Ze zijn jong - althans jong genoeg -, ze zijn vrouw en ze krijgen mooie tot schitterende recensies: Kirsten John (°1966), Jenny Erpenbeck (°1967), Julia Franck (°1970) en (vermoedelijk de belangrijkste van hen) Judith Hermann (°1970) zijn, naar het zich laat aanzien, schrijfsters die mee de toon van de nieuwe Duitse literatuur zullen bepalen.
...

Ze zijn jong - althans jong genoeg -, ze zijn vrouw en ze krijgen mooie tot schitterende recensies: Kirsten John (°1966), Jenny Erpenbeck (°1967), Julia Franck (°1970) en (vermoedelijk de belangrijkste van hen) Judith Hermann (°1970) zijn, naar het zich laat aanzien, schrijfsters die mee de toon van de nieuwe Duitse literatuur zullen bepalen. Die toon was, niet het minst volgens oudere heren, enige jaren geleden te navelstaarderig en te literatuurderig geworden - ook in het Blätterwald heeft destijds de roep om meer straatrumoer weerklonken. Men is ondertussen ruimschoots op zijn wenken bediend: jonge schrijvers als Benjamin von Stuckrad-Barre (°1975), Alexa Hennig von Lange (°1973), Tanja Dückers (°1968) en Christian Kracht (°1966) (allen vertegenwoordigers van wat al de 'Generation Golf' is genoemd) hebben de Jugendszene, de gedragsavant-garde, het hypermoderne leven al in menig boek (en website) gevat. Vertaald is van dezulken niets (behalve dan Krachts parabelachtige, in Iran en Tibet spelende korte roman 1979, in Knack besproken op 18 september 2002) - te trendy, te plaatsgebonden (zelfs al is die plaats dan vaak Berlijn). Maar nu is er dus een kleine Welle van de bovengenoemde schrijfsters. Judith Hermann, om met haar te beginnen, publiceerde in 1998 een van de grootste Duitse literaire successen van de laatste tien jaar: de verhalenbundel (!) Sommerhaus, später, in 1999 onder de titel Zomerhuis, later bij Prome-theus vertaald. In Duitsland zijn van het boek ondertussen meer dan 250.000 exemplaren verkocht, en met de langverwachte opvolger zal het niet anders gaan: Hermanns begin februari verschenen tweede verhalenbundel, Nichts als Gespenster ('Niets dan spoken', S. Fischer Verlag, Frankfurt/Main, 319 blz., a 17,90; de vertaling verschijnt komende winter bij Prometheus), is als een raket naar de top van de bestsellerslijsten geschoten. Opnieuw vertelt de schrijfster schitterende verhalen over de liefde, nu niet meer gesitueerd in Berlijn maar over de halve wereld, van Nevada en IJsland tot in Praag, op die bijzondere manier van haar, die je zou kunnen pogen te omschrijven als een mengeling van charmant en verleidelijk met schrijnend en vertwijfeld. De liefde, ze mag weer in de Duitse letteren. De oorlog, natuurlijk, en de hereniging, jazeker - maar ook het gewone menselijke gerommel en gedoe vermag de nieuwste lichting tot schrijven te inspireren. Op poëtische wijze, zoals Kirsten John doet in Leren zwemmen in blauw (Podium, Amsterdam, 192 blz., a 17,50), waarin het meisje Katharina de kleuren van het leven leert te doorgronden. Of bitterzoet, zoals Julia Franck doet in de acht verhalen van Buiklanding (Wereldbibliotheek, Amsterdam, 125 blz., a 14,50), waar door lust en hunker gedreven personages een wereld worden ingestuurd waarin ze al te vaak zichzelf terugvinden terwijl ze een deur dichtdoen en het slot ervoor hangen. Zeer genietbaar. Als het aan deze schrijfsters ligt, kun je in gemoede niet anders dan zeggen: Deutsch? Ja, bitte sehr! Herman Jacobs