Opinie

David De Pue

‘We kunnen voedsel produceren met minder impact op het milieu, waarom zouden we die kans laten liggen?’

David De Pue Milieuwetenschapper, onderzoekernt

‘Waarom zouden we de kans laten liggen om door innovatie stappen te zetten om de milieudruk van de landbouw nog verder te verminderen?’ schrijft milieuwetenschapper David De Pue (UGent). Hij reageert op een opinie van europarlementslid Bart Staes over nieuwe moleculaire veredelingstechnieken in de landbouw.

In een gisteren gepubliceerd opiniestuk op Knack.be heeft Bart Staes, Europees parlementslid voor Groen, het over de op handen zijnde beslissing van het Europees Hof van Justitie aangaande nieuwe moleculaire veredelingstechnieken in de landbouw. Het betreft onder andere het ‘gene editing’ mechanisme CRISPR-Cas9, dat toelaat om gerichte veranderingen aan te brengen in het DNA. Morgen wordt bekendgemaakt of de Europese rechters van mening zijn dat dergelijke technieken onder de GGO-wetgeving vallen of niet.

De Morgen pakte gisteren uit met het verhaal dat het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) een veldproef uitvoert met maïs die doormiddel van CRISPR-Cas9 werd veredeld. De Federale Regering, die de toestemming verleende voor de veldproef, wachtte niet op de Europese uitspraak van morgen. Het gaat dus over de kwestie of CRISPR-Cas9 gewassen en andere vormen van precisieveredeling als ‘genetisch gewijzigd organisme’ moeten worden beschouwd. Voor Bart Staes is het alvast duidelijk: ook nieuwe moleculaire veredelingstechnieken verdienen de stempel GGO, en dienen dus onder de bestaande strenge wetgeving te vallen.

We kunnen voedsel produceren met minder impact op het milieu, waarom zouden we die kans laten liggen?

Die strenge Europese GGO-wetgeving verplicht de aanvrager tot het uitvoeren van rigoureuze veiligheidsstudies, die het proces van ontwikkeling in het labo tot toepassing in het veld enorm vertragen en ontzettend kostelijk maken. Zo kostelijk dat enkel de grote bedrijven, van het genre Bayer en Syngenta, bij machte zijn om GGO-gewassen ‘van lab tot veld’ te ontwikkelen. Bovendien moeten GGO-gewassen traceerbaar zijn en dienen ze te worden geëtiketteerd. Dat men vanuit de industrie lobbyt om de nieuwe precisieveredelingstechnieken (New Breeding Techniques, NBT) niet onder GGO-wetgeving te laten vallen, is begrijpelijk: de Europese GGO-wetgeving is zo restrictief dat er nauwelijks GGO’s-aanvragingsdossiers lopen en dat er vandaag maar 1 GGO in het veld staat in Europa: de insectresistente maïs MON810, ontwikkeld door biotechreus Monsanto.

Een meer soepele regelgeving voor nieuwe veredelingstechnieken zou kansen bieden voor bedrijven: niet enkel voor de grootste spelers op de markt, maar ook voor innovatieve KMO’s en universitaire spin-offs. Dat ook het VIB zich achter die positie schaart is evenmin verwonderlijk: het verstikkende wetgevende kader bedreigt niet enkel de industrie, maar ook het publiek onderzoek naar GGO’s. Met biotech-pioniers Schell en Van Montagu, de grondleggers van genetische modificatie in planten, en het excellente plantenonderzoek dat vandaag nog aan het VIB in Gent gebeurt, hebben we in Vlaanderen nochtans een traditie in het plantenonderzoek die we zouden moeten koesteren.

Semantische kwestie

Ik geef Bart Staes gelijk dat het al dan niet plaatsen van New Breeding Techniques binnen de categorie ‘GGO’ een semantische kwestie betreft. Maar zoals het een semantische discussie betaamt, is het goed de vraag ‘What’s in a name?‘ te stellen. Volgens de Europese regelgeving is een GGO ‘een organisme waarvan het genetisch materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is’. Daar vallen onder andere gewassen in waarvan een gen werd ingebracht via de bacterie Agrobacterium.

Deze techniek, ontdekt door onder andere Schell en Van Montagu, maakt gebruik van een in de natuur voorkomend mechanisme waarbij de bacterie een stukje DNA in het genoom van een plant overbrengt. Op zich is de techniek dus gebaseerd op een natuurlijk proces. Ook de CRISPR-cas9 techniek gaat uit van een mechanisme dat eerst bij bacteriën werd waargenomen. Daar staat tegenover dat bijna alle landbouwgewassen die we vandaag eten tot stand zijn gekomen doormiddel van doelbewuste veredeling, via wat Charles Darwin ‘kunstmatige selectie’ noemde, in contrast tot natuurlijke selectie.

Zonder zorgvuldige kunstmatige selectie door de oorspronkelijke bewoners van Midden-Amerika zou het kleine plantje teosinte nooit zijn geëvolueerd tot de maïsplant van vandaag. Hetzelfde geldt voor bloemkool, rode kool, savooikool, broccoli en alle andere koolsoorten die allemaal door veredeling uit een klein wild koolplantje zijn voortgekomen. De vraag is dus of de huidige Europese definitie van een Genetische Gewijzigd Organisme een afdoende onderscheid maakt tussen een GGO-gewas en een ‘conventioneel’ gewas. Het grote verschil tussen traditionele veredeling en moleculaire veredeling is dat dit laatste verder op de technologische ladder staat. Waar bij klassieke veredeling bijvoorbeeld bestraling werd toegepast om spontane mutaties voort te brengen in het DNA van de plant, laat Agrobacterium-transformatie toe om een bekend gen in het plantengenoom in te brengen. Precisieveredeling gaat nog een stap verder, omdat het toelaat om heel specifieke veranderingen aan te brengen op gekende plaatsen in het DNA van de plant.

Wetenschappelijke nuchterheid

Los van de semantiek gaat het natuurlijk over de kwestie of de methode van veredeling van tel is als we kijken naar de impact op het milieu of de gezondheid. Uit talloze wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat GGO’s geen significante invloed hebben op noch het leefmilieu, noch de menselijke gezondheid. Dat neemt niet weg dat specifieke GGO-toepassingen, zoals het veelvuldig gebruik van glyfosaatresistente gewassen, problemen kunnen veroorzaken, in dit specifieke geval resistente onkruiden (het gevolg van overmatig gebruik van glyfosaat, niet het gevolg van de GGO an sich). Ook traditionele gewassen hebben negatieve effecten: in de conventionele katoenteelt wordt ontzettend veel insecticide gebruikt, een probleem waar BT-katoen, een genetische gemodificeerd katoen dat zelf een insecttoxine produceert, een antwoord op biedt.

De moraal van het verhaal is dat het niet de veredelingswijze, maar de toepassing is die van belang is bij het uitvoeren van risico- en impactanalyses.

Ook voor conventionele gewassen geldt dat er bepaalde risico’s zijn: er is niemand die er vandaag aan twijfelt dat het consumeren van tabak schadelijk is voor de gezondheid, en daar heeft de veredelingswijze van de tabak niets mee te maken. De moraal van het verhaal is dat het niet de veredelingswijze, maar de toepassing is die van belang is bij het uitvoeren van risico- en impactanalyses.

Bij die analyses kunnen we ons beter laten leiden door een wetenschappelijke nuchterheid dan door het voorzorgsprincipe: bij strikte toepassing van dit laatste zouden we vandaag de dag misschien niet met smartphones rondlopen, of zouden er geen microgolfovens in onze keukens staan. In die zin is het niet voldoende om NBTs buiten de GGO-wetgeving te houden, maar is een complete herziening van de Europese GGO-wetgeving noodzakelijk, een standpunt dat ook de KVAB (Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten) bepleit.

Kansen

In zijn opiniebijdrage werpt Staes op dat voorstanders beweren dat we GGO’s nodig hebben om honger in de wereld te bestrijden. Los van het feit dat ik betwijfel of dat argument nog vaak gebruikt wordt, is het uiteraard niet zo dat we GGO’s nodig hebben om de wereld te voeden, maar waarom zouden we niet gebruik maken van de modernste veredelingstechnieken om voedsel te produceren met minder externe inputs zoals pesticiden, meststoffen en water?

Waarom zouden we de kans laten liggen om door innovatie stappen te zetten om de milieudruk van de landbouw nog verder te verminderen? Overigens is herbicide-tolerantie of insecticide-productie die in het stuk als voorbeeld worden aangehaald slechts een klein deel van het verhaal van de moderne plantenbiotechnologie.

Het is nooit een schande om je mening bij te stellen, niet als wetenschapper en ook niet als politicus.

Denk maar aan de virusresistente Papaya ontwikkeld met publieke middelen om de Papayateelt in Hawaï van de ondergang te redden, of zogenaamde ‘Gouden Rijst‘, met bètacaroteen verrijkte rijst om vitamine A-tekort bij Aziatische kinderen tegen te gaan. Dat Staes bovendien zo ver gaat om ook biologische wapens bij de discussie te betrekken, is volgens mij wraakroepend. Alsof wetenschappers roekeloos de eerste beste genetische gewijzigde mug, bacterie of wat dan ook in het milieu zouden loslaten.

Meneer Staes klopt zich op de borst dat hij niet ‘anti-wetenschap’ is. Het helpt natuurlijk niet als je nieuwe veredelingstechnieken afdoet als ‘speeltjes’ van wetenschappers, alsof de onderzoekers kinderen zijn die met vuur spelen. Van mij mag Bart Staes gerust de Europese lijst van Groen trekken in 2019, daar heb ik als niet-lid van Groen niets over te zeggen. Ikzelf zal voor die verkiezingen dan echter niet op Groen stemmen, voor het eerst in 12 jaar persoonlijk stemrecht. Tenzij meneer Staes van mening verandert en de wetenschap omarmt. Het is nooit een schande om je mening bij te stellen, niet als wetenschapper en ook niet als politicus. Om het met de woorden van Marc Van Montagu te zeggen, die ik enkele maanden geleden mocht interviewen voor Eos Blogs: ‘Iedereen zou op verschillende momenten moeten inzien dat hij iets over het hoofd zag bij het maken van een bepaald oordeel. We worden allen gefopt door onze eigen manier van denken, we zijn allemaal vooringenomen.’

Partner Content