Het vogelequivalent van onze 'van kop tot teen' is 'van snavelpunt tot staartuiteinde'. Bij het goudhaantje is dat zo'n 8,5 centimeter. Daarmee is het beestje het kleinste vogeltje van Europa. Het is ook het lichtste, want het weegt gemiddeld amper 5 luttele grammen.
...

Het vogelequivalent van onze 'van kop tot teen' is 'van snavelpunt tot staartuiteinde'. Bij het goudhaantje is dat zo'n 8,5 centimeter. Daarmee is het beestje het kleinste vogeltje van Europa. Het is ook het lichtste, want het weegt gemiddeld amper 5 luttele grammen. Het is een mooi mosgroen diertje met een fijn snaveltje waarmee het spinnetjes en insecten (en zelfs hun piepkleine eitjes) uit dennenappels kan plukken. Het goudhaantje is bij uitstek een vogeltje van naaldhout, liever nog sparren dan dennen, want die zijn dichter begroeid met takken en naalden. Het struint door de bomen op zoek naar voedsel, een godganse dag, want kleine vogeltjes hebben een hoog metabolisme, waardoor ze ononderbroken moeten eten. 's Nachts verbruiken ze de reserves die ze overdag hebben opgeslagen, zeker als het koud is. Zonder reserves halen ze het dan niet. Het opvallendste kenmerk van het goudhaantje is de met twee zwarte lijnen afgezoomde oranjegele streep over de volledige lengte van de kruin. Bij het mannetje is die streep meer oranje dan bij het vrouwtje. Tijdens het versiergedrag buigt hij zijn hoofd geregeld voor haar, waarbij hij dat diepe oranje maximaal exposeert. Het is zijn manier om indruk te maken. De zang die hij daarbij etaleert, kan overtuigend klinken voor goudhaanvrouwtjes, maar voor mensenoren stelt hij weinig voor: hij is zo ijl dat oudere ornithologen hem niet meer horen. De aanwezigheid van de goudhaan is een van de redenen waarom oudere ornithologen minder geschikt zijn om broedvogeltellingen uit te voeren, want ze zullen de goudhaantjes missen. Het diertje is geen zeldzame broedvogel bij ons, maar omdat het zo weinig opvalt wordt het geregeld over het hoofd gezien. Vooral tijdens de najaarstrek kun je bij ons goudhaantjes spotten. Sommige jaren zijn echte goudhaantjestrekjaren, met grote aantallen die onze streken bereiken. De diertjes komen afgezakt uit noordelijker en oostelijker regionen, waar ze het in de winter te moeilijk kunnen krijgen om te overleven. Als ze uitgeput zijn van de trek, kunnen ze zo tam worden dat je ze als het ware kunt oprapen. Ze zijn dan dankbare slachtoffers voor katten. Een groot deel van de terugmeldingen van voor de wetenschap geringde goudhaantjes draagt de boodschap 'gevangen door een kat'. Alleen de vrouwtjes broeden. Ze zitten zo vast op hun nest dat ze zelfs blijven zitten als een mens het nodig zou vinden om dat nest te verplaatsen! Omdat goudhaantjes elk jaar een waanzinnige 80 procent van hun populatie verliezen door predatie en andere vormen van natuurlijke sterfte, moet er een constante aanvoer van nieuwe vogeltjes zijn. Elk goudhaankoppel brengt elk jaar twee legsels van een tiental jongen groot. Het vrouwtje begint al aan het tweede legsel terwijl het mannetje nog bezig is de jongen van het eerste klaar te stomen. Er is geen tijd te verliezen als je klein en fijn bent en een gemiddelde levensduur hebt van amper acht maanden. De meeste goudhaantjes komen niet eens aan voortplanten toe. Er is een verwante soort die het vuurgoudhaantje heet. Dat beestje heeft aan beide zijden van zijn kop naast de zwarte ook nog een witte streep onder de oranje kam. De twee soorten zouden amper met elkaar in competitie staan en zelden of nooit met elkaar kruisen. Ze leven naast elkaar heen.