We leven in die altijd wat vreemde week tussen 11 en 21 juli, die traditiegetrouw bol staat van de grote woorden. Eerst over Vlaanderen, straks over België. Elf dagen lang vlaggengezwaai, tromgeroffel, knetterende toespraken, uitreiking van Gulden Sporen, ambassadeurschappen, wat niet al meer. Moeten we echt nog zo hard roepen om te laten horen dat we bestaan?
...

We leven in die altijd wat vreemde week tussen 11 en 21 juli, die traditiegetrouw bol staat van de grote woorden. Eerst over Vlaanderen, straks over België. Elf dagen lang vlaggengezwaai, tromgeroffel, knetterende toespraken, uitreiking van Gulden Sporen, ambassadeurschappen, wat niet al meer. Moeten we echt nog zo hard roepen om te laten horen dat we bestaan? Maar wat er dezer dagen wordt gezegd, is ook niet vrijblijvend. Langzaam trekt een nieuwe communautaire ronde zich op gang. De Europese verplichting dat burgers van landen uit de Unie die in ons land verblijven, als ze dat wensen, hier aan gemeenteraadsverkiezingen moeten kunnen deelnemen, zwengelt de discussie aan - maar ze zou ook afgezien daarvan zijn gevoerd. De Vlaamse rondzendbrieven met betrekking tot wat er in de faciliteitengemeenten gebeurt, waren er al een voorbode van dat er beweging kwam in het veld. Zonder dat het ergens vast op een agenda staat, groeide er zeker in het noorden van het land de voorbije maanden een consensus over dat de bevoegdheidsverdeling tussen het federale niveau en de gewesten en gemeenschappen ter gelegenheid van de parlementsverkiezingen volgend jaar maar weer eens nader moest worden bekeken. Het gaat dan onder meer over fiscale autonomie, een regionalisering van de gemeenten- en provinciewet, splitsing van delen van de sociale zekerheid; met name de gezondheidszorgen en de kinderbijslagen. En natuurlijk garanties voor de Vlaamse aanwezigheid in de hoofdstad. Dat het Brusselse stadsbestuur verkoos niet aanwezig te zijn op de jaarlijkse 11-juliviering van het Vlaamse parlement in haar stadhuis, geeft aan waar we staan. Dat was, laten we zeggen, op zijn minst bijzonder onbeleefd. Dat er nu haast moet worden gemaakt met het stemrecht voor EU-burgers, is vervelend. Niemand weet immers op welke manier zij de verhouding tussen de taalgroepen zullen beïnvloeden, maar de Vlamingen vrezen dat het resultaat niet in hun voordeel zal uitvallen. En de Vlaamse vertegenwoordiging in de Brusselse instellingen maakt deel uit van het palaver, dat nog niet is begonnen. De kwestie opnemen in het geheel van de op handen zijnde gespreksronde, wat het hele Vlaamse parlement eigenlijk wou, kan alleen als Europa accepteert om zijn veroordeling en de boete die daaraan vasthangt, zolang op te schorten. Het zou bovendien over de partij- en taalgrenzen heen eenzelfde soort goodwill vragen als voor de hervorming van politie en justitie na de ontsnapping van Marc Dutroux. De CVP, zoals gebruikelijk met twee petten op het hoofd - een federale en een Vlaamse -, verkiest om de zaken gescheiden te houden: eerst het ene, volgend jaar het andere. Wij willen vermijden, zegt voorzitter Marc Van Peel, dat de Franstaligen eisen verbinden aan de uitvoering van een Europese verplichting. De vraag is of hij daar op termijn aan ontsnapt. Jean-Luc Dehaene heeft nu immers nog maar één mogelijkheid om snel de noodzakelijke tweederde meerderheid bij elkaar te sprokkelen: de uitgestoken hand van PRL-leider Louis Michel grijpen, die aan zijn medewerking niet al te veel voorwaarden verbindt. Michel wordt door de premier tegenwoordig alom om zijn pragmatisme geroemd - op zoveel eer kunnen, bijvoorbeeld, alvast de Vlaamse liberalen niet rekenen. Maar de PRL brengt ook het FDF mee aan tafel. En daarin schuilt de gok van de CVP en van Dehaene: als ze voor het EU-stemrecht nu een beroep doen op de steun van de combinatie PRL-FDF, moeten ze er maar op rekenen dat die lui volgend jaar inschikkelijk zijn als de garantie voor de Vlamingen in Brussel in een ruimer verband ter sprake komt. De houding van het Brusselse stadsbestuur - met PRL en FDF - vorige zaterdag ten aanzien van het Vlaamse parlement was, wat dit betreft, weinig hoopgevend.Sinds nu goed dertig jaar bouwt België aan een huis met vele kamers en verdiepingen, dat soms wel een doolhof lijkt maar waarin een meerderheid van de bewoners zich comfortabel moet kunnen voelen. De architecten en hun aannemers hebben wel eens een scheve muur neergezet, maar aan de fundamenten is nooit geraakt. Geleidelijk groeit er een woonst, waarin Vlamingen en Franstaligen elkaar niet meer dan nodig voor de voeten lopen. Er is al eerder gewezen op de aberratie dat een stem in Vlaanderen een bepaalde Belgische politiek niet kan raken of sturen. Door alle evenwichten waarmee bij ons rekening moet worden gehouden, is die indruk in België sterker dan in andere landen waar met coalitieregeringen moet worden bestuurd. Het draagt bij tot dat beeld van een onaantastbare politieke klasse, ook al is dat misschien onterecht. En het gaat in tegen een ontwikkeling aan het eind van deze eeuw, dat mensen directer op de beslissingsmacht willen wegen. Een nieuwe communautaire ronde heeft alleen daarom al zin: ze kan een deel van die wrevel wegnemen en het bestuur coherenter maken. Dat is wezenlijk. Burgemeesters van onooglijke faciliteitengemeenten die zich groot voordoen en weigeren decreten toe te passen, politici die daar stokebrand mee spelen, ze leveren nauwelijks meer dan een achterhoedegevecht. Dat soort van getreiter is echt niet meer van deze tijd.Hubert van Humbeeck