Opinie

Fernand Keuleneer

Vreemdelingenwet Francken: ‘Principe is goed, maar de tekst zelf is een grap’

Fernand Keuleneer Advocaat bij de balie in Brussel

‘Hoewel ik het basisidee van de wet in principe niet verkeerd vind, is de tekst zelf een grap geworden’, schrijft Advocaat Fernand Keuleneer over de nieuwe, veelbesproken wet die de uitwijzing van vreemdelingen regelt.

Sommige bepalingen van het op 9 februari goedgekeurde wetsontwerp “met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken” hebben alweer de gemoederen beroerd en de pennen bewogen, zij het vrij laat. Hoewel ik de basisidee van de wet in principe niet verkeerd vind, is de tekst zelf een grap geworden. Is dit het “einde van de rechtsstaat” zoals weleens beweerd werd, of beleven we hier veeleer het zoveelste nummertje voor de Bühne?

Vreemdelingenwet Francken: ‘Principe is goed, maar de tekst zelf is een grap’

Het uitgangspunt van de nieuwe wet klinkt alvast stoer. Terugwijzing en uitzetting van een vreemdeling (d.i. eenieder die niet de Belgische nationaliteit heeft) die de openbare orde of veiligheid schaadt, waren al mogelijk, maar niet voor alle categorieën vreemdelingen. Vreemdelingen die in België geboren zijn, of in België toekwamen voor de leeftijd van 12 jaar en er sindsdien voornamelijk en op regelmatige wijze verbleven, konden tot nu toe nooit worden uitgezet. De nieuwe wet brengt hier verandering in. Vanaf nu kan om redenen van openbare orde of nationale veiligheid een einde gesteld worden aan het verblijf van elke vreemdeling, al dan niet hier geboren, en welke ook het ogenblik van aankomst of de duur van zijn verblijf.

Wat lezen we precies in de wet?

Voor sommige vreemdelingen is zo’n verblijfsbeëindiging mogelijk “om redenen van openbare orde of nationale veiligheid“. Voor anderen (bv voor hen die hier al meer dan 10 jaar verblijven) zijn “ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid” vereist. Het is enigszins verwonderlijk te noemen dat er niet-ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid zouden bestaan.

Maar wat zijn eigenlijk “redenen van openbare orde of nationale veiligheid”?

De begrippen worden in de wet niet gedefinieerd of nader bepaald, wat de idee kan wekken dat de minister of de administratie van de wetgever een ruime vrijheid gekregen hebben om ze zelf in te vullen. Maar dat is op zichzelf al een illusie, onder meer omdat er ter zake nogal wat rechtspraak is van het Europees Hof van Justitie (EHJ). En rechtspraak van supranationale rechters moet hier gevolgd worden want de supranationale orde heeft voorrang op de interne orde.

Zoals gezegd, voor de ene categorie van vreemdelingen zijn “gewone redenen” voldoende, voor een andere moeten ze “ernstig” zijn, of zelfs “dwingend”.

Wanneer zulke redenen bestaan, kan de betrokken vreemdeling evenwel slechts worden uitgewezen indien “het gedrag van de betrokkene (…) een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging (is) voor een fundamenteel belang van de samenleving“.

Let wel, doelbewust (zie memorie van toelichting) werd deze laatste voorwaarde, eveneens afkomstig uit de rechtspraak van het EHJ, niet opgenomen in de definitie van “redenen van openbare orde of nationale veiligheid“. De vraag rijst dus of een fundamenteel belang van de samenleving automatisch de openbare orde en nationale veiligheid in het gedrang brengt, dan wel of dit fundamenteel belang rechtstreeks verband moet houden met openbare orde en nationale veiligheid.

Een concreet voorbeeld: als de weigering van een handdruk beschouwd zou worden als een inbreuk op een fundamenteel belang van de samenleving (zie o.a. de “contractuele verplichtingen” van de nieuwkomersverklaring), laat zoiets dan een uitwijzing toe op basis van openbare orde? Of moet geargumenteerd worden dat er in dat geval misschien wel een fundamenteel belang op het spel staat (wat ik helemaal niet vind), maar dat zulks niets te maken heeft met openbare orde? Tja, voelt u mij komen? Het pad ligt wijd open voor activistische en wereldvreemde rechters.

De rechter zal beslissen

Zulks des te meer omdat men gemeend heeft een aantal interpretaties van het EHJ bijna verbatim in de wettekst te moeten opnemen, wat automatisch leidt tot een interpretatie van de interpretatie, of interpretatie tot de tweede macht.

Het werkt dan ook wat op de lachspieren in de memorie van toelichting (p. 26) te lezen over “de discretionaire bevoegdheid van de bevoegde overheid”, d.i. de mogelijkheid voor de politieke overheid of de administratie om naar eigen inzicht openbare orde of nationale veiligheid in te roepen en te bepalen in concrete dossiers.

Letterlijk niets is hier echter discretionaire bevoegdheid, behalve de interpretatie van de rechters, die al deze termen, die wellicht een plaats mogen hebben in een congrestekst maar best niet in een wettekst, noodgedwongen zullen moeten interpreteren.

En verliezen we vooral niet uit het oog dat tegen elke beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken (als gemachtigde van de Minister), beroep mogelijk is bij de zo verguisde Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RVV), die zijn eigen rechtspraak zal creëren, strikt binnen het kader uitgezet door het EHJ, Straatsburg, en een rits andere internationale rechtscolleges. De eindbeslissing, inclusief die over de interpretatie van al die vage termen, ligt dus bij de rechter. Het valt zeker niet uit te sluiten dat RVV de mogelijkheid van vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zal uitbreiden, als DVZ een koers zou volgen die RVV niet legaal of geoorloofd vindt. Wat sommigen dan weer de kans zal geven zich af te zetten tegen “de rechters”.

Verscheept naar welke grens?

En stel nu dat het allemaal lukt. De vreemdeling wordt uitgewezen. Dan kan hij, zoals nu ook al het geval is, “met dwang worden geleid naar de grens van zijn keuze” (bijvoorbeeeld, in sommige gevallen, ergens ten zuiden van Maastricht…) of “worden ingescheept voor een bestemming van zijn keuze (met enkele uitzonderingen).

Het valt te betwijfelen of veel Staten geneigd zullen zijn om een in België geboren vreemdeling zomaar tot hun grondgebied toe te laten, voor zover het al zou vaststaan dat de betrokkene hun nationaliteit heeft. En voor staatlozen is er al helemaal geen “repatriëring” mogelijk.

Eigenlijk is deze tekst dus een grap. Nòg een.

Maar dat betekent niet dat ik de basisidee van de wet principieel fout vind. Uiteraard geniet, zoals bepaald in art. 191 van de Grondwet, iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. En of de in deze wet ingeschreven procedure van beroep bij DVZ daaraan voldoet, is nog maar de vraag (nòg een vraag voor de rechter). Maar in mijn ogen verleent nationaliteit nog altijd een bijzondere status. Wie de Belgische nationaliteit niet heeft, hoeft niet in alle opzichten identiek behandeld te worden met wie ze wel heeft.

De mogelijkheid van een beslissing tot verwijdering van het grondgebied mag tot het beleidsarsenaal behoren. In welke mate daarvan gebruik gemaakt wordt, zal afhangen van politieke oriëntaties die voortvloeien uit democratisch tot stand gekomen keuzes, steeds binnen een wettelijk kader. Dat kan in de ene politieke constellatie strikter zijn, in de andere legislatuur (veel) minder strikt, en dat is op zichzelf zeker niet verkeerd. Alleen moet de regering dan uitdrukkelijk de politieke verantwoordelijkheid nemen, tolereren dat ze hard wordt aangepakt, en zich niet verschuilen, zoals nu, achter administraties zoals DVZ (“die het toch wel zullen weten zeker” hoorde ik op de radio) of… rechters.

Tarzaniaans imago verder opvijzelen?

En het moet ten slotte toch allemaal wat zin en effect hebben. Toegevoegde waarde, zegt men vandaag de dag. Als zo’n wet niet echt iets toevoegt, maar enkel bedoeld is om bij de achterban het tarzaniaanse imago verder op te vijzelen, zijn er toch ernstige bedenkingen te maken.

De echte en inderdaad dringende vraag is dus hoe de politiek beleidsmarge terugneemt, ook ten aanzien van rechters, zonder in een Trumpertantrum te vervallen, waarvan hier regelmatig toch enkele echo’s op te vangen zijn. Dat vereist een strategie, geen kretologie.

Partner Content