Het veldwerk vond plaats tussen 1 april en 16 mei 2003 in 21 landen: 13 EU-lidstaten (de 15 minus Ierland en Luxemburg), Tsjechië, Hongarije, Polen, Roemenië, Zwitserland, Turkije, Rusland en de Verenigde Staten. Het leeuwendeel van de peiling gebeurde in persoonlijke interviews. Alleen in landen zoals België, waar heel veel mensen over een telefoontoestel beschikken, werkten de enquêteurs hun vragenlijsten telefonisch af. De respondenten vormden in elk land een representatief staal van de bevolking boven een minimumleeftijdsgrens, die schommelde tussen de 15 en de 18 jaar. Voor de meeste nationale peilingen werden 1000 mensen bevraagd. In Rusland (2197) en Turkije (1783) zelfs iets meer. In de drie Scandinavische landen volstonden 500 interviews. De foutenmarge ligt tussen de 2,2 % (Rusland en Turkije) en de 5,0 % (de Scandinavische landen). Overal geldt een betrouwbaarheidsgraad van 95 %. Voor de West-Europese en de Centraal-Europese totalen ondergingen de nationale resultaten een weging volgens het bevolkingsaantal. De Duitse cijfers werpen daardoor op Europees vlak een gewicht in de schaal dat achtmaal groter is dan dat van d...

Het veldwerk vond plaats tussen 1 april en 16 mei 2003 in 21 landen: 13 EU-lidstaten (de 15 minus Ierland en Luxemburg), Tsjechië, Hongarije, Polen, Roemenië, Zwitserland, Turkije, Rusland en de Verenigde Staten. Het leeuwendeel van de peiling gebeurde in persoonlijke interviews. Alleen in landen zoals België, waar heel veel mensen over een telefoontoestel beschikken, werkten de enquêteurs hun vragenlijsten telefonisch af. De respondenten vormden in elk land een representatief staal van de bevolking boven een minimumleeftijdsgrens, die schommelde tussen de 15 en de 18 jaar. Voor de meeste nationale peilingen werden 1000 mensen bevraagd. In Rusland (2197) en Turkije (1783) zelfs iets meer. In de drie Scandinavische landen volstonden 500 interviews. De foutenmarge ligt tussen de 2,2 % (Rusland en Turkije) en de 5,0 % (de Scandinavische landen). Overal geldt een betrouwbaarheidsgraad van 95 %. Voor de West-Europese en de Centraal-Europese totalen ondergingen de nationale resultaten een weging volgens het bevolkingsaantal. De Duitse cijfers werpen daardoor op Europees vlak een gewicht in de schaal dat achtmaal groter is dan dat van de Belgische data.Je zou het niet van ze verwachten, maar de Nederlanders zijn big spenders op restaurant. Als Dick en Mies buitenshuis eten, tellen ze daar graag veel geld voor neer. Een restaurantrekening van meer dan 30 euro per persoon is voor de helft van onze noorderburen geen gekkigheid. Ze laten met die score de Zwitsers en de Belgen nog achter zich, en die houden nochtans ook de vinger niet op de knip als ze een eetgelegenheid bezoeken. Weerlegt dat het clichébeeld van de zuinige Nederlander? Niet noodzakelijk. In België gaan grotere groepen van de bevolking geregeld ergens een hapje eten, ook de iets minder gegoede bevolkingslagen. Nederland is veel minder het land van de taverne en de frituur. Maar het telt wel bijna evenveel sterrenrestaurants als Vlaanderen en Brussel samen. Nederlanders gaan dus niet vaak uit eten, ze gooien er alleen meer geld tegenaan áls ze gaan. De aangehaalde cijfers vormen mee het resultaat van een grote lifestyle-enquête, uitgevoerd door het marktonderzoeksbureau GfK Ad Hod Research Worldwide. Dat peilde naar de persoonlijke levensstijl van de inwoners van 21 landen (details hiernaast). Om op het restaurantbezoek verder te gaan: de Amerikanen gaan het vaakst, de Britten gaan meer dan de reputatie van hun keuken doet vermoeden, en de Fransen minder. Er was in de vragenlijst ook aandacht voor niet-gastronomisch tijdverdrijf. Daardoor weten we nu dat de Russen niet zo graag naar de bioscoop gaan. En dat de Finnen nog net iets meer van sport en fitness houden dan de Zweden. En dat heel veel mensen nog het liefst thuis hun ontspanning zoeken. Rustig televisie kijken, muziek beluisteren, wat lezen: driekwart van het totaal aantal ondervraagden doet eigenlijk niets liever. De Belgen tonen zich op dat vlak wat socialer dan het gemiddelde. Bij ons scoort thuisblijven ook hoog (58 %), maar wij zijn zeker cultureel, maar ook sportief heel wat actiever. Vooral bij Belgische vrouwen is cultuur populair, terwijl de mannen zich iets meer op sport richten, zowel passief als actief. De clichés, jawel. Dat ouderen wat liever thuisblijven of zich aan het tuinieren wijden, is evenmin een verrassing. Kijken we naar het opleidingsniveau, dan valt vooral op dat iedereen in België, van laaggeschoold tot universitair, even graag klust of sport. Ook op het vlak van inkomen zijn er voor die twee activiteiten nauwelijks verschillen te bespeuren. Verschillen bestaan wel op andere gebieden: hoge inkomens nemen meer deel aan culturele evenementen, terwijl de kleine verdieners zich thuis amuseren. Zij vinden uit eten gaan ook niet zo leuk - ze beschouwen het alleszins niet als een geliefkoosde activiteit. En wat de eerder aangehaalde restaurantrekening betreft: die stijgt met de leeftijd van de ondervraagde. Van de vijftigers geeft al 43 procent voor een maaltijd buitenshuis meer dan 30 euro uit per persoon. Pas vanaf zestig keert die trend, en worden de schranspartijen minder copieus. Het percentage bij de zestigplussers (32 %) dat zich over de 30-euro-grens waagt, wijst daar alleszins op. Het inkomen heeft natuurlijk ook zijn invloed. Wie het breed heeft, laat het breed hangen: ook dat wordt door de enquête bevestigd. Er werd ook één fundamentele vraag gesteld: maakt de moderne mens nog wel tijd voor al die vormen van vrijetijdsbeleving? Heeft hij überhaupt nog een privé-leven? Uit de resultaten blijkt alvast van wel: 60 procent van de West-Europese ondervraagden zegt minstens evenveel tijd aan privé-beslommeringen te spenderen als aan het werk. In Centraal-Europa (53 %) en de VS (54 %) ligt die indicator wat lager. Binnen West-Europa zijn de laagste scores te vinden in Portugal, Griekenland en Spanje, terwijl de Nederlanders (71 %) en de Zweden (68 %) duidelijk meer met hun eigen leven bezig zijn dan met hun professionele bezigheden. Of een en ander ook overeenstemt met de werkelijkheid, is een andere kwestie. Voor de ondervraagden ging het om hun eigen aanvoelen. Interpretatie is dus ook aan de kant van de lezer toegelaten. Dat geldt ook voor de resultaten in België, waar 45 procent zegt zijn leven in balans te hebben, en slechts 19 procent vindt dat het evenwicht meer naar het werk overhelt. De hardst werkende groep vormen de dertigers, en ook de arbeiders trekken dat gemiddelde omhoog. Misschien verrassend: slechts 8 procent van de ondervraagde zelfstandigen zegt meer energie te besteden aan de professionele activiteiten. Waarheid of een kwestie van mentaliteit? Ook dat is alweer een interpretatie van zowat duizend interpretaties. Gerry MeeuwssenHeeft de moderne mens nog wel een privé-leven?