweg honderd mensen tegelijk. We geven ze brood en water uit eigen zak. Als we na drie dagen geen respons van de overheid in Tripoli krijgen, moeten we de vluchtelingen noodgedwongen weer laten gaan. Dat is zacht gezegd niet erg motiverend. We komen dezelfde mensen vaak opnieuw tegen. Zodra ze zijn vrijgelaten, gaan ze opnieuw aan het werk. Tot ze genoeg geld bijeen hebben voor een tweede poging. Dan pakken we ze opnieuw op. En moeten ze opnieuw laten gaan. Waanzin is het.’

'Als ze komen om onze boten aan te vallen, zullen we alles inzetten om ons te verdedigen'
© Belga Image

Het gemiddelde bedrag dat hier wordt betaald voor de oversteek ligt rond de 1000 dollar (900 euro), horen we van verscheidene bronnen. De meeste vluchtelingen zijn al maanden, soms jaren in Libië. Ze wonen met een hele groep in één kamer en staan dagelijks langs de weg, waar ze worden opgepikt voor werk. Meestal gaat het om schoonmaakklussen, het laden en lossen van vrachtwagens, of een job in de bouw. De uitbuiting is groot, soms wordt er helemaal niets uitbetaald.

Zuwara is een kleine stad met 40.000 inwoners. Het kan niet anders dan dat de kustwachtdegenen kent die zich hier met de smokkel bezighouden. De harde kern zou uit hooguit negen man bestaan, zegt Al-Atushi. Waarom die dan niet worden opgepakt, weet hij niet. ‘Vraag dat maar aan mijn baas.’ Die wacht op ons in zijn bureau aan de haven en legt uit dat ‘een aantal groeperingen baat heeft bij de chaos en de smokkel in het land’. Hij doelt onder andere op de moslimextremisten, al geeft hij dat niet direct toe. Over de invloed van de Islamitische Staat op de smokkel doen veel verhalen de ronde, maar hard bewijs is er niet. ‘Ze pikken er hier en daar ongetwijfeld een graantje van mee’, zegt Hafed Muammar, hoofd van de veiligheidsdiensten in Zuwara. ‘En dat zal alleen maar toenemen als er niets gebeurt.’ De harde kern van smokkelaars uit Zuwara is volgens de man moeilijk op te sporen omdat ze deel uitmaken van een ‘keten’. Ze opereren – uiteraard – onder valse namen, wisselen constant van telefoonnummer en zijn even grillig als een bootje op de Middellandse Zee bij zwaar weer. ‘Als je er één oppakt, staan er tien anderen klaar om zijn plek op te vullen.’

Meestal is de kustwacht op de hoogte als er een grote groep mensen vertrekt, en dat laten ze gewoon gebeuren.

De ex-smokkelaar die we later via Skype spreken, lacht honend als we het over de kustwacht van Zuwara hebben. ‘Ze doen helemaal niets. Af en toe pakken ze een paar mensen op van zee, dat klopt. Maar meestal zijn ze op de hoogte als er een grote groep mensen vertrekt, en dat laten ze gewoon gebeuren. De Amazigh hebben hun eigen taal, gewoontes en milities. Vanaf Zuwara tot aan de grens met Tunesië zijn zij de baas. Ze trekken zich niets aan van de overheid in Tripoli, laat staan van Europa. Smokkel brengt geld op, en dat hebben ze hard nodig, onder andere om zich te bewapenen. Ten tijde van Khaddafi hielden we ons hier al bezig met illegaal immigrantentransport. Amazigh zijn goede zeelui en bekwame vissers. Ze kennen de kust en het water als hun broekzak. Ik heb zelf gesmokkeld, onder Khaddafi en daarna. Mijn klanten verzamelden zich op een plek aan het strand en vertrokken in het donker, na 10.00 uur’s avonds. Ik werkte met houten boten en zodiacs. Tegenwoordig proppen ze de boten steeds voller omdat de prijzen dalen. Ik heb dat nooit gedaan, een boot overvol geladen. Maar ook ik was lang niet altijd zeker of mijn klanten het zouden halen, moet ik toegeven. Soms lag er verderop in zee een grotere vissersboot klaar om de vluchtelingen over te nemen. Maar meestal was het de bedoeling dat ze zouden arriveren met dezelfde boot waarmee ze vertrokken. Ik gaf altijd een satelliettelefoon en zwemvesten mee. Ze kenden de risico’s, het was te nemen of te laten. Ik heb me nooit verantwoordelijk gevoeld, ik voorzag in een dringende behoefte.’

'Als ze komen om onze boten aan te vallen, zullen we alles inzetten om ons te verdedigen'
© Belga Image

Over geld wil de man niet spreken. Hij is gestopt ‘om familiale redenen’. Intussen maakt hij zich zorgen om de plannen van Europa: ‘Als ze komen om onze boten aan te vallen, zullen we alles inzetten om ons te verdedigen. Europa kan zich beter bezighouden met de situatie in de landen van herkomst. Investeren in onderwijs, economische vooruitgang… Nu is het dweilen met de kraan open. De detentiecentra zitten overvol. Hoe meer je er opent, hoe sneller ze vol raken. Als opsluiting het enige alternatief is dat Europa kan bieden, dan ziet het er somber uit.’

Het grootste detentiecentrum van Libië heet Kararim en ligt op 40 kilometer ten oosten van Misrata. Van buitenaf is het al duidelijk dat er onmogelijk 1050 mensen in zo’n klein gebouw kunnen verblijven. Maar ze zitten er. Opeengepakt als vee.

In de lange gang op de benedenverdieping hangen, staan en liggen een paar honderd mannen. Ze drommen om ons heen. Willen allemaal vertellen hoe graag ze weg willen. ‘Het is een hel’, klinkt het telkens. ‘We kunnen niet naar buiten, hebben niet genoeg plaats om allemaal tegelijk te slapen. Wie zich verzet, wordt afgeranseld.’

De 500 mensen op de verdieping – onder wie een klein aantal vrouwen – hebben vier toiletten die ze moeten delen. Op de grond liggen vuile kussens en dekens. Velen hebben schurft en zitten vol luizen en vlooien. In de grote kookpot op de gang pruttelt een groene brei. Erwten. Dat is het enige wat ze krijgen. Dag in, dag uit. Ze komen van overal. Ghana, Niger, Tsjaad, Senegal, Egypte, Nigeria, Ethiopië, Eritrea… Of we hun regering alsjeblieft kunnen verwittigen, horen we van de 55 Egyptenaren die hier al weken vastzitten. En van de 100 Senegalezen. Opvallend vaak klinkt de wens om terug naar huis te keren. ‘Europa hoeft niet meer, ik ben mijn geld kwijt, ik kan niet verder’, zegt Abu Rashid uit Nigeria. ‘Eigenlijk heet ik niet Rashid’, fluistert hij. ‘Ik ben christen, maar dat durf ik niet te zeggen. Sinds de Moslimbroeders aan de macht zijn, gaan de verhalen rond dat ze alleen moslims helpen.’

Ook de 100 Senegalezen zweren bij hoog en bij laag dat ze terug naar hun land willen. ‘We hebben het gehad. Over Europa horen we steeds meer negatieve verhalen. Dat het zo moeilijk is om er werk te vinden, en dat de overtocht levensgevaarlijk is.’

De bedragen om vanuit het land van herkomst tot in het zuiden van Libië te worden gedropt, variëren van 300 tot 1500 euro. En dan moeten ze nog zo’n 900 euro neerleggen voor de tocht op de Middellandse Zee. Hun familie heeft zich vaak in de schulden gestoken om het eerste bedrag te kunnen betalen. Kapitein Balta van de kustwacht mag dan beweren dat 90 procent per se naar Europa wil, hier horen we een ander verhaal. Behalve de Eritreeërs, die zitten helemaal in de penarie. De situatie in hun land, waar leider Isaias Afewerki met harde hand regeert, is zo barslecht dat niemand terug wil. Wie het land verlaat zonder visum, riskeert de doodstraf bij terugkeer. ‘Maar dit centrum is even erg’, vinden de Eritreeërs.

We slaan ze soms. Maar we kunnen niet anders

‘We slaan ze soms’, geeft manager Saleh Abu Dubos toe. ‘Maar we kunnen niet anders. Door het gebrek aan slaap, de warmte en de verveling loopt de spanning vaak hoog op. Sommigen slaan door en worden heel agressief. We doen wat we kunnen om het verblijf hier zo menselijk mogelijk te maken. Maar we krijgen geen steun, van niets of niemand. Voor de oorlog zaten de mensen hier hooguit twee maanden. Nu zijn alle ambassadeurs weg en moeten we werken met de ministeries van Buitenlandse Zaken om de papieren in orde te krijgen. Niet elk land is daar even vlot in. Het gevolg is dat mensen een half jaar of langer moeten blijven. We vragen dringend hulp aan de Verenigde Naties, want de toestand is mensonterend, dat beseffen we maar al te goed.’

De internationale staf van de UNHCR, het Vluchtelingenagentschap van de VN, is uit Libiëweggegaan om veiligheidsredenen en werkt nu vanuit Tunis. Er zijn wel nog twee kleine lokale teams actief in Libië, maar die doen niet veel.

De 450 bootvluchtelingen die we aan de kade van Misrata hadden opgewacht, worden naar een soortgelijk detentiecentrum als Kararim gebracht. De meesten zullen er maanden moeten blijven.

‘Nooit gedacht dat ik zo zou verlangen om terug naar huis te gaan,’ zegt Farouk Saddick uit Ghana. ‘Maar het is zo. Ik heb het twee keer geprobeerd met de boot. Nu kan ik niet meer. Ik ben 25 jaar, ik zat vol hoop op een beter leven. Ik wou studeren en werken. Maar het is genoeg geweest. Europa is voorgoed verleden tijd.’

Partner Content