Opinie

Jurgen Pieters

‘Onze opleidingen leggen een kader over de werkelijkheid dat niet bij de tijd is’

Jurgen Pieters Professor literatuurwetenschap aan de UGent

‘Als de studenten niet blijven komen, zijn de lesgevers technisch werkloos’, schrijft Jürgen Pieters (UGent). ‘Wat het vertrekpunt van een campus novel lijkt, is jammer genoeg de dreigende realiteit.’ Hij kijkt naar Nederland voor een mogelijke oplossing voor de tanende interesse van studenten voor de richtingen Taal- en Letterkunde.

Fast forward naar een vergadering die ik binnen een paar jaar zie plaatsvinden: aan een Vlaamse universiteit komt men tot de vaststelling dat de studentenaantallen van een aantal talenopleidingen nog maar net boven het aantal personeelsleden zitten.

De student-staff ratio, zoals dat heet, komt dicht in de buurt van 1. Voor elke student een persoonlijke begeleider. Die is vast benoemd en staat tien jaar van het pensioen. Als de studenten niet blijven komen, zijn de lesgevers technisch werkloos.

Onze opleidingen leggen een kader over de werkelijkheid dat niet bij de tijd is.

Wat het vertrekpunt van een campus novel lijkt, is jammer genoeg de dreigende realiteit. In Nederland heeft men het tien jaar terug meegemaakt. Ik herinner me een reportage in Vrij Nederland waarin een prof Duits op de foto stond met zijn enige student. Zo erg is het hier nog niet, maar we komen er wel. Traag maar gestaag, het tempo dat we zo goed kennen.

Onlangs stond er iemand in de krant die voor haar familie verborgen hield dat ze Taal- en Letterkunde studeerde. Het kan ook Toegepaste Taalkunde geweest zijn. Het verschil tussen die opleidingen is dat je in allebei dezelfde vreemde talen leert. Maar in de ene op een wat andere manier dan in de andere. (Om op informatiebeurzen het verschil te kunnen uitleggen, moet je eerst een workshop volgen.)

De voorbije tien jaar is het aantal studenten in die twee opleidingen zo goed als gehalveerd. Maak van die twee toch gewoon één opleiding, hoor ik sommigen denken. Dat is een logische analyse, maar wel één die het eerste gebod van de academische werkplek niet erkent: wat we zelf doen, doen we beter. En daarom blijven we het ook allemaal op onze eigen, lichtjes verschillende manier doen.

We hebben nog een andere overtuiging die het probleem hoopt te vatten: achttienjarigen kiezen niet voor ons omdat ze niet goed weten wat we doen. Als iemand dat in een vergadering zegt – en dat gebeurt vaak – moet ik me inhouden om niet te zeggen: zou het niet nog erger zijn als die achttienjarigen heel goed wisten wat we deden en daarom niet voor ons kozen?

In Nederland bewandelen de universiteiten intussen een andere weg. Zo heeft de Universiteit Leiden een nieuwe opleiding International Studies opgericht. Engelstalig, met een eigentijdse mix van geschiedenis, economie, politiek en cultuur. Studenten maken daarbij een keuze voor de focus op een specifieke wereldregio, waarbij ze ook de taal van die regio leren.

Op korte tijd heeft deze opleiding een kleine zeshonderd eerstejaars aangetrokken. De helft daarvan Nederlanders, de andere helft internationale studenten. Ongetwijfeld behalen die studenten in hun niet de talenkennis die studenten bij ons verwerven. Maar ze krijgen zoveel in de plaats.

Ik raakte gewonnen voor dat model door het nieuwe cursusboek van Frans-Willem Korsten, een van de bezielers van de opleiding. In dat boek – Cultural Interactions – gaat het over onderwerpen die ook onze achttienjarigen interesseren. Over hoe een op de natiestaat gerichte cultuur zich in een globaliserende wereld kan en moet aanpassen. Over hoe ons denken en ons voelen bepaald wordt door de talen die we spreken. Over hoe culturele gemeenschappen onvermijdelijk een beeld creëren van wie niet tot die gemeenschap behoort en welke mogelijkheden er zijn om de verhouding tot die ‘anderen’ minder conflictueus te maken.

Jongeren met interesse voor economische, politieke, historische en culturele kwesties moeten bij ons kiezen voor een opleiding die deze kwesties vanuit het perspectief van slechts één academische discipline invult. Ze moeten kiezen of voor Politieke en Sociale Wetenschappen, of voor Economie, of voor Geschiedenis, of voor een van de cultuurwetenschappelijke richtingen. Als ik Korsten lees, besef ik dat het nog erger is dan ik al dacht.

Kiezen is bij ons echt verliezen. Door de perspectieven van de traditionele disciplines, erfenissen van een voorgoed voorbije tijd, is dat onvermijdelijk. Terwijl economische kwesties altijd ook én politiek, én cultureel, én talig, én historisch gedetermineerd zijn. Wie vandaag de politiek wil doorgronden moet de verschillende culturele tradities kennen die in een globaal perspectief samenkomen. Moet zijn geschiedenis kennen en kaas hebben gegeten van economie. Idem voor kunst. Idem voor wijsbegeerte.

Of dat betekent dat zo’n insteek in onze opleidingen niet kan worden ingebouwd wil ik niet hebben gezegd. Maar ik ben er wel van overtuigd dat onze opleidingen een kader over de werkelijkheid leggen dat niet bij de tijd is. Dat maakt het moeilijk om aan achttienjarigen uit te leggen hoe ze bij ons aan hun trekken gaan komen.

Fast forward naar een andere vergadering dan maar, die hopelijk snel kan plaatsvinden: een waarin over de grenzen van faculteiten heen plannen worden gemaakt om opleidingen aan te bieden die binnen die faculteiten geen recht van bestaan hebben. Mijn universiteit heeft al een term gevonden voor dat onderwijs van de 21e eeuw: ‘multiperspectivisme’. Nu nog de consequenties trekken uit dat woord.

Prof. dr. Jürgen Pieters doceert algemene literatuurwetenschap en creative criticism aan de Universiteit Gent. In 2021 verscheen zijn laatste boek ‘Een boekje troost’ bij Borgerhoff&Lamberichts.

Partner Content