'Het eerste wat ik leerde,' vertelt Douwe Draaisma over het onderzoek dat aan zijn nieuwe boek De dromenwever voorafging, 'is dat we heel veel zaken aannemen over dromen waarvoor in feite niet het minste bewijs is. Zo denken wij dat een droom een soort innerlijke film is. Als je blinden spreekt, blijkt dat echter een heel misleidende metafoor. Wat me verraste, was dat wanneer je voor je vijfde blind wordt, je nooit beelden in je droom zult zien, terwijl degene die na zijn zevende blind wordt voor de rest van zijn leven in beelden zal blijven dromen. Veel mensen die op latere leeftijd blind worden, blijven ook over zichzelf dromen als ziende, net zoals iemand die een been verliest nog heel lang over zichzelf droomt met twee benen. Dan kun je opmerken dat dit wensvervullend is en je dus droomt hoe je zou willen zijn, maar uit onderzoek is gebleken dat mensen die het meest last hebben van fantoomverschijnselen ook degenen zijn die het langst over zichzelf met een intact lichaam dromen. Het lijkt dus alsof er een neurologische representatie is die niet gekoppeld wordt aan de nieuwe situatie. Maar wat ik het mooiste vond, is dat blinden die nog in beelden dromen dit als enorm troostrijk ervaren en dus niet bitter teleurgesteld zijn dat ze bij het ontwaken geen beelden meer zien.'
...

'Het eerste wat ik leerde,' vertelt Douwe Draaisma over het onderzoek dat aan zijn nieuwe boek De dromenwever voorafging, 'is dat we heel veel zaken aannemen over dromen waarvoor in feite niet het minste bewijs is. Zo denken wij dat een droom een soort innerlijke film is. Als je blinden spreekt, blijkt dat echter een heel misleidende metafoor. Wat me verraste, was dat wanneer je voor je vijfde blind wordt, je nooit beelden in je droom zult zien, terwijl degene die na zijn zevende blind wordt voor de rest van zijn leven in beelden zal blijven dromen. Veel mensen die op latere leeftijd blind worden, blijven ook over zichzelf dromen als ziende, net zoals iemand die een been verliest nog heel lang over zichzelf droomt met twee benen. Dan kun je opmerken dat dit wensvervullend is en je dus droomt hoe je zou willen zijn, maar uit onderzoek is gebleken dat mensen die het meest last hebben van fantoomverschijnselen ook degenen zijn die het langst over zichzelf met een intact lichaam dromen. Het lijkt dus alsof er een neurologische representatie is die niet gekoppeld wordt aan de nieuwe situatie. Maar wat ik het mooiste vond, is dat blinden die nog in beelden dromen dit als enorm troostrijk ervaren en dus niet bitter teleurgesteld zijn dat ze bij het ontwaken geen beelden meer zien.' Douwe Draaisma: Er bestaan hersenletsels waarbij mensen ophouden met dromen en er zijn medicijnen die dat als bijwerking hebben. Niemand merkt daar wat van. Dat je gek wordt wanneer je niet meer kunt dromen is dus een mythe, net zo goed als het verhaal dat dromen goed zijn voor het geheugen. Je kunt dus best overleven zonder dromen, en dat roept dan de vraag op waarom de droom evolutionair gezien overleefd heeft. De meest plausibele verklaring is dat dromen een bijverschijnsel zijn van iets wat wel een functie heeft. Het is zoals met een koelkast. De vraag waar de lichte brom die een koelkast maakt goed voor is, is een onzinnige vraag. Die brom is geen functie van de koelkast, maar een bijwerking van het koelmechanisme. Iets dergelijks zou met dromen aan de hand kunnen zijn. Je hersenen moeten 's nachts deels blijven werken. Je ademhaling en hartslag moeten doorgaan. Vanuit de delen die actief blijven, dringen er af en toe prikkels door in de visuele schors die daar vlak boven zit, en daardoor ervaren we beelden. Dat kunnen associaties zijn, herinneringen, fantasieën of dagresten. Dromen is dan de poging om uit al die losse elementen een verhaal te weven. De draden zijn er dus toevallig gekomen, maar wat je ermee weeft is een betekenisvol verhaal. En zo zit je met de paradox dat je droom geen functie heeft, maar wel een betekenis. Een betekenis die we er zelf in leggen trouwens, want het lijkt alsof we niet kunnen dromen zonder er iets achter te zoeken. Vorig jaar brak ik mijn been en diende ik een tijdje te herstellen. Tijdens die periode droomde ik regelmatig dat ik weer kon rennen en springen als een veulen in de wei. Die droom had betekenis voor mij, het was een wensdroom, maar een echte functie had hij niet. Draaisma: In slaaplaboratoria is daar onderzoek naar gedaan. Wanneer je iemand wakker maakt die in de REM-slaap verkeert, herinnert hij zich zijn droom perfect. Wanneer je wacht tot die REM voorbij is en je laat er ook maar een halve minuut overheen gaan, dan is de kans op herinnering bijna nihil. Hoe groter de afstand tussen droom en ontwaken, hoe minder je er na het ontwaken nog over weet, is hier de regel. Dit verschijnsel is in verband gebracht met het kleine aantal neurotransmitters dat gebruikt wordt om die droom vast te leggen. Een andere theorie wijst op het tijdverloop van een droom. Wanneer je wakker wordt, herinner je je de laatste scène het eerst. Je wordt bijvoorbeeld wakker met de herinnering bang in de kelder te staan. Wat deed ik daar, vraag je je af. O ja, er waren mannen het huis binnengedrongen. En zo ga je verder terug de nacht en je verhaal in. Je probeert je droom dus te reconstrueren tegen de richting van de tijd in, en daar zijn wij mensen gewoon niet goed in. Draaisma: Er is gewoon minder concentratie. Je mag niet vergeten dat dromen fantasiebeelden zijn. Ook wanneer je fantaseert, werk je maar een paar details uit. Stel dat je een heel goed spannend boek leest waarvan je zegt: ik zie het gewoon voor me. Wanneer je je dan vervolgens afvraagt wat je precies ziet, welke kleur bepaalde zaken bijvoorbeeld hebben, moet je het antwoord schuldig blijven, want zo ver vult je fantasie die beelden niet in. Hetzelfde heb je bij droombeelden. Veel mensen vinden het bijvoorbeeld moeilijk om te zeggen of ze in kleur of zwart-wit dromen. Ongeveer een op de drie mensen komt daar niet uit. De reden daarvoor is dat onze dromen bestaan uit maar half ingevulde scènes en voorstellingen. Je droomt net genoeg om het verhaal en de scènes te kunnen visualiseren. Probeer je je ouderlijke huis eens voor te stellen. Weet je zeker dat je het in kleur ziet? Daarvoor is zo'n beeld gewoon te schematisch. Fantasieën en dromen werken heel economisch, met een minimum aan beeld. Kleuren en details maken daar geen deel van uit. Vandaar dat je soms droomt van mensen zonder gezicht, zonder dat je dat eng vindt. Draaisma: Nee. Een onderzoeker heeft 36.000 dromen op hun kleurverwijzingen onderzocht en de ranglijst die hij zo kreeg heeft hij naast een ranglijst met de favoriete kleuren gelegd. Die lijstjes correspondeerden voor geen meter. Paars komt bijvoorbeeld bijna niet voor in dromen, terwijl het toch vaak in de top vijf staat van lievelingskleuren. Rood is in dromen ook veel minder populair dan in het echte leven. Mensen die in kleur dromen, doen dat meestal in natuurlijke kleuren. Het gras is groen, de lucht blauw en een banaan geel. Wat dat betreft, is een droom dus niet wensvervullend. Draaisma: Het duidelijkste voorbeeld daarvan vind ik de uitspraak: ik droomde dat ik terug was in mijn ouderlijk huis, maar alles zag er heel anders uit. De logische vraag is dan natuurlijk hoe je wist dat het je ouderlijk huis was, waarop die ander zegt: dat wist ik gewoon. Weten waar je bent, gaat dus vooraf aan het beeld. En hetzelfde kun je ook met personen hebben. Je kunt dromen van een vriend van vroeger die eruitziet als een collega van nu. Draaisma: Fundamenteel dromen mannen en vrouwen hetzelfde, al kunnen de thema's wel verschillen. Het is dus niet zo dat vrouwen bijvoorbeeld vaker in kleur dromen, of over de kinderen. Bij erotische dromen zien we echter wel een duidelijk verschil. We dromen waar we over fantaseren, en dat is bij mannen iets heel anders dan bij vrouwen. Seks met meerdere partners is bijvoorbeeld typisch voor mannen. Waar man en vrouw elkaar dan weer in vinden, is dat ze in hun dromen bijna altijd seks hebben met iemand anders dan de partner. Wat belangstelling voor dromen betreft, steken vrouwen dan torenhoog boven mannen uit. Zij houden droomdagboeken bij en stichten zelfs droomclubjes. Er is ooit aan zowel mannen als vrouwen gevraagd om een droomdagboek bij te houden en toen bleek dat de verslagen van vrouwen veel gedetailleerder en langer waren dan die van mannen. Hoe dat precies komt weet ik ook niet, maar wellicht heeft het iets te maken met het feit dat vrouwen over het algemeen plichtsgetrouwer zijn dan mannen. En doordat vrouwen meer belangstelling hebben voor hun dromen denken ze er sowieso meer over na. Combineer die twee en je krijgt betere droomverslagen. Draaisma: Toen Freud zijn Traumdeutung publiceerde, onderscheidde hij al een aantal typische dromen zoals naaktdromen, examendromen en vliegdromen. Cultureel antropologen gingen later aan de haal met zijn theorieën en vroegen zich bijvoorbeeld af of naaktdromen, waarin je als dromer opeens vaststelt dat je gênant naakt bent te midden van andere mensen, ook voorkwamen in culturen waar nauwelijks kleren gedragen werden. Freud had al verklaard dat het niet om het naakt zijn op zich ging, maar wel om de gêne die erdoor ontstond, en iets dergelijks vonden die antropologen. In West-Ghana leeft bijvoorbeeld een herdersvolk waarvoor het bijzonder gênant is opgejaagd te worden door je eigen koeien, wat regelmatig in dromen terugkomt. Gêne krijgt in verschillende culturen dus een andere invulling. In de jaren 1920 vroeg een antropoloog aan een Chinese correspondente of er bij hen ook examendromen voorkwamen, waarbij je droomt over een examen dat je in het verleden hebt afgelegd. En dat bleek net zo te zijn als hier. Ik denk dat we in feite allemaal wel ongeveer hetzelfde dromen, maar dat je om dit vast te stellen doorheen de cultureel bepaalde variatie aan de oppervlakte moet kijken. Nergens zie je dat bijvoorbeeld mooier dan bij slaapverlamming, wanneer je motoriek te vroeg vergrendeld wordt terwijl je nog niet helemaal weg bent. Je krijgt dan het gevoel totaal verlamd in bed te liggen, wat een angstige ervaring is. Welke vorm die angst krijgt, hangt echter af van de verhalen waarmee je bent grootgebracht, de films die je hebt gezien en de boeken die je hebt gelezen. Neurologisch gezien gebeurt precies hetzelfde, maar de droom is iedere keer weer anders, afhankelijk van je persoonlijke leefomstandigheden. Draaisma: Acht op de tien dromen zijn onaangenaam en daar zijn nogal wat nachtmerries bij. In dromen ben je bang of gespannen, vrees je te laat te zullen komen of val je. Tegenwoordig is een nachtmerrie alleen een nachtmerrie als je eruit wakker wordt, wat meestal in de REM-slaap gebeurt. Het kan zijn dat de angstcentra in je hersenen geprikkeld worden, waardoor het verhaal dat je maakt ook eng is. Omdat het een REM-slaapdroom is, kun je bovendien geen vin verroeren. Er is dus niet te ontsnappen aan het gevaar en vaak is dat hetgeen je droom extra angstwekkend maakt. Er komt een gevaar op je af en je kunt niet weghollen, noch om hulp roepen. Draaisma: Mijn illustere landgenoot Frederik van Eeden was heel erg geïnteresseerd in zijn dromen en hij onderscheidde de categorie lucide dromen, waarin je droomt en ook beseft dat je aan het dromen bent. Mensen met lucide dromen krijgen ook vaak te maken met schijnontwaken: dromen dat je wakker wordt terwijl de droom toch gewoon doorgaat. Van Eeden geeft daar een schitterend voorbeeld van. Hij vatte het plan op in een droom iemand te vragen hem een brief te schrijven om na te gaan in hoeverre werkelijkheid en droom elkaar kunnen beïnvloeden. Een van de volgende nachten stelde hij een man die vraag. De man beloofde dat te zullen doen en van Eeden ontwaakte. Even later hoorde hij iemand aan de deur. Hij deed open en warempel, daar stond die man, met een brief in zijn hand. Waarna van Eeden echt ontwaakte en besefte dat hij een droom in een droom had gehad. Wat dit echter aantoont is dat je in wakende toestand je dromen kunt beïnvloeden, en dat lukt ook met nachtmerries, en dan vooral met repeterende nachtmerries. Wanneer iemand een traumatische gebeurtenis achter de rug heeft, is het mogelijk dat hij daar iedere nacht weer over droomt. De kunst is dan je overdag te concentreren op die nachtmerrie en te proberen daar een ander einde aan te breien. Je schrijft bij wijze van spreken een ander einde aan je nachtmerrie, waardoor ze opgelost raakt. Draaisma: Dat heet nachtschrik. Het begint meestal met een vreselijke kreet, waarna het kind recht overeind zit en wanneer je het probeert te troosten of vast te pakken, heeft dat een averechts effect. Het kind zit immers nog in de droom en jij bent op dat moment het gevaar. Het beste is om het maar gewoon te laten uitwoeden. Uiteindelijk wordt het kind echt wakker, snikt het nog wat na en gaat het weer slapen. En de volgende ochtend heeft het er totaal geen herinnering meer aan. Dat het kind weer in dezelfde droom terechtkomt, is uiterst zeldzaam. Nachtschrik hoort bij de diepe slaap, wanneer het kind nog maar net in bed ligt, en van hetgeen je dan droomt herinner je je nooit iets. Mensen kunnen dan mompelen, schoppen of even uit bed gaan: de volgende ochtend weten ze nergens meer van. Draaisma: Heel veel nare zaken die in je slaap gebeuren, zoals nachtschrik of slaapwandelen, hebben te maken met slaapstoornissen. In een goed slaapritme kom je niet vanzelf. Daar moet je in groeien. Een kwart van de kinderen slaapwandelt, terwijl maar drie procent van de volwassenen dat doet. Het lijkt erop dat het afkoppelen van de motoriek 's nachts wat getraind moet worden. Wanneer kinderen van hun middagslaapje afgehaald worden, gebeurt het soms dat ze een slaaptekort krijgen, en dan kunnen dit soort stoornissen optreden. Vandaar dat ook volwassenen met jetlag extra vatbaar zijn voor slaapwandelen. Douwe Draaisma, De dromenwever, Historische Uitgeverij, 221 blz., 25 euro.DOOR MARNIX VERPLANCKE'Onze dromen bestaan uit maar half ingevulde scènes en voorstellingen. Je droomt net genoeg om het verhaal en de scènes te kunnen visualiseren.' 'Dat je gek wordt wanneer je niet meer kunt dromen is een mythe, net zo goed als het verhaal dat dromen goed zijn voor het geheugen.'