Laat er geen misverstand over bestaan: met hun gouden medailles waren Nina Derwael, Nafi Thiam en de Red Lions zonder discussie de strafste Belgen van de voorbije Olympische Spelen in Tokio. Als er medailles werden uitgereikt aan olympiërs die de meeste harten wisten te veroveren, dan had ook marathonloopster Mieke Gorissen goud mee naar huis mogen nemen. Tijdens een interview met Sporza, kort nadat ze over de finish van de smoorhete marathon was gekomen, schonk ze de kijker zeven minuten lang pure, ongefilterde emotie.
...

Laat er geen misverstand over bestaan: met hun gouden medailles waren Nina Derwael, Nafi Thiam en de Red Lions zonder discussie de strafste Belgen van de voorbije Olympische Spelen in Tokio. Als er medailles werden uitgereikt aan olympiërs die de meeste harten wisten te veroveren, dan had ook marathonloopster Mieke Gorissen goud mee naar huis mogen nemen. Tijdens een interview met Sporza, kort nadat ze over de finish van de smoorhete marathon was gekomen, schonk ze de kijker zeven minuten lang pure, ongefilterde emotie. Hebt u dat fameuze interview zelf al eens bekeken? Mieke Gorissen: Ik ben er niet naar op zoek gegaan, maar dat was ook niet nodig. (lacht) Het was haast onmogelijk om eraan te ontsnappen. Drie weken later stond u alweer voor de klas. Hebben uw leerlingen u erop aangesproken? Gorissen: In de klassen waar ik vorig jaar al stond, hebben ze me er vol enthousiasme over ondervraagd. In de andere klassen was het minder, ik vermoed door een zekere schroom. Aan de school hing op 1 september een groot spandoek om me te feliciteren. En ik heb vernomen dat mijn interview in een populair TikTok-filmpje is verwerkt. Zeker de leerlingen van de tweede graad houden dat medium goed in de gaten. U toonde zich tijdens het interview compleet verbaasd over uw eigen prestatie. Is die verbazing er een dikke maand later nog altijd? Gorissen: Ik kijk er nog altijd met enig ongeloof naar, ja. Om te beginnen is het al een half mirakel dat ik op de Spelen ben geraakt. Ik heb er tot voor kort niet openlijk over gesproken, maar na de marathon van Enschede in april (waar Gorissen zich plaatste voor de Olympische Spelen, nvdr) heb ik een zware blessure opgelopen. Het was lang onduidelijk of ik de Spelen zou halen. Toen bleek dat het toch zou lukken, heb ik me nog twee doelen gesteld: ik wilde de eindstreep halen, én ik wilde niet de allerlaatste zijn. Die laatste plaats was voor mij zeker niet ondenkbaar. Je start aan een wedstrijd met een deelnemersveld waarvan iedereen de olympische limiet (2 uur, 29 minuten en 30 seconden, nvdr) heeft gelopen. Met andere woorden: je concurreert uitsluitend met toploopsters. Pas op uw 35e begon u het lopen een beetje serieus te nemen. Nauwelijks drie jaar later behoort u, met een plaats in de top dertig van de olympische marathon, tot de internationale subtop. Hebt u geen spijt dat u er niet veel vroeger aan begonnen bent? Gorissen: Nee. Indien ik er als tiener aan begonnen was, zou ik me er helemaal in verloren hebben. Als twintiger concentreerde ik me dan weer te sterk op mijn studie. Pas als bijna-dertiger ben ik eraan begonnen. Eerst was het niet meer dan een hobby. Drie keer een paar kilometer per week, en dat was het. Maar zo was het zaadje wel geplant. Al is dat zaadje pas echt gaan groeien op mijn 35e, toen er voldoende ruimte in mijn leven was. Welke plaats heeft de sport vandaag in uw leven? Gorissen: Het is mijn uitlaatklep. Het gebeurt heel zelden dat ik met tegenzin aan een training begin. Omdat het me tot rust brengt. En omdat ik altijd terugkeer als een ander mens. Soms, als er warm weer is voorspeld, ga ik heel vroeg in de ochtend lopen. Vaak voel ik dan 's avonds alweer een innerlijke onrust, en trek ik opnieuw mijn loopschoenen aan. Hebt u de ambitie om, bijvoorbeeld in 2024 op de Spelen in Parijs, nog beter te doen? Gorissen: Een concreet doel is er niet. Ik wil nu in de eerste plaats genieten van het lopen, en van wat lopen met me doet. Dat lukt me beter als er geen druk en verwachtingen zijn. Ook als leerkracht bent u misschien wat meer onbezonnen kunnen herbeginnen. De mondmaskerplicht en afstandsonderwijs behoren, voorlopig toch, tot het verleden. Gorissen: Momenteel houden we in onze school nog even vast aan de mondmaskers. Ik ben vooral blij dat ik de leerlingen weer allemaal bij me heb. Die fysieke aanwezigheid heb ik ontzettend hard gemist. Kunt u inschatten hoeveel leerachterstand er tijdens de coronacrisis is opgelopen? Gorissen: Dat verschilt van leerling tot leerling. Een aantal van hen heeft zeker remediëring nodig, en daar zullen we als school ook werk van maken. Maar naast leerachterstand is er ook zoiets als leefachterstand. Daar maak ik me nog meer zorgen over. Toen alle buitenschoolse activiteiten wegvielen, bleef alleen nog het afstandsonderwijs over. Ik word er blij van als ik zie hoe mijn leerlingen langzaam maar zeker weer kunnen opgaan in buitenschoolse activiteiten. En ik geniet er ook van als er in de klas nog eens goed gelachen wordt. Dat was zo lang geleden, en het is zo belangrijk. Jongeren moeten jong kunnen zijn. Ik ben het helemaal eens met wat een collega daarover zegt: 'Liever een zes zonder stress dan een zeven zonder leven.' Uit een recent onderzoek van de KU Leuven bleek dat een meerderheid van de leraren ontevreden is over zijn of haar job. Uit het enthousiasme waarmee u erover praat, valt af te leiden dat u tot een minderheid van tevredenen behoort. Gorissen: Ik doe mijn job ontzettend graag, al zit ik in een geprivilegieerde positie. Ik geef voltijds fysica en toe- gepaste fysica, de vakken die me het best liggen en waarvoor ik heb gestudeerd. Dat betekent dat ik twintig uur per week jonge mensen mag meenemen op een reis door mijn interessegebieden. Wat kan een mens meer willen? Uit ervaring weet ik dat je als leerkracht niet altijd zo veel geluk hebt. Ik heb ook een tijdje van de ene naar de andere tijdelijke opdracht moeten springen, en vakken moeten geven waar ik niet die passie voor voelde. Ik kan me goed voorstellen dat zoiets na verloop van tijd demotiveert. U gaf tot vorig jaar ook wiskunde, een vak dat met een enorm lerarentekort kampt. Hoe komt dat? Gorissen: Om te beginnen is er het simpele feit dat er niet veel jonge mensen fysica en wiskunde gaan studeren. In mijn eerste jaar fysica aan de Universiteit Hasselt waren we met twintig. Voor wiskunde was de groep zeker niet groter. Een deel van die beginners haalt het einde niet, dus de uitstroom is eerder beperkt. Een groot deel van die uitstromers trekt bovendien naar onderzoeksinstellingen en universiteiten, en ook bij banken en verzekeringen zijn ze gewild. Het onderwijs is voor hen maar een van de vele mogelijkheden. De slechtst betaalde, bovendien. Gorissen: Ja, en toch zou ik niet willen ruilen. U hebt ook een aantal jaren aan de universiteit gewerkt. Gorissen: Die periode heeft me nog meer in de richting van het leraarschap geduwd. Toen professor Carlo Vanderzande, de promotor van mijn doctoraat en mijn mentor, onverwacht overleed, mocht ik een aantal van zijn vakken overnemen. Zo heb ik ontdekt dat niets mijn hart sneller doet slaan dan les- geven. Toen ik vernam dat mijn huidige school een voltijdse fysicaleraar zocht, heb ik niet geaarzeld. Ik moest dat doen. Ik kon niet anders.