De afgelopen twee maanden is er duidelijk aan leerinhoud ingeboet, kwantitatief en kwalitatief, vindt Jan Royackers van Schoolmakers, een organisatie die scholen begeleidt in leerprocessen. Hij voorspelt dat de meeste scholen de gemiste leerstof zullen doorschuiven naar het volgende schooljaar of laten vallen. 'Dat hoeft niet dramatisch te zijn. Ik heb als leerlingenbegeleider gewerkt met leerlingen die maanden waren uitgevallen wegens ziekte. Dat was zelden een groot probleem, op voorwaarde dat je een goede selectie maakt van leerinhouden, en sterk inzet op extra begeleiding.'
...

De afgelopen twee maanden is er duidelijk aan leerinhoud ingeboet, kwantitatief en kwalitatief, vindt Jan Royackers van Schoolmakers, een organisatie die scholen begeleidt in leerprocessen. Hij voorspelt dat de meeste scholen de gemiste leerstof zullen doorschuiven naar het volgende schooljaar of laten vallen. 'Dat hoeft niet dramatisch te zijn. Ik heb als leerlingenbegeleider gewerkt met leerlingen die maanden waren uitgevallen wegens ziekte. Dat was zelden een groot probleem, op voorwaarde dat je een goede selectie maakt van leerinhouden, en sterk inzet op extra begeleiding.' De situatie is vandaag vanwege de grote schaal natuurlijk helemaal anders. 'Ik zou scholen adviseren om in de tijd die nog rest te focussen op zaken waarvan je weet dat die op de langere termijn belangrijk zijn. De aandacht moet naar basiskennis gaan. Als je als leraar merkt dat een leerling cruciale basiskennis eind juni nog niet onder de knie heeft, mag het geen taboe zijn om tijdens de zomervakantie door te gaan. Dat kan in de vorm van een zomerschool of een vakantietaak. Want dramatiseren is niet nodig, maar te sterk relativeren is ook geen goed idee.' Om toch minstens een deel van de leerlingen nog op de schoolbanken te krijgen, worden vandaag organisatorische huzarenstukjes opgevoerd. Heeft al dat werk veel zin? 'Die vraag krijg ik ook van leerkrachten', zegt Royackers. 'Ik begrijp dat wel, maar ik denk dat het voor de meeste leerlingen uiterst belangrijk is om toch nog een paar keer naar school te kunnen gaan. Al was het maar vanwege het sociaal-emotionele aspect. De afgelopen maanden waren ze daarvoor vooral op hun ouders aangewezen. In kwetsbare gezinnen is dat vaak nog minder vanzelfsprekend. Het lijkt mij dan ook geen slecht idee om die kwetsbare leerlingen het meest te ondersteunen.' De overheid adviseert om in het secundair onderwijs eerst de zesdejaars naar school te laten gaan. 'Ze had ook een andere redenering kunnen volgen', vindt Royackers. 'Die zesdejaars zitten al heel dicht bij het profiel van de leerlingen in het hoger onderwijs, en zijn een stuk zelfredzamer. Ik zou de school in eerste instantie openen voor de anderstalige OKAN-leerlingen of voor leerlingen uit de B-stroom. Ik zie scholen die het ook zo proberen te organiseren.' Deze lange periode van afstandsleren zal ook doorwerken in de manier waarop leraren hun leerlingen evalueren, verwacht Royackers. 'In ons onderwijs was de evaluatie tot dusver vooral summatief. Leraren toetsen en examineren, en presenteren de leerlingen op basis van de optelsom de rekening: mogen ze overgaan of niet? De afgelopen maanden is, noodgedwongen, de stap gezet naar een meer formatief handelen, dat gericht is op differentiatie op basis van resultaten en feedback. Voor die formatieve evaluatie zijn digitale tools bijzonder geschikt. Dat besef is nu bij heel veel leerkrachten doorgedrongen. De angst voor alles wat digitaal is, is als sneeuw voor de zon verdwenen. Leraren zijn verbaasd hoe vlot dat digitaal lesgeven ging, en hoe goed het voor een grote groep leerlingen kan werken.'