'Lang leve de literaire frictie!' Frank Westerman, winnaar van de Gouden Uil afgelopen zaterdag, had zijn dankwoord goed voorbereid. Westermans optreden was een echo van de manier waarop hij in zijn boeken belangrijke maatschappelijke thema's paart aan een helder, persoonlijk verhaal. Met deze onderscheiding voor El Negro en ik, aldus Westerman, krijgt het literaire genre van de non-fictie of van de documentaire roman eindelijk literaire erkenning. 'Hoef je niet langer mijn boek ergens tussen Windows voor senioren en de Belastingalmanak te gaan zoeken', zei Westerman nog. Of hoe je in een handomdraai je persoonlijke verhaal - eindelijk krijg ik een grote zak vol geld, dankuwel - aan een heuse trend kunt koppelen: lang leve de non-fictieliteratuur.
...

'Lang leve de literaire frictie!' Frank Westerman, winnaar van de Gouden Uil afgelopen zaterdag, had zijn dankwoord goed voorbereid. Westermans optreden was een echo van de manier waarop hij in zijn boeken belangrijke maatschappelijke thema's paart aan een helder, persoonlijk verhaal. Met deze onderscheiding voor El Negro en ik, aldus Westerman, krijgt het literaire genre van de non-fictie of van de documentaire roman eindelijk literaire erkenning. 'Hoef je niet langer mijn boek ergens tussen Windows voor senioren en de Belastingalmanak te gaan zoeken', zei Westerman nog. Of hoe je in een handomdraai je persoonlijke verhaal - eindelijk krijg ik een grote zak vol geld, dankuwel - aan een heuse trend kunt koppelen: lang leve de non-fictieliteratuur. Derde keer, goede keer. Westerman die voor El Negro en ik een derde Gouden Uil-nominatie in de wacht sleepte, krijgt dus loon naar werken. Eigenlijk zou je verwachten dat Geert Mak, toch wel de pionier van het Nederlandstalige journalistiek-literaire mengproza, die eer te beurt valt. Maar zijn In Europa, een knappe rondleiding door het nieuwe Europa met zijn 25 lidstaten, bracht het niet verder dan de longlist van de Gouden Uil Literatuurprijs. Mak verbaasde tien jaar geleden al de literaire goegemeente met de soepele verteltoon van zijn Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Zijn fijnmazige verslag over de revolutionaire veranderingen in de Friese rurale samenleving ( Hoe God verdween uit Jorwerd) of het Nederlandse kerngezin ( De eeuw van mijn vader) zette in Nederland de toon voor een bloei van het oorspronkelijk Angelsaksische genre van de literaire reisreportage. Atlas-uitgever Emile Brugman, die naast Mak ook het werk van Westerman en Cees Nooteboom publiceert, speelde hierin een cruciale rol. Brugman bracht het Nederlandstalige publiek in contact met de exotische wereld van het waar gebeurde verhaal, zoals in het oeuvre van reisschrijvers als Redmond O'Hanlon en V.S. Naipaul. Onlangs begon hij nog aan Klassieke reizen, een nieuwe reeks van vertalingen van hoogtepunten uit de reisliteratuur. Wie kennis neemt van Het trieste der tropen van Claude Lévi-Strauss uit de jaren vijftig, staat versteld van de explosieve associaties die deze antropoloog maakt tussen het particuliere leven van Braziliaanse indianen en de universele gang van de geschiedenis. Westerman (°1964) is geen antropoloog van opleiding, maar landbouwingenieur. In 1987 behaalde hij zijn diploma van Tropische Cultuurtechniek aan de Landbouwuniversiteit te Wageningen. Hij ging de praktijk aan de theorie toetsen door in Peru de preColumbiaanse irrigatietechnieken van de indianen te gaan bekijken. Het lag in zijn bedoeling om ontwikkelingswerker te worden, maar de confrontatie op het veld bracht hem op journalistieke ideeën. In plaats van in het leven van de mensen in te grijpen, wou hij het liever observeren. Toen al twijfelde hij blijkbaar aan de zin van ontwikkelingshulp. Die scepsis is met de jaren toegenomen en fluisterde hem enkele jaren geleden het idee in van El Negro en ik. Vooraleer hij de lotgevallen van een opgezette neger (El Negro) in kaart bracht, was hij bijna tien jaar lang correspondent voor Nederlandse kranten. Voor de Volkskrant volgde hij sinds 1992 de Joegoslavische heksenketel in Belgrado. Over deze tijd publiceerde hij in 1994 Brug over de Tara, zijn debuut. De doorbraak bij een groter publiek kwam er toen hij als NRC Handelsblad-correspondent in Rusland verbleef. Hij raakte als progressieve journalist geïnteresseerd in de naweeën van de Russische revolutie. De confrontatie van de stalinistische, agressieve landbouwpolitiek met de traditionele, kleinschalige boerentraditie herinnerde hem aan de wijze waarop in de Nederlandse provincie Groningen de communistische arbeiders indertijd het onderspit hadden moeten delven voor industriële herenboeren. Dat die strijd niet altijd even ondubbelzinnig verliep, schetste hij in De graanrepubliek (1999) aan de hand van het leven van Sicco Mansholt, de bekende Europese landbouwhervormer uit de jaren zestig. Daarmee had Westerman de format van zijn journalistieke literatuur gevonden: illustreer aan de hand van een persoonlijk verhaal de manier waarop de grote geschiedenis ons kleine leventje bepaalt. Op meesterlijke wijze vertelt hij in Ingenieurs van de ziel (2002) hoe bekende Russische schrijvers, zoals Maxim Gorki, Andrej Platonov en Konstantin Paustovski, bewust of onbewust collaboreerden met de sociaal-realistische propagandamachine van vadertje Stalin. In El Negro en ik gaat Westerman een stap verder. Deze keer staat zijn eigen biografie immers model voor de versmelting tussen persoonlijke anekdotiek en universele geschiedenis. Als negentienjarige student had hij begin jaren tachtig al raar opgekeken toen hij op studiereis in een Spaans museum het uitgestalde lichaam van een zwarte Afrikaan had bekeken. Bleek dat de mummie regelmatig met schoensmeer werd ingewreven om de echtheid van het preparaat te onderstrepen. Westerman wil weten waar deze museale Bosjesman oorspronkelijk heeft geleefd. Hij gebruikt zijn zoektocht naar de echte El Negro voor een biecht over de eigen twijfels bij het westerse ontwikkelingswerk. Hij zet grote vraagtekens bij de vaak racistische of alleszins neerbuigende manier waarop ontwikkelingshulp wordt bedreven met als onderliggende premisse: word zoals wij, westerlingen. In die zin is ontwikkelingssamenwerking volgens Westerman een voortzetting van de missionaris of de kolonialist met andere middelen. Westerman is een aardige verteller, maar de houdbaarheidsdatum van de ideeën in verband met ontwikkelingswerk, kolonialisme en racisme die hij hier via zijn persoonlijk relaas bekritiseert, is toch al een tijdje overschreden. Toen Westerman in het begin van de jaren tachtig studeerde, was een dergelijke ontmaskering van het westerse kolonialisme en kapitalisme schering en inslag in het werk van Franse structuralisten als Gilles Deleuze, Félix Guattari en Etienne Balibar. Westerman mag zich dan al verdedigen dat hij meer begaan is met het hoe (de literaire stijl) dan met het wat (de filosofische inhoud), toch speelt die politiek-correcte teneur hem hier en daar parten. Hij heeft echter overschot van gelijk wanneer hij beweert dat het geen steek houdt om non-fictie of documentaire boeken, zoals hij en Mak die schrijven, te verbannen uit het schone reservaat van de bellettrie. In die zin wordt met zijn bekroning eindelijk recht gedaan aan de auteurs van de zogenaamde faction. Deze nieuwe journalisten brengen een cocktail van facts en fiction. Chris De Stoop ( Zij kwamen uit het Oosten) is een van de betere vertegenwoordigers van dit genre, samen met Luc Devoldere ( De verloren weg) en David van Reybrouck ( De plaag). Van Reybrouck vroeg zich in het decembernummer (2004) van het literaire tijdschrift Deus ex Machina af waarom er bij ons zo weinig goede non-fictieschrijvers zijn, van het slag van Mak en Westerman. Hij hoopt dat nieuwe subsidiemechanismen dankzij het Fonds Pascal Decroos en het Fonds voor de Letteren misschien soelaas kunnen bieden, want de academische cultuur ontmoedigt briljante afgestudeerden om hun wetenschappelijk werk op een literair verantwoorde manier te populariseren. In hetzelfde nummer van dat magazine staat trouwens het stuk waar Westerman de mosterd haalde voor zijn bedankje van de Gouden Uil. 'Frictie of non-frictie, daar gaat het om', aldus de titel van Westermans bijdrage. Kafka had het over authentieke literatuur die een wak in het ijs van het gemoed van de lezer maakt. Op een soortgelijke manier pleit Westerman voor boeken die de vonk doen overslaan en zo voor kinetische wrijving zorgen tussen schrijver en lezer. Wie schrijft, die wrijft. Wat doet het er dan toe of die auteur-masseur waar gebeurde of fictieve verhalen opdist? Lang leve de frictieve letteren dus. Frank HellemansWesterman is een aardige verteller, maar de houdbaarheidsdatum van de ideeën die hij hier bekritiseert, is toch al een tijdje overschreden.