Uilen hebben in de loop der tijden speciale aanpassingen aan een nachtleven ontwikkeld. Maar wat gunstig is voor de ene soort, is dat niet noodzakelijk voor de andere.

Over mijn mooiste uilenwaarneming van de jongste jaren moet ik geen seconde nadenken. Vorig jaar nodigde een vriend-vogelkijker me uit om in een nat en niet onderhouden Vlaams bos - een zeldzaamheid - naar indicaties te gaan zoeken voor een broedgeval van de oehoe. Hij had er tijdens natuurbeheerwerken iets gehoord wat leek op de roep van een oehoe. Een oehoe is dan wel de grootste uil ter wereld, maar hij kan notoir onzichtbaar zijn in zijn leefomgeving. Enkele jaren geleden broedde er een koppel wilde oehoes midden in een Nederlands dierenpark. Het duurde weken voor de dieren ontdekt werden, ondanks de vele bezoekers.

We trokken het bos in zonder grote verwachtingen, maar vrij snel merkten we een volwassen vogel op, hoog in een vrijstaande boom. De ultieme verrassing volgde wat later: twee uilenkuikens op de grond in het natte bos (uilskuikens is zo'n vreemd woord in deze context). Het is bekend dat oehoes op de grond kunnen broeden op plekken waar er weinig mogelijkheden voor een nest hogerop zijn. Het ene jong was een stuk groter dan het andere - een aanpassing die veel roofvogels (viseters inbegrepen) hebben om hun broedsucces af te stemmen op de beschikbaarheid van prooien: in vette jaren krijgen ze al hun jongen groot, in magere jaren vallen de jongste één voor één af, omdat de oudste het schaarse voedsel monopoliseren.

De oehoewaarneming was er eentje om in te kaderen. Ze kan wedijveren met mijn mooiste 'internationale' uilen-waarneming: visuilen in het Congolese regenwoud. Het zijn ook kanjers van uilen, hoewel ze volgens de meeste analisten niet behoren tot het oehoegeslacht. Tijdens het varen op de rivieren hoorden we af en toe het typische duet waarmee een koppel visuilen in bomen op de oever contact met elkaar houdt. De ene vogel zegt OE en binnen een seconde volgt de reactie van de andere, soms honderden meters verderop: HOE. Perfecte synchronisatie.

Uilen die in de schemering jagen, zoals de oehoe of onze ransuil, hebben doorgaans oranje ogen, terwijl dagjagers gele ogen hebben, zoals de sneeuwuil.

Het visuilenverhaal kreeg een macaber conservatietintje toen we onderweg door lokale passanten een uit zijn nest geroofd kuiken aangeboden kregen. We hanteerden consequent het principe van het NIET aankopen van zeldzame dieren, om het roven van nesten en het doden van dieren niet te stimuleren, maar het onfortuinlijke beestje keek me met zijn grote ogen zo meelijwekkend aan dat ik het niet kon laten: ik kocht het na veel geroep en gedoe voor zeven lokale sigaretten. We doopten het diertje Bonkini, naar verluidt 'uil' in de plaatselijke taal (het Lingala). We slaagden erin hem weken in leven te houden met vis, maar finaal liep het mis toen het dier het nodig vond de wereld te verkennen zonder te beseffen dat het nog niet kon jagen. Toen we hem terugvonden was het te laat.

Oog om oog

Bonkini confronteerde me met een van de opvallendste eigenschappen die uilen kunnen hebben om hun jacht-succes te verhogen: hij had pikzwarte ogen. De visuil is een echte nachtjager. Hij speurt in het donker vanop een uitkijkpost langs het water naar vissen of grote kikkers en pikt die dan in een duikvlucht op. De meeste uilen zijn nacht-of schemerjagers. De uitzonderingen die overdag jagen, zoals de prachtige sneeuwuil uit het Hoge Noorden, zijn waarschijnlijk vogels die geleidelijk aan een nachtelijke levensstijl inruilden voor een bestaan overdag, omdat dat nuttiger was voor het exploiteren van de specifieke biotoop waarin ze terechtkwamen. In het broedseizoen in het Hoge Noorden wordt het bijna nooit helemaal donker, waardoor aanpassingen aan een nachtelijk bestaan er contraproductief kunnen werken.

Het was al vroeg in het uilenonderzoek duidelijk dat er een sterk verband bestaat tussen het jachtgedrag van een uil en de kleur van zijn ogen. Echte nachtjagers hebben pikzwarte ogen, zoals Bonkini destijds. Voor onze Vlaamse uilen gaat het op voor de kerkuil en de bosuil - toevallig twee soorten die het de jongste tijd goed doen, hoewel de kerkuil er een helpende hand van de mens voor nodig had, in de vorm van het voorzien van veilige broedbakken in vooral schuren. De bosuil doet het goed op eigen kracht. Sommige waarnemers menen dat hij beter tot bosjes- of struikuil zou worden omgedoopt, omdat hij stilaan ook tuinen en andere minder bosrijke biotopen koloniseert.

De uitgesproken nachtactiviteit van beide soorten wil niet zeggen dat de dieren niet in de schemer of zelfs overdag kunnen jagen, maar dat zijn uitzonderingssituaties - ze zijn dan ook een stuk minder efficiënt. Donkerogige uilen zijn doorgaans nachtraven. Overigens zou de donkere kleur hun zicht niet vooruithelpen - het zou vooral een aanpassing zijn om niet gezien te worden, een vorm van camouflage dus. Als je ogen te lichtgekleurd zijn, verlies je een voordeel van het jagen in de zwarte nacht.

Uilen die in de schemering jagen, zoals de oehoe of onze ransuil, hebben doorgaans oranje ogen, terwijl dagjagers gele ogen hebben, zoals de sneeuwuil. Bij ons gaat dat laatste op voor het kleine (en steeds zeldzamer wordende) steenuiltje. Gezien zijn grootte is dat vooral een insecteneter, en dat gaat beter als je overdag jaagt, tenzij je over een systeem als echolocatie beschikt, zoals de 's nachts op insecten jagende vleermuizen, maar dat hebben de uilen niet voor elkaar gekregen. Ook de velduil, een zeldzame uil in onze contreien, jaagt vooral overdag en heeft dus gele ogen. Als overdag jagende uilen effectief zouden afstammen van nachtelijke voorouders, moeten er nadelen verbonden zijn aan zwarte ogen, of voordelen aan gele, anders zou er geen noodzaak geweest zijn om de oogkleur te veranderen. Het lijkt logisch dat zwarte ogen minder geschikt zijn voor een actief bestaan in schemer- of daglicht.

GF
© GF

'Jacht in de nacht' verscheen in Fwiet, een nagelnieuw vogelmagazine. Meer info op www.fwiet.be. Een interview met oprichter Begijn Le Bleu leest u hier.

Uilen hebben in de loop der tijden speciale aanpassingen aan een nachtleven ontwikkeld. Maar wat gunstig is voor de ene soort, is dat niet noodzakelijk voor de andere.Over mijn mooiste uilenwaarneming van de jongste jaren moet ik geen seconde nadenken. Vorig jaar nodigde een vriend-vogelkijker me uit om in een nat en niet onderhouden Vlaams bos - een zeldzaamheid - naar indicaties te gaan zoeken voor een broedgeval van de oehoe. Hij had er tijdens natuurbeheerwerken iets gehoord wat leek op de roep van een oehoe. Een oehoe is dan wel de grootste uil ter wereld, maar hij kan notoir onzichtbaar zijn in zijn leefomgeving. Enkele jaren geleden broedde er een koppel wilde oehoes midden in een Nederlands dierenpark. Het duurde weken voor de dieren ontdekt werden, ondanks de vele bezoekers. We trokken het bos in zonder grote verwachtingen, maar vrij snel merkten we een volwassen vogel op, hoog in een vrijstaande boom. De ultieme verrassing volgde wat later: twee uilenkuikens op de grond in het natte bos (uilskuikens is zo'n vreemd woord in deze context). Het is bekend dat oehoes op de grond kunnen broeden op plekken waar er weinig mogelijkheden voor een nest hogerop zijn. Het ene jong was een stuk groter dan het andere - een aanpassing die veel roofvogels (viseters inbegrepen) hebben om hun broedsucces af te stemmen op de beschikbaarheid van prooien: in vette jaren krijgen ze al hun jongen groot, in magere jaren vallen de jongste één voor één af, omdat de oudste het schaarse voedsel monopoliseren.De oehoewaarneming was er eentje om in te kaderen. Ze kan wedijveren met mijn mooiste 'internationale' uilen-waarneming: visuilen in het Congolese regenwoud. Het zijn ook kanjers van uilen, hoewel ze volgens de meeste analisten niet behoren tot het oehoegeslacht. Tijdens het varen op de rivieren hoorden we af en toe het typische duet waarmee een koppel visuilen in bomen op de oever contact met elkaar houdt. De ene vogel zegt OE en binnen een seconde volgt de reactie van de andere, soms honderden meters verderop: HOE. Perfecte synchronisatie. Het visuilenverhaal kreeg een macaber conservatietintje toen we onderweg door lokale passanten een uit zijn nest geroofd kuiken aangeboden kregen. We hanteerden consequent het principe van het NIET aankopen van zeldzame dieren, om het roven van nesten en het doden van dieren niet te stimuleren, maar het onfortuinlijke beestje keek me met zijn grote ogen zo meelijwekkend aan dat ik het niet kon laten: ik kocht het na veel geroep en gedoe voor zeven lokale sigaretten. We doopten het diertje Bonkini, naar verluidt 'uil' in de plaatselijke taal (het Lingala). We slaagden erin hem weken in leven te houden met vis, maar finaal liep het mis toen het dier het nodig vond de wereld te verkennen zonder te beseffen dat het nog niet kon jagen. Toen we hem terugvonden was het te laat. Bonkini confronteerde me met een van de opvallendste eigenschappen die uilen kunnen hebben om hun jacht-succes te verhogen: hij had pikzwarte ogen. De visuil is een echte nachtjager. Hij speurt in het donker vanop een uitkijkpost langs het water naar vissen of grote kikkers en pikt die dan in een duikvlucht op. De meeste uilen zijn nacht-of schemerjagers. De uitzonderingen die overdag jagen, zoals de prachtige sneeuwuil uit het Hoge Noorden, zijn waarschijnlijk vogels die geleidelijk aan een nachtelijke levensstijl inruilden voor een bestaan overdag, omdat dat nuttiger was voor het exploiteren van de specifieke biotoop waarin ze terechtkwamen. In het broedseizoen in het Hoge Noorden wordt het bijna nooit helemaal donker, waardoor aanpassingen aan een nachtelijk bestaan er contraproductief kunnen werken. Het was al vroeg in het uilenonderzoek duidelijk dat er een sterk verband bestaat tussen het jachtgedrag van een uil en de kleur van zijn ogen. Echte nachtjagers hebben pikzwarte ogen, zoals Bonkini destijds. Voor onze Vlaamse uilen gaat het op voor de kerkuil en de bosuil - toevallig twee soorten die het de jongste tijd goed doen, hoewel de kerkuil er een helpende hand van de mens voor nodig had, in de vorm van het voorzien van veilige broedbakken in vooral schuren. De bosuil doet het goed op eigen kracht. Sommige waarnemers menen dat hij beter tot bosjes- of struikuil zou worden omgedoopt, omdat hij stilaan ook tuinen en andere minder bosrijke biotopen koloniseert. De uitgesproken nachtactiviteit van beide soorten wil niet zeggen dat de dieren niet in de schemer of zelfs overdag kunnen jagen, maar dat zijn uitzonderingssituaties - ze zijn dan ook een stuk minder efficiënt. Donkerogige uilen zijn doorgaans nachtraven. Overigens zou de donkere kleur hun zicht niet vooruithelpen - het zou vooral een aanpassing zijn om niet gezien te worden, een vorm van camouflage dus. Als je ogen te lichtgekleurd zijn, verlies je een voordeel van het jagen in de zwarte nacht. Uilen die in de schemering jagen, zoals de oehoe of onze ransuil, hebben doorgaans oranje ogen, terwijl dagjagers gele ogen hebben, zoals de sneeuwuil. Bij ons gaat dat laatste op voor het kleine (en steeds zeldzamer wordende) steenuiltje. Gezien zijn grootte is dat vooral een insecteneter, en dat gaat beter als je overdag jaagt, tenzij je over een systeem als echolocatie beschikt, zoals de 's nachts op insecten jagende vleermuizen, maar dat hebben de uilen niet voor elkaar gekregen. Ook de velduil, een zeldzame uil in onze contreien, jaagt vooral overdag en heeft dus gele ogen. Als overdag jagende uilen effectief zouden afstammen van nachtelijke voorouders, moeten er nadelen verbonden zijn aan zwarte ogen, of voordelen aan gele, anders zou er geen noodzaak geweest zijn om de oogkleur te veranderen. Het lijkt logisch dat zwarte ogen minder geschikt zijn voor een actief bestaan in schemer- of daglicht.