De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde liep wat vertraging op met de publicatie van haar Verslagen en Mededelingen vorige week verscheen aflevering 1 van de jaargang 1996. Erg lezenswaardig daarin is een opstel van Jean Weisgerber over prins Charles-Joseph de Ligne, een edelman op het breukvlak tussen Ancien Régime en de nieuwe tijd van n...

De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde liep wat vertraging op met de publicatie van haar Verslagen en Mededelingen vorige week verscheen aflevering 1 van de jaargang 1996. Erg lezenswaardig daarin is een opstel van Jean Weisgerber over prins Charles-Joseph de Ligne, een edelman op het breukvlak tussen Ancien Régime en de nieuwe tijd van na de Franse Revolutie. In dit nummer ?herdenkt? de Academie vooral Paul van Ostaijen, door de tekst van enkele lezingen af te drukken, die ook als overdruk in een brochure werden samengebracht. Veruit de belangrijkste Van Ostaijen-kenner, Paul Hadermann, bewijst nogmaals zijn eruditie met een bijdrage waarin hij, wandelend doorheen Van Ostaijens werk, het thema moord en zelfmoord onderzoekt. Beide motieven komen vrij frequent voor, niet als een onderwerp, maar als de voorwaarde of de consequentie van een handeling of een situatie. Hadermann leest erin de totale inzet van de dichter in de literatuur, die met elk gedicht opnieuw begint, volgens het adagium van Jean Cocteau : ?il faut se brûler vif pour renaître?. Het verwijst naar het constante perspectief van het tabula rasa. Even boeiend maar vrij summier uitgeschreven is de bijdrage van, alweer, Jean Weisgerber over ?de Antwerpse avant-garde?, waartoe Van Ostaijen doorgaans wordt gerekend. Weisgerber tracht enige orde te scheppen in een al te lukraak gebruik van de term avant-garde en gaat specifiek na wat hij concreet in Van Ostaijens tijd kon betekenen. Hij wijst erop dat de avant-garde in het buitenland heel diverse verschijningsvormen aannam, die in België evenwel door elkaar liepen. Bovendien legt Weisgerber de vinger terecht op een merkwaardige paradox. Aan de ene kant heeft de avant-garde per definitie een revolutionair karakter, aan de andere kant wordt de kunst in onze gewesten gewoonlijk gedragen door een sociale groep die traditioneel afkerig staat van alles wat naar het revolutionaire neigt. Weisgerber noemt die groep de derde stand of de bourgeoisie, hoewel hij misschien veeleer de kleine burgerij bedoelt mensen als Van Ostaijen. Marc Reynebeau ?Herdenking Paul van Ostaijen?, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (Koningstraat 18, 9000 Gent), 39 blz., 80 fr.Van Ostaijen : moord, een nieuw begin.