Als er ook maar één reden is om Peter Ackroyd op te nemen in de overzichten van de Engelse literatuur, dan is het wel om zijn extreem relativistische kijk op de geschiedenis en de geschiedschrijving. Het zijn allemaal verhalen, zo stelt hij. We weten zo weinig over het verleden dat de feiten in ieder geschiedenisboek in het niets verdwijnen bij de verdichting die de historicus eromheen breit. Vandaar - en daar heeft hij natuurlijk wel een punt - dat de definitieve biografie ...

Als er ook maar één reden is om Peter Ackroyd op te nemen in de overzichten van de Engelse literatuur, dan is het wel om zijn extreem relativistische kijk op de geschiedenis en de geschiedschrijving. Het zijn allemaal verhalen, zo stelt hij. We weten zo weinig over het verleden dat de feiten in ieder geschiedenisboek in het niets verdwijnen bij de verdichting die de historicus eromheen breit. Vandaar - en daar heeft hij natuurlijk wel een punt - dat de definitieve biografie van een More, Dickens of Freud nooit zal worden geschreven. In zijn nieuwste boek, De Plato-geschriften, werkt Ackroyd dit idee uit tot een schitterende ideeënroman. We schrijven het jaar 3700. Plato, een jonge, twistzieke wijsgeer doceert over het tijdperk van de Moldewerp, van 1500 tot 2300 na Christus. Veel bronnen om op terug te vallen heeft hij echter niet. Hij heeft een exemplaar van The Origin of Species, van ene Charles D. Aangezien de rest van de naam weggekrabd is en er in grote letters "vuiligheid" op staat, weet hij niet wie deze roman geschreven heeft, maar hij gaat ervan uit dat het Dickens wel zal geweest zijn. Van hem zijn er nog een paar boeken gevonden. Deze "meesterlijke klucht" toont perfect aan dat wetenschap en samenleving sterk samenhangen, aldus Plato. Beweert de hoofdpersoon ervan immers niet dat strijd en verovering de basis van het leven vormen? En leefde hij niet in de periode dat het kapitalisme onmenselijk bruut regeerde zodat overleven inderdaad een strijd was? Op dezelfde manier "leest" hij vervolgens ook Poe en Freud. Door constant met het tijdperk van de Moldewerp bezig te zijn, krijgt Plato zin het te bezoeken. Hij daalt in de grot af en vindt daar de twintigste eeuw, druk bevolkt met mensen die niets van goden en geesten willen weten, maar daarentegen alleen de orde en de regelmaat aanbidden. Wanneer hij uiteindelijk terugkomt in de vermeende schaduwloze en perfecte vormenwereld gaat hem een licht op: hij heeft waarachtig leven gezien. De mensen bewogen, ze stonden niet stil zoals zijn soortgenoten. Zij wisten dat ze de waarheid niet in pacht hadden. In de twintigste eeuw bestonden er verschillende naast elkaar levende werelden. En daaruit besluit hij dat de vormenwereld in feite geen hogere wereld is: zij is een gevangenis. Dé wereld bestaat niet. Het is wat je er zelf van maakt wat telt.Peter Ackroyd, "De Plato-geschriften", BZZTÖH, 's-Gravenhage, 159 blz., 650 fr.Marnix Verplancke