Hoe zit het met het jonge Vlaamse proza, nu de bijna-veertigers Tom Lanoye en Herman Brusselmans nog altijd het mooie weer maken ? De vraag is het antwoord : niet al te best dus, want na de prille dertiger Paul Mennes dient zich niet direct iemand anders aan die de literaire luwte enige turbulentie geeft. Mennes' leeftijdgenoot Jeroen Olyslaegers, doet zijn best om de Vlaam...

Hoe zit het met het jonge Vlaamse proza, nu de bijna-veertigers Tom Lanoye en Herman Brusselmans nog altijd het mooie weer maken ? De vraag is het antwoord : niet al te best dus, want na de prille dertiger Paul Mennes dient zich niet direct iemand anders aan die de literaire luwte enige turbulentie geeft. Mennes' leeftijdgenoot Jeroen Olyslaegers, doet zijn best om de Vlaamse letteren ietwat elan te geven, maar hij doet teveel zijn best waardoor het effect niet echt geslaagd is. Zijn debuut ?Navel? (1994) was één filmische geeuw die al te onmiddellijk leentjebuur speelde bij camerabewegingen om literair verteerbaar te zijn. Nu pakt hij het beter aan. ?Il faut manger? is een verhalenbundel waarin wordt gebabbeld dat het een lieve lust is. Olyslaegers forceert zijn verteller niet om de literatuur kost wat kost aansluiting te doen vinden bij de nieuwe media, alhoewel die wel figureren in de verhalenbundel. Hij geeft zijn verhalen zowaar een structuur die lijkt op de links van de internettaal : elke moot tekst vaart onder een eigen hoofding. Maar voor de rest putten auteur en verteller zich niet langer uit in het modieus copiëren van bepaalde mediaprocédés. Wat doen ze wel ? Er worden ironische dialoogflarden ten beste gegeven en niets is wat het lijkt, tot alles opnieuw tot rust komt in de grote banaliteit. Kortom, de lezer stoot hier en daar op een weerhaakje van één zin lang. Blijkt dat die speciaal geformuleerde zinnen vaak het resultaat zijn van een stilistische mix van concrete dingen met abstacta, zoals : de liefde (abstract) is een roos (concreet) ; ?Ik sliep en droeg de zonden van mijn leeftijd als een uitgerafelde sjaal om mijn nek.? Of minder hoogdravend : ?Ik zucht, medelijden en afschuw spelen pimpampet in mijn brein. Afschuw wint?Als hij bovendien elk van zijn verhalen gaat inleiden met twee citaten, wordt duidelijk dat Olyslaegers het te nadrukkelijke knipogen nog niet heeft afgeleerd. Om het met Wittgenstein te zeggen : Olyslaegers moet de ladder die hij bestegen heeft, durven afwerpen. Pas als hij zonder ballast kan en wil schrijven, zullen we weten of Mennes een concurrent heeft. Frank Hellemans Jeroen Olyslaegers, ?Il faut manger?, Houtekiet/de Prom, Antwerpen/Baarn, 180 blz., 595 fr.