We leerden het al op de lagere school: in de Middeleeuwen ging er van de kloosters een immense dynamiek uit. Niet alleen waakten de monniken over het zielenheil van de "gewone mensen", ze legden ook moerassen droog, werkten op het land, gaven onderwijs en verzorgden de zieken. Hoe ze daar tijd voor vonden, vroegen we ons nooit af, net zomin als we stilstonden bij de vraag hoe we dit eigenlijk allemaal wisten. Nu weten we dat dit traditionele beeld steunde op schriftelijke bronnen die vooral van de monniken zelf afkomstig waren. Reden genoeg dus, zo denkt de hedendaagse historicus, om argwanend te zijn.
...

We leerden het al op de lagere school: in de Middeleeuwen ging er van de kloosters een immense dynamiek uit. Niet alleen waakten de monniken over het zielenheil van de "gewone mensen", ze legden ook moerassen droog, werkten op het land, gaven onderwijs en verzorgden de zieken. Hoe ze daar tijd voor vonden, vroegen we ons nooit af, net zomin als we stilstonden bij de vraag hoe we dit eigenlijk allemaal wisten. Nu weten we dat dit traditionele beeld steunde op schriftelijke bronnen die vooral van de monniken zelf afkomstig waren. Reden genoeg dus, zo denkt de hedendaagse historicus, om argwanend te zijn. In "Hemelse monniken, aardse mensen" schrijft Ludo Milis, hoogleraar cultuur- en religieuze geschiedenis aan de RU Gent, dat de monniken in de Middeleeuwen, naargelang de eeuw die men beschouwt, met hun 0,5 procent van de bevolking tussen de 65 en de 98 procent van de schriftelijke informatie voortbrachten. Door de resterende 2 tot 35 procent onder de loep te nemen, is de historicus in staat een veel genuanceerder beeld te geven van de maatschappelijke relevantie van het monnikendom. Milis vertrekt bij de eigenlijke bestaansreden van de benedictijnenkloosters: het waren oorden van afzondering die niet toevallig ver van de steden lagen en een spiritueel leven vooropstelden. De eigenlijke stichters waren bijna altijd adellijke families die met een royale schenking hun hemel wilden verdienen. De monniken werden geronseld uit de betere kringen. De novice moest immers in staat zijn een soort bruidsschat te betalen en dat was voor Jan met de pet niet weggelegd. De middeleeuwse wereldvisie stond uiterst negatief tegenover de materie. De zondeval had de wereld slecht gemaakt en sindsdien was het er alleen maar erger op geworden. De Contemptus mundi of de algehele verachting van de wereld was de overheersende christelijke ideologie. Nog tot aan de Verlichting werd vooruitgang algemeen gelijkgesteld aan verval. Alleen stabiliteit en herstel waren positief. Bernardus van Clairvaux, de man die de naar zijn zin te wereldse benedictijnen hervormde tot de plichtsbewuste cisterciënzers, kon zo bijvoorbeeld schrijven: "Alles wat ik zeg, zal worden afgekeurd als vernieuwing." Wilde je in die tijd verandering doorvoeren, dan moest je die voorstellen als een stap achteruit, als een renaissance dus. ARMOEDE WAS NUTTIGAls kinderen van hun tijd dachten de monniken niet anders. Zij wilden het Rijk Gods binnen hun muren creëren, maar zeker niet daarbuiten. De buitenwereld kon immers alleen op het einde der tijden worden beoordeeld, en wel door God zelf. Op sommige gebieden was de zondige en onvolmaakte buitenwereld zelfs noodzakelijk om een goede kloosterwerking te verzekeren. Armenzorg, bijvoorbeeld, was er altijd op gericht de armoede te verhelpen, maar ze nooit volledig uit te roeien. Of zoals Cesarius van Arles het zei: "Als niemand arm was, zou niemand aalmoezen kunnen geven en zou niemand vergeving van zijn zonden kunnen krijgen." Milis contrasteert het waardensysteem en de denkwereld van de monniken meermaals met die van de reguliere clerus. Hij komt steevast tot de conclusie dat de afzondering van de monniken hun invloed verwaarloosbaar maakte. Bovendien hadden priesters via de biecht toegang tot het innerlijk van hun medemensen, terwijl monniken de biecht niet mochten horen. De klemtoon op traditie en stabiliteit die in de kloosters overheerste, zorgde er ook voor dat de negende- en twaalfde-eeuwse renaissances grotendeels aan hen voorbijgingen. Het beeld van de Renaissance die in de vijftiende en zestiende eeuw zou hebben plaatsgevonden en die de klassieke auteurs weer op de voorgrond gebracht zou hebben, klopt immers niet. Het waren de middeleeuwse monniken die aan hun schrijftafels de ouden kopieerden en zo de sleutels tot de renaissance verdubbelden. Alleen gebruikten ze die sleutels niet. Hun werk ging niet verder dan kopiëren, zelfs zo slaafs dat iedere aanzet tot een persoonlijk geschrift van bij de aanvang werd gefnuikt. Veel meer dan novicen leren lezen en schrijven, deed men in de abdijen niet. Toen in de dertiende eeuw ook de seculiere wereld de waarde van het schrift begon in te zien, waren het de kapittel- en kathedralenscholen die het initiatief tot een algemene vorming namen, later gevolgd door de universiteiten. De invloed van het middeleeuwse monnikendom op de rest van de maatschappij en in het bijzonder op de "gewone mensen" was heel klein, besluit Ludo Milis. Waar ze echt contact hadden met de anderen, gedroegen de monniken zich werelds. Het religieuze daarentegen was voor binnen de kloostermuren.Ludo Milis, "Hemelse monniken, aardse mensen", Houtekiet, Antwerpen, 236 p., 890 fr.Marnix Verplancke