Vrije Tribune

‘Tijd om insecten mee te nemen in debatten en wetgeving rond dierenwelzijn’

Vrije Tribune Hier geven we een forum aan organisaties, columnisten en gastbloggers

Dat dieren pijn voelen, erkennen we, maar voor insecten maken we een uitzondering. Onderzoek toont echter aan dat ook insecten pijn ervaren, al zijn er verschillen van soort tot soort. ‘Tijd om insecten mee te nemen in debatten en wetgeving rond dierenwelzijn’, schrijven drie Britse academici.

Elk jaar worden minstens duizend miljard insecten gedood voor voedsel en veevoer. Ze sterven vaak door  extreme hitte of kou, vaak voorafgegaan door uithongering. Ter vergelijking: jaarlijks worden “slechts” zo’n 79 miljard zoogdieren en pluimvee geslacht.

Wetenschappers erkennen al lang dat dieren pijn ervaren, maar insecten bleken lang de uitzondering. Onze analyse van meer dan driehonderd wetenschappelijke vond echter bewijs dat minstens sommige insecten wél pijn voelen. Andere soorten zijn nog niet voldoende in detail bestudeerd.

Daarom hebben we ook zelf onderzoek gedaan naar de reactie van hommels op mogelijk schadelijke prikkels. De manier waarop ze daarop reageerden, was vergelijkbaar met pijnreacties die we bij mensen zien en bij dieren waarvan we accepteren dat ze pijn voelen.

Pijnlijke pesticiden

Pesticiden doden elk jaar nog eens miljarden meer wilde insecten. De werkelijke doodsoorzaak is dan vaak verlamming, verstikking of het oplossen van de inwendige organen, soms over een tijdsspanne van meerdere dagen.

(Lees verder onder het artikel.)

Als insecten pijn voelen, betekent dat dus dat zowel kweek ervan als ongediertebestrijding massaal leed veroorzaken. Toch worden insecten bijna universeel genegeerd in de debatten en de wetgeving rond dierenwelzijn. Een reden is dat insecten historisch gezien vaak als te simpel werden beschouwd, creatuurtjes met een te korte levensduur. Toch stapelt het bewijs zich op dat insecten pijn voelen.

Pijnindicatoren

De vraag of ze echt pijn ervaren, is moeilijk te beantwoorden. Pijn is immers een inherent persoonlijke ervaring. De moeilijkheid om pijn te diagnosticeren wanneer het wezen in kwestie niet kan praten, wordt geïllustreerd door de nog relatief recente wijze waarop baby’s werden behandeld tijdens operaties.

Zelfs tot in de jaren tachtig geloofden veel chirurgen dat baby’s geen pijn konden voelen, en dat er dus geen anesthesie nodig was tijdens een operatie. Ze dachten dat de voor de hand liggende reacties van baby’s, zoals schreeuwen en kronkelen, “slechts reflexen” waren. Hoewel er nog steeds geen bewijs is dat baby’s pijn voelen, accepteren we nu wel dat ze dat met bijna zekerheid wel doen.

Voor elk wezen dat zijn lijden niet rechtstreeks kan communiceren, moeten we vertrouwen op gezond verstand en waarschijnlijkheid. Hoe meer pijnindicatoren worden gevonden, hoe groter de kans dat ze die ook voelen. We moeten voor alle dieren dezelfde consistente criteria gebruiken, en zoeken naar dezelfde gedragsindicatoren voor pijn, of het nu gaat om insecten, een hond of een koe.

Liefde voor suiker

De meeste dieren vertonen ‘nociceptie’ of pijnzin: de verwerking van schadelijke prikkels, wat kan resulteren in een reflexachtige reactie. Wetenschappers weten al lang dat insecten nociceptie vertonen. Maar dat een dier potentieel schadelijke prikkels detecteert, wil niet noodzakelijk zeggen dat het werkelijk pijn voelt zoals die bij mensen in de hersenen wordt gegenereerd. Zowel nociceptie als pijn kunnen tot op zekere hoogte onafhankelijk van elkaar optreden.

In een recente studie ontdekten we dat de reacties van hommels op hitte afhankelijk zijn van andere motivaties. We hebben dat ontdekt door hommels vier voederbakken te geven: twee verhitte en twee onverhitte varianten. Elk etensbakje gaf suikerwater af, waar hommels dol op zijn.

Als elke voederbak dezelfde concentratie suikerwater bevatte, vermeden de hommels de twee verhitte voederbakken. Maar wanneer de verhitte voederbakken zoeter suikerwater uitdeelden dan de onverwarmde voederbakken, kozen hommels daar toch vaak voor. Hun liefde voor suiker woog dus zwaarder dan hun hekel aan hitte. Dat suggereert dat bijen pijn voelen, omdat (net als mensen) hun reacties meer zijn dan louter reflexen.

De bijen herinnerden zich ook de verwarmde en onverwarmde voederbakken, en ze gebruikten hun geheugen om te beslissen waar ze eten. Die afweging vond dus plaats in de hersenen.

De manier waarop het brein van insecten op schadelijke signalen reageert, is verschillend. Hongerige vliegen springen bijvoorbeeld minder snel weg van extreme hitte dan verzadigde vliegen. Onthoofde vliegen kunnen nog steeds springen, maar doen dat niet meer, wat aantoont dat hun hersenen wel degelijk betrokken zijn bij het vermijden van hitte. De communicatie tussen de hersenen en het reagerende lichaamsdeel blijkt ook consistent met de pijn.

Krabben en octopussen

Het kader dat we gebruikten om bewijs voor pijn bij verschillende insecten te evalueren, was hetzelfde dat er onlangs toe heeft geleid dat de Britse regering pijn erkende in twee andere grote groepen ongewervelden: tienpotige schaaldieren (zoals krabben, kreeften en garnalen) en koppotigen (waaronder octopussen en inktvissen). Die categorieën werden opgenomen in de Animal Welfare (Sentience) Act 2022.

Dat raamwerk heeft acht criteria om te beoordelen of het zenuwstelsel van een dier pijn kan doorgeven (zoals communicatie tussen hersenen en lichaam), en of gedrag kan wijzen op pijn.

Vliegen en kakkerlakken voldoen aan zes van die acht criteria. Volgens het raamwerk komt dat neer op “sterk bewijs”. Ondanks zwakker bewijs bij andere insecten, vertonen velen nog steeds “substantieel bewijs”. Bijen, wespen en mieren voldoen aan vier criteria, terwijl vlinders, motten, krekels en sprinkhanen aan drie criteria voldoen.

Kevers, de grootste groep insecten, voldoen maar aan twee criteria. Maar net als andere insecten die laag scoorden, zijn er in deze context maar heel weinig studies te vinden over kevers. We vonden geen bewijzen voor een insectensoort die aan geen enkele van de criteria voldeed.

Onze bevindingen zijn van belang, omdat het bewijs voor pijn bij insecten ongeveer gelijk is aan bewijs voor pijn bij andere dieren die al beschermd zijn onder de Britse wetgeving. Octopussen tonen bijvoorbeeld zeer sterk bewijs voor pijn (ze scoren op zeven van de acht criteria). Als reactie hierop heeft de Britse regering ze, net als krabben, opgenomen in de Animal Welfare Act.

Wettelijke bescherming

De Britse regering schept zo een precedent: sterk bewijs van pijn rechtvaardigt wettelijke bescherming. Sommige insecten voldoen in ieder geval aan deze norm, dus het is tijd om ze te beschermen.

Om te beginnen raden we aan om insecten op te nemen onder de Animal Welfare (Sentience) Act 2022. Dat zou hun vermogen om pijn te ervaren wettelijk erkennen. Die wet vereist enkel dat de overheid rekening moet houden met hun welzijn bij het opstellen van nieuwe wetgeving in de toekomst.

(Lees verder onder het artikel.)

Als we praktijken zoals landbouw en wetenschappelijk onderzoek willen reguleren, moet de overheid ook de bestaande wetten kunnen uitbreiden. Bijvoorbeeld de Animal Welfare Act 2006, die het tot een misdrijf maakt als er “onnodig lijden” wordt veroorzaakt bij dieren die onder de wet vallen. Dat zou ertoe kunnen leiden dat insectenkwekerijen, net als gewone boerderijen, dierenleed moeten reduceren en meer humane slachtmethoden toepassen.

De Animals (Scientific Procedures) Act 1986 reguleert het gebruik van dieren in experimenten of wetenschappelijk onderzoek als dat pijn, lijden, angst of blijvende schade aan het dier kan veroorzaken. De bescherming van insecten onder deze wet, zoals het geval is voor octopussen, zou het insectenonderzoek in wettelijke banen leiden, het aantal tests op insecten verminderen en ervoor zorgen dat experimenten een sterke wetenschappelijke onderbouwing hebben.

Tot slot zijn er nog de pesticiden, die een enorme bedreiging zijn voor het welzijn voor wilde insecten. We raden aan om meer humane pesticiden te ontwikkelen, die insecten sneller doden om hun lijden te minimaliseren.

Over de auteurs:

Matilda Gibbons is neurowetenschapper, Lars Chittka is professor Gedragsecologie, beide aan de Queen Mary Universiteit van Londen. Andrew Crump is onderzoeker aan de London School of Economics and Political Science.

Deze opinie is eerder verschenen bij IPS-partner The Conversation.

Partner Content