'Om de kwaliteit ook in het kleuteronderwijs te verhogen, vrijwaren we maximaal de lestijd door het aandeel zindelijke kleuters te laten stijgen.' Dat was de voorbije weken wellicht de meest besproken zin uit het nieuwe Vlaamse regeerakkoord. Dat de regering-Jambon zich zelfs wil bezighouden met de zindelijkheidstraining van Vlaamse kleuters verbaast ook gezinspedagoog Michel Vandenbroeck (UGent). 'Op zich is het een goede zaak dat ze erkent dat er een probleem is, maar ze legt de vinger op de verkeerde wonde', zegt hij. 'Het probleem is niet dat ouders hun kind niet zindelijk maken tegen de tijd dat het naar school gaat, maar wel dat het terechtkomt in een school waar ze daar niet mee om kunnen gaan. Men is het model van het lager onderwijs op almaar jongere kinderen gaan toepassen. Loopt het mis, dan is dat de schuld van de ouders. De discussie over de zindelijkheid van kleuters is hier de kanarie in de koolmijn. Doordat er een constructiefout in ons kleuteronderwijs zit, zijn er nog veel meer zorgnoden waaraan niet tegemoet wordt gekomen.'
...

'Om de kwaliteit ook in het kleuteronderwijs te verhogen, vrijwaren we maximaal de lestijd door het aandeel zindelijke kleuters te laten stijgen.' Dat was de voorbije weken wellicht de meest besproken zin uit het nieuwe Vlaamse regeerakkoord. Dat de regering-Jambon zich zelfs wil bezighouden met de zindelijkheidstraining van Vlaamse kleuters verbaast ook gezinspedagoog Michel Vandenbroeck (UGent). 'Op zich is het een goede zaak dat ze erkent dat er een probleem is, maar ze legt de vinger op de verkeerde wonde', zegt hij. 'Het probleem is niet dat ouders hun kind niet zindelijk maken tegen de tijd dat het naar school gaat, maar wel dat het terechtkomt in een school waar ze daar niet mee om kunnen gaan. Men is het model van het lager onderwijs op almaar jongere kinderen gaan toepassen. Loopt het mis, dan is dat de schuld van de ouders. De discussie over de zindelijkheid van kleuters is hier de kanarie in de koolmijn. Doordat er een constructiefout in ons kleuteronderwijs zit, zijn er nog veel meer zorgnoden waaraan niet tegemoet wordt gekomen.' Uit een studie blijkt dat vandaag maar 20 procent van de kinderen van 2,5 jaar zindelijk is. In de jaren zestig was dat nog 90 procent. Ligt het dan niet aan de ouders? Michel Vandenbroeck: Om te beginnen is dat geen probleem. Noch voor die kinderen, noch voor hun ouders. En vreemd is het ook al niet, want we leven ondertussen in een heel andere maatschappij. In de jaren zestig bleven veel moeders thuis, en dus hadden ze veel meer tijd om zich met de zindelijkheidstraining van hun kinderen bezig te houden. Het probleem is dat het kleuteronderwijs nog altijd op die achterhaalde realiteit is afgestemd. Zo is decretaal vastgelegd dat een school van een kwartier voor de lesuren tot een kwartier erna verantwoordelijk is voor de kinderen. Terwijl de lunchpauze al snel meer dan een uur duurt. Vroeger zat daar een logica achter: moeders kwamen hun kinderen tussen de middag ophalen en brachten hen na het eten terug. Maar tweeverdienersgezinnen, die vandaag de norm zijn, kunnen dat natuurlijk niet meer. Het lijkt wel alsof de Vlaamse regering kinderen wil aanpassen aan een systeem dat niet meer van deze tijd is. Daarbij geeft ze ook een heel tegenstrijdige boodschap: aan de ene kant wil ze de werkzaamheidsgraad verder optrekken - en dus nog meer vrouwen op de arbeidsmarkt krijgen, want zij werken nog altijd minder dan mannen - en aan de andere kant wil ze dat ouders meer tijd met hun kinderen doorbrengen om hen zindelijk te maken. Moet het kleuteronderwijs dan aan die nieuwe realiteit worden aangepast? Vandenbroeck: Er zijn maar twee mogelijkheden: ofwel probeer je de kinderen zo veel mogelijk aan de onderwijsinstelling aan te passen, ofwel pas je de instelling aan de kinderen aan. Pedagogisch gezien is die tweede optie natuurlijk te verkiezen. Nu de meeste vaders en moeders een job hebben, moeten we afstappen van het idee dat alle zorgtaken thuis moeten gebeuren. Vandaag zitten kleutertjes van 2,5 jaar tussen de middag met vijftig of zelfs honderd andere kinderen in een drukke refter. Geen wonder dat 10 procent van hen te moe is of te veel stress heeft om te eten. Op Vlaamse kleuterscholen zijn niet alleen lege maar ook volle brooddozen tegenwoordig een probleem. Veel van die kinderen worden tijdens de speeltijd overweldigd door de drukte en staan dan in een hoekje te wachten tot het voorbij is. Sommigen zouden na de middag ook nog moeten kunnen slapen, maar in veel scholen is daar geen plaats voor. Dat is zeker voor de jongste kleuters heel moeilijk. Is dat ook de reden waarom u geen voorstander bent van de instapklassen waar kleuters terechtkomen die voor het eerst naar school gaan? Vandenbroeck: Die instapklassen zijn een aberratie. In september begint een kleuterleidster - want het zijn nog steeds haast allemaal vrouwen - er met misschien 15 kleuters, maar tegen de zomervakantie zijn dat er al 25 of zelfs 30. Allemaal kinderen die nog moeten wennen aan het schoolgebeuren, vaak nog niet zindelijk zijn en hulp nodig hebben om hun jas en schoenen aan- en uit te trekken. Het zou veel beter zijn om die jongste kleuters te verspreiden over de klassen met drie- en vierjarigen. Dan kunnen ze ook van de oudere kinderen leren. De reden waarom de Vlaamse regering zo graag meer zindelijke kleuters wil, is net omdat de juf dan meer tijd overhoudt om les te geven. Vandenbroeck: Dat slaat werkelijk nergens op. In het kleuteronderwijs wordt nog te vaak een strikt onderscheid gemaakt tussen leren en zorgen, en ook de nieuwe regering gaat daarin mee. Nochtans staat dat haaks op de manier waarop kleuters leren. Sterker nog: daardoor zitten de jongsten vandaag 20 tot 30 procent van hun tijd te wachten. Zonder iets te doen. Dat komt bijvoorbeeld doordat de juf ondertussen andere kinderen in of uit hun jas helpt of verschoont. Om zo veel mogelijk tijd over te houden om haar klas iets aan te leren, probeert ze dat heel snel en efficiënt te doen. Nochtans zouden de kinderen op die momenten veel kunnen leren. Tijdens het aankleden, zou er bijvoorbeeld kunnen worden gepraat over de kleur en de stof van de jasjes of kunnen de kleuters worden gestimuleerd om elkaar te helpen. Dan duurt het misschien een kwartier langer, maar ze hebben er wel veel meer aan. In het regeerakkoord ligt veel nadruk op de kennis van het Nederlands. Ook in de opleidingen van kinderverzorgers en leraren moet daar aandacht voor zijn. Een goed idee? Vandenbroeck: In het kader van een grote studie hebben we een jaar lang kleuters uit kansengroepen op school geobserveerd. Daarbij hebben we heel nauwkeurig gekeken naar de talige interactie tussen de juf en de kleuters, en tussen de kinderen onderling. Het is duidelijk dat we op dat vlak nog een tandje moeten bijsteken. Vooral voor anderstaligen. Ook dat komt voor een groot deel doordat kleuters veel moeten wachten en de jongsten in aparte klassen samen worden gezet. Uit ons onderzoek is gebleken dat kinderen van 2,5 jaar onderling zo goed als geen interactie hebben. En de juf, die al haar energie nodig heeft om hun nieuwe routines aan te leren, geeft vooral instructies. Daardoor komt het in zo'n klas veel te weinig tot een echte dialoog. Kleuterleiders en kinderbegeleiders zouden tijdens hun opleiding meer informatie moeten krijgen over de manier waarop kinderen talen leren. Daar bestaan nog te veel misverstanden over. Zeker als het om meertalige kinderen gaat. Welke misverstanden dan? Vandenbroeck: Bij meertaligheid denken we al snel aan een kind dat thuis Turks spreekt en op school Nederlands. Dat zijn ook de voorbeelden die in de leerboeken staan. Maar tegenwoordig is de realiteit veel complexer dan dat. Heel wat kinderen groeien op in een gezin waar twee of zelfs drie talen worden gesproken. Papa is bijvoorbeeld Portugees, mama Italiaans en tegen elkaar spreken ze Frans. Op zulke situaties worden kleuterleiders helemaal niet op voorbereid. Daarnaast hoor ik soms beweren - ook van politici, trouwens - dat een kinderhoofd te klein zou zijn voor meer dan één taal. Nochtans vindt men dat elke Europeaan drie talen zou moeten kennen: naast zijn moedertaal ook nog een taal, zoals het Engels, die hij om praktische redenen nodig heeft en dan nog een taal die hij uit liefde leert. Zoals een operaliefhebber die Italiaans gaat studeren. Maar als een jong kind thuis Berbers spreekt, maken we ons grote zorgen dat het daardoor moeilijk Nederlands zal leren. Bemoeilijkt een andere thuistaal dat dan niet? Vandenbroeck: Elke taal die je leert, maakt het gemakkelijker om een volgende taal te leren. Daar is empirisch bewijs voor. Voor een jong kind, zelfs voor een baby, is het heel goed om twee of zelfs drie talen te leren. Niet alleen om die specifieke talen te kennen, maar ook om taalgevoel te ontwikkelen. Zo zag ik een interview met een klein meisje dat uitlegde dat er in het Engels aparte woorden bestaan voor een deur die buiten staat en een deur die binnen staat: gate en door. Ze vond het wonderlijk dat daar in het Chinees maar één woord voor is. Kijk, dát is taalrijkdom. Maar als ik zeg dat we de moedertaal van een kind moeten respecteren, wordt dat meteen geïnterpreteerd alsof ik de kennis van het Nederlands niet belangrijk zou vinden. Dat komt doordat men uitgaat van een fout idee over meertalige kinderen, dat ook een beetje in de geest van het nieuwe regeerakkoord zit. Ondertussen groeit het idee dat er al van in de kleuterklas veel meer aandacht moet zijn voor gelijke onderwijskansen. Een kind dat met een achterstand aan het eerste leerjaar begint, zou die maar moeilijk weer inlopen. Vandenbroeck: Het lager en secundair onderwijs hebben op dat vlak natuurlijk ook een belangrijke rol te spelen, maar het klopt dat je niet vroeg genoeg kunt beginnen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat kinderen die naar goede voorschoolse voorzieningen zijn geweest - wij maken een onderscheid tussen kinderopvang en kleuteronderwijs, maar in veel andere landen is dat niet zo - het op de lagere school gemiddeld beter doen. Dat effect is ook nog zichtbaar in het middelbaar onderwijs, zelfs als de leerling naar een middelmatige lagere school is geweest. Dat geldt niet alleen voor kansarme of anderstalige kinderen: iedereen wordt beter van degelijk kleuteronderwijs. De kloof tussen kinderen verkleint dus niet, maar goed kleuteronderwijs heeft wel een grotere impact op degenen die amper aan de basisvereisten voldoen om mee te kunnen op de lagere school: hebben zij goed kleuteronderwijs gehad, dan halen ze die drempel wel degelijk. Toch kan kleuteronderwijs in sommige gevallen niet compenseren dat een kind in een kansarm gezin opgroeit. Wellicht komt dat doordat kleuterleiders onbewust de neiging hebben om vooral te praten tegen kinderen die al goed ter taal zijn. Zeker in grote en drukke groepen, zoals een instapklas. Het is dus cruciaal dat we hen nog meer bewust maken van de impact die ze op de taalverwerving van hun kleuters kunnen hebben. Ook kinderopvang krijgt heel wat aandacht in het regeerakkoord.Niet alleen belooft de regering extra plaatsen en meer flexibiliteit, ze wil ook voorrang geven aan ouders die werken of in een opleidingstraject naar werk zitten.Vandenbroeck: Helemaal nieuw is dat niet. Ook in de vorige regeerperiode werden vooral extra opvangplaatsen gecreëerd in wijken waar meer mensen aan het werk gingen. De nieuwe regering kiest er nu heel expliciet voor om op dat pad verder te gaan, en dat is niet zonder gevaar. Wie zo veel nadruk legt op de economische functie van kinderopvang, zal daar op termijn ook een economische prijs voor betalen. Hoezo? Vandenbroeck: Als zo goed als alle plaatsen in de kinderopvang naar werkende ouders gaan, is dat funest voor mensen in heel precaire situaties. Krijgen zij werk aangeboden, dan is de kans groot dat ze niet meteen kinderopvang vinden en de job dus moeten weigeren. Of denkt u dat een werkgever hen vraagt of ze alsjeblief over zes maanden bij hem willen komen werken? Zo gaat dat niet aan de onderkant van de samenleving. Daarbij komt nog dat kinderopvang, net als kleuteronderwijs, een grote impact kan hebben op de ontwikkelingskansen van kinderen. Zeker als ze opgroeien in een gezin waar ze niet erg worden gestimuleerd. Toch maken kansrijke gezinnen dubbel zoveel gebruik van kinderopvang als kansarme ouders, en ik vrees dat het er niet beter op zal worden. Vandaag is 20 tot 30 procent van de plaatsen in de gesubsidieerde opvang voorbehouden voor sociale voorrangsgroepen, maar in het regeerakkoord staat dat die regel zal worden geëvalueerd. Houdt die voorrangsregel uiteindelijk geen stand, dan zullen we daar een generatie verder de prijs voor betalen: kinderen uit kansarme gezinnen die niet naar de kinderopvang zijn geweest, lopen meer risico om tijdens hun schoolcarrière te struikelen, zonder diploma van school te komen en het moeilijk te krijgen op de arbeidsmarkt. Maakt kinderopvang zo veel verschil? Vandenbroeck: Wel als het kwaliteitsvol is. Doordat de vorige regering voor het eerst in de geschiedenis heeft laten onderzoeken hoe het met de kwaliteit van de Vlaamse kinderopvang gesteld is, weten we nu dat er goed voor de kinderen wordt gezorgd. Wel is er op educatief vlak ruimte voor verbetering. Dat komt vooral doordat de groepen te groot zijn en de begeleiders niet altijd de nodige competenties hebben. In Vlaanderen is acht kinderen per volwassene nog altijd de norm - veel meer dan in de meeste andere Europese landen. Ook wat de competenties van de begeleiders betreft, bengelen we aan de staart van het Europese peloton. Veel beterschap lijkt er niet in zicht, want in het regeerakkoord staat een zinnetje dat me zorgen baart. Wat bedoelt u? Vandenbroeck: De regering wil de regel afschaffen dat het personeel in opvanginitiatieven met meer dan achttien plaatsen geen zelfstandigenstatuut mag hebben. Dat lijkt misschien een technisch detail, maar het is veel meer dan dat. Het zou zelfs de terugkeer kunnen inluiden naar de situatie van de jaren negentig, toen de helft van de mensen in de sector schijnzelfstandigen waren. Destijds waren er in de kinderopvang lange wachtlijsten en de regering had geen geld om nieuwe plaatsen te bekostigen. Dus stimuleerde ze huismoeders en langdurig werklozen om als onthaalouder aan de slag te gaan of als zelfstandige in kleinschalige private kinderopvanginitiatieven te gaan werken. Dat waren twee vliegen in één klap: er kwamen goedkope opvangplaatsen bij en de werkloosheidscijfers daalden. De voorbije twee regeerperiodes heeft men geprobeerd die situatie recht te trekken, maar ik sluit niet uit dat de nieuwe regering de deur weer wil openzetten voor goedkope opvangplaatsen waar schijnzelfstandigen werken. Zou dat ook invloed hebben op de kwaliteit van de kinderopvang? Vandenbroeck: Veel hangt af van de kwalificaties die van die mensen worden gevraagd. Maar om goede werkkrachten aan te trekken, moet er ook iets worden gedaan aan de arbeidsvoorwaarden. Vandaag al worden velen ontstellend weinig betaald en bouwen ze ook geen anciënniteit op. Dat de vakorganisaties daar tot nu toe geen zaak van hebben gemaakt, komt doordat ook zij kinderopvang lang hebben beschouwd als een sector waar mensen aan het werk kunnen worden gezet die anders niet aan de bak zouden komen. Als we kwaliteitsvolle kinderopvang willen, moet daar iets aan veranderen. Willen we dat de mensen die voor onze kinderen zorgen dat goed doen, dan zullen wij op onze beurt goed voor hen moeten zorgen.