Bij ons vallen ze minder op, maar in Noord-Europa kunnen dennenbladwespen een ravage aanrichten in naaldbossen. De larven van de wespen, die maximaal 1 centimeter groot maar vrij dik worden, doen zich tegoed aan dennennaalden. Als ze talrijk zijn, kunnen ze bomen en zelfs hele stukken van een bos zo goed als kaal vreten.
...

Bij ons vallen ze minder op, maar in Noord-Europa kunnen dennenbladwespen een ravage aanrichten in naaldbossen. De larven van de wespen, die maximaal 1 centimeter groot maar vrij dik worden, doen zich tegoed aan dennennaalden. Als ze talrijk zijn, kunnen ze bomen en zelfs hele stukken van een bos zo goed als kaal vreten. In Vlaanderen zijn twee soorten vrij algemeen: de gewone dennenbladwesp, die meer in het najaar gezien wordt; en de rode dennenbladwesp, een diertje van het voorjaar. In 2019 waren er veel waarnemingen van de laatste soort. Het leven van de dennenbladwesp draait vooral om haar larven. Bij de gewone dennenbladwesp lijken die een lichtgeelgroene kruising tussen een rups en een vliegenmade, waarbij vooral de rupsachtige 'pootjes' opvallen. Bij de rode dennenbladwesp zijn ze donkergrijs. De diertjes leven dikwijls in grote groepen. Je kunt ze herkennen aan hun achterlijf, dat ze in een vreemde bocht naar boven plooien. De larven staan bekend om hun speciale afweergedrag. Als er een roofdier - meestal een vogel of zoogdiertje - in hun buurt komt, kunnen ze zich samen als een bijna ondoordringbare falanx opstellen. Daardoor wordt het moeilijk om één slachtoffer uit de groep te halen. Ze hebben ook een systeem waarbij ze een plakkerige stof uitbraken op het lichaam van een aanvaller. Die stof distilleren ze uit de hars van de naaldboom waarop ze leven. Als ze dat in voldoende grote hoeveelheden doen, is het een efficiënte verdediging. En daar wringt het schoentje. Want er zijn profiteurs in het spel: larven die niet investeren in de productie van de kleverige stof. Daardoor hoeven ze minder energie in hun verdediging te pompen en hebben ze een concurrentieel voordeel tegenover soort- en groepsgenoten die wel bijdragen tot de gemeenschappelijke afweer. Diertjes die geregeld in de aanval gaan, hebben een zwakker immuunsysteem en raken minder gemakkelijk volgroeid. Het is bekend dat er in de meeste coöperatieve systemen, ook bij de mens, profiteurs sluipen. Als die te talrijk worden, ondergraven ze het sociale weefsel. Doorgaans wordt aangenomen dat een sociaal systeem maximaal 15 procent profiteurs verdraagt. Een studie in Proceedings of the Royal Society B heeft de balans onderzocht tussen samenwerkers en profiteurs bij de dennenbladwesplarven. Mannelijke larven blijken meer te profiteren dan vrouwelijke. Hoe hoger de kosten van de productie van de braakstof, bijvoorbeeld in functie van wat een dennenboom aan hars produceert, hoe meer profiteurs er zijn. In sommige gevallen produceert meer dan 60 procent van de larven geen afweerstof meer - dan wankelt de verdediging. Maar met minder dan 30 procent profiteurs werkt ze perfect. Wetenschappers menen dat de diertjes vooral verzwakte naaldbomen uitputten, waardoor ze in principe geen negatief effect op een natuurlijk bos hebben. De vrouwtjeswespen hebben een legboor, waarmee ze een twintigtal eitjes samen in een groef in een dennennaald leggen. Ze produceren er maximaal 150. De lasten voor de boom worden dus gespreid. Een gezonde boom zou ertegen moeten kunnen.