Jeroen Brouwers. 'De schemer daalt. Slenteren door mijn boekenkast. Feuilletons 7', Atlas, Amsterdam/Antwerpen.
...

Jeroen Brouwers. 'De schemer daalt. Slenteren door mijn boekenkast. Feuilletons 7', Atlas, Amsterdam/Antwerpen.Het heeft wel iets gezelligs, zo'n nieuwe aflevering van Brouwers' Feuilletons. Je weet ongeveer wat je in een aflevering van dit 'eenmanstijdschrift in boekvorm' - net zoals de door Brouwers zeer bewonderde Louis Paul Boon ooit had in diens Reservaat - zult aantreffen: flarden literaire geschiedenis gemengd met autobiografie, literaire essayistiek (niet zelden necrologisch van aard), polemische oprispingen, glossen en verder de soort aantekeningen die Brouwers in deze recentste aflevering rubriceert onder de nogal goed gekozen titel 'Een korzelig grommen'. De kwaliteit van de bijdragen wil nogal eens wisselen, maar iets naar de gading van wie belang stelt in (de Nederlandstalige, en met name ook de Vlaamse) literatuur is er altijd wel te vinden. Maar zei ik daar 'gezellig'? Het korzelig gegrom (bijvoorbeeld over bijzonderheden, de katholieke liturgie betreffende, over de onwetendheid alsook de vergissingen dienaangaande van heidenen als Harry Mulisch, zoals die blijken uit diens Ontdekking van de hemel, en over de kwestie of de allerheiligste maagd Maria een chimpansee was) is voor de liefhebber zeer genietbaar, maar er is ook ánder werk. Een citaat uit de laatste bijdrage aan deze Feuilletons, een autobiografisch geïnspireerd essayistisch verhaal of verhalend essay, genre waarvan Brouwers een der meesters is, getiteld 'Heimwee' (hiervoor is net geschilderd hoe de auteur als opstandige puber het door hem innig verfoeide streng katholieke internaat waar hij al zijn jongensjaren heeft gesleten is ontvlucht, maar vervolgens is teruggehaald en nu van de prefect ten overstaan van al de andere kostschoolleerlingen een genadeloze schrobbering krijgt): 'Ik was er helemaal niet vandoor gegaan uit heimwee, in ieder geval niet het soort dat de eerwaarde stond te schilderen. Ik verlangde absoluut niet naar huis, naar de wajangpoppen, de geaquarelleerde sawavergezichten, de Javaanse krissen en artistiek gedrapeerde sarongs die tegen alle muren hingen, de tastbare relicten die bij het jankerige heimwee van mijn moeder hoorden, - het was er helemaal niet fijner, plezieriger, aangenamer. Ik beschouwde mezelf trouwens als thuisloos sedert mijn ouders me in de Sing Sing [zo noemden de leerlingen hun school, nvdr.] hadden weggemoffeld om uit gemakzucht van me af te zijn, tussen hen en mij zou het nooit meer goedkomen.' Wat heet - elders in dit stuk spreekt Brouwers onverbloemd zijn door al die jaren nauwelijks een beetje getemperde haat tegen zijn ouders uit. Voor wie een beetje thuis is in Brouwers' oeuvre en universum, is dat weliswaar geen nieuws - maar toch blijft het schokkend en schrijnend. Weg gezapigheid, weg berusting: bij Jeroen Brouwers is er geen met voldoening achteromkijken. Tegelijk weet Brouwers zich toch telkens weer op te laden voor die andere soort stukken waarin hij excelleert: de necrologieën van verdwenen schrijvers, die hij met piëteit even weer tot aanschijn weet te wekken. Niet allen behoren zij tot de nobele onbekenden: de vorig jaar gestorven Freddy de Vree komt hier voorbij, Brouwers verdiept zich in een bewering van Willem Frederik Hermans (+1995) aangaande de impotentie en de zelfmoord van Menno ter Braak (+1940), en de onvergelijkelijke Rotterdammer Bob den Uyl (+1992), groot stilist, fietser, Belgenbeschouwer en ongelukkenmagneet, wordt terecht uit de Tartarus teruggeroepen. Maar het mooiste en belangwekkendste stuk van heel deze aflevering is het lange opstel over de volstrekt vergeten Vlaamse dichter-criticus Frans Buyle, geboren in 1913 in Sint-Niklaas en in 1977 gestorven in Antwerpen. Deze Buyle (misschien hebt u op school toch ooit nog zijn gedicht De gek in de regenton gelezen) blijkt er een van de soort te zijn geweest waar je ook Brouwers zelf toe kunt rekenen: onafhankelijk in zijn kritiek, en fair maar streng, en niet onvoorwaardelijk tot vriendjesaaierij geneigd. De andere Vlaamse literaire randverschijnselen die Brouwers hier nog even uit het zwarte gat der nietmeerbestaandheid peutert, Lode Quasters (1911-1983) en Maria Messens (1939-1989), zullen desondanks voor eeuwig verdwenen blijven, maar dat over het werk van Buyle weer even de ademtocht van leven heeft gestreken, is een daad van genade en rechtvaardigheid. Herman Jacobs