In 1744 lanceerde de Zwitserse wetenschapper Abraham Trembley de term 'hydra' voor zoetwaterdiertjes die hij intensief bestudeerde. Toen al was duidelijk dat ze over verbluffende overlevingstechnieken beschikken. Zoetwaterpoliepen zijn diertjes van 1 tot 3 centimeter lang. Ze zitten in zuiver water met een voet vast op een substraat en hebben aan hun kop een aantal tentakels voor hun voeding.
...

In 1744 lanceerde de Zwitserse wetenschapper Abraham Trembley de term 'hydra' voor zoetwaterdiertjes die hij intensief bestudeerde. Toen al was duidelijk dat ze over verbluffende overlevingstechnieken beschikken. Zoetwaterpoliepen zijn diertjes van 1 tot 3 centimeter lang. Ze zitten in zuiver water met een voet vast op een substraat en hebben aan hun kop een aantal tentakels voor hun voeding. De diertjes waren Trembley in eerste instantie opgevallen door hun bizarre manier om zich te verplaatsen: ze draaien radslagen op hun substraat om hoger of lager te kunnen kruipen. Als het leven minder florissant wordt, kunnen ze zich loslaten en laten drijven, maar dan moeten ze erop rekenen dat ze op een nieuw geschikt leefmilieu botsen, want actief sturen zit er niet echt in. Zoals wetenschappers het vroeger graag deden, begon Trembley in de beestjes te snijden, waarna hij tot zijn stomme verbazing opmerkte dat de poliep een sterke capaciteit tot zelfherstel heeft. Meer zelfs: stukken van een beestje kunnen uitgroeien tot een intacte poliep. De twee helften van een overlangs doorgesneden poliep regenereren in enkele dagen tijd elk in een volledig nieuwe andere helft. Tijdens zijn experimenten merkte de Zwitser op dat hij door insnijdingen in de kop zevenkoppige poliepen kon maken. De hydra was geboren, naar analogie van het - naar verluidt negenkoppige - monster uit de Griekse mythologie. Het mechanisme van die schier eindeloze capaciteit tot regeneratie hebben wetenschappers pas recent ontdekt, omdat er nu technieken zijn om ze bloot te leggen. In haar binnenste heeft een hydra twee centra die ononderbroken stamcellen produceren: oercellen die kunnen uitgroeien tot eender welke lichaamscel. Ze migreren door het lichaam en vullen waar nodig gaten op. Volgens het vakblad Science vallen de stamcellen uiteen in drie types die samen alle lichaamscellen produceren. Zo is er een type dat de basis vormt voor zowel zenuwen en klieren als voor de speciale netelcellen die zoetwaterpoliepen, net als de kwallen waaraan ze verwant zijn, gebruiken om prooien te doden. Hydra's leven van diertjes als watervlooien die groter kunnen zijn dan zijzelf. Ze doden ze met pijlen die de netelcellen met hoge snelheid afvuren en die drie vlijmscherpe mesjes hebben om het pantser van de slachtoffers te doorboren. Met hun tentakels wapperen ze de prooien naar hun mond om ze op te zwelgen. De gescheurde pantsers kunnen het binnenste van een hydra beschadigen, maar dankzij hun herstelcapaciteit is dat geen probleem. Een studie in Nature Communications beschrijft een mechanisme waardoor een hydra vermijdt dat ze zelf zeven koppen maakt - de diertjes hebben aan één kop meer dan genoeg. Het gaat om twee eiwitten die elkaar in balans houden. Het eerste (een groeifactor) zorgt voor de ontwikkeling van een kop, het andere belemmert de ontwikkeling van meerdere koppen door de activiteit van het eerste lam te leggen. Hydra's planten zich ongeslachtelijk voort door nieuwe poliepjes als een knop uit hun lijf te laten groeien. De kleintjes beginnen al te eten voor ze loskomen van hun 'moeder', waarvan ze een exacte kopie zijn. Als het héél slecht gaat, kan een hydra zich uitzonderlijk geslachtelijk voortplanten.