Hermann von der Dunks nieuwste boek lag nog niet goed en wel in de winkel of de Nederlandse pers stortte zich erop als een horde wilde honden. 'Met zijn afscheidsstudie over de Europese cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw schaart professor Von der Dunk zich in de rij cultuurpessimisten', kopte De Groene Amsterdammer. En ook Graa Boomsma kon het in de eerste paragraaf van zijn recensie van het boek in Vrij Nederland niet laten de auteur in één adem te noemen met Johan Huizinga, Oswald Spengler en Ortega y Gasset. Cultuurpessimisten dragen oogkleppen, zo was de onderliggende teneur, en die kunnen we vandaag missen als kiespijn.
...

Hermann von der Dunks nieuwste boek lag nog niet goed en wel in de winkel of de Nederlandse pers stortte zich erop als een horde wilde honden. 'Met zijn afscheidsstudie over de Europese cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw schaart professor Von der Dunk zich in de rij cultuurpessimisten', kopte De Groene Amsterdammer. En ook Graa Boomsma kon het in de eerste paragraaf van zijn recensie van het boek in Vrij Nederland niet laten de auteur in één adem te noemen met Johan Huizinga, Oswald Spengler en Ortega y Gasset. Cultuurpessimisten dragen oogkleppen, zo was de onderliggende teneur, en die kunnen we vandaag missen als kiespijn. De verdwijnende hemel, over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw geeft in meer dan duizend bladzijden een chronologisch overzicht van de grote culturele gebeurtenissen die de voorbije honderd jaar aan de orde geweest zijn en kadert die in een ruimere socio-economische en politieke achtergrond. Het boek is dus geen uit de hand gelopen museumcatalogus, maar wel een voorzichtige zoektocht naar een paar lijnen in de recente geschiedenis. Niet alleen lezen we er over het twaalftonensysteem van Schönberg en Musils grote literaire project, maar ook over Baden-Powells oprichting van de jeugdbeweging en Helena Blavatsky's theosofie. Als een optimist komt Von der Dunk uit dit boek zeker niet tevoorschijn, maar om hem daarom maar meteen te gaan vergelijken met Spengler is natuurlijk overtrokken. Daarvoor is deze historicus zich al te zeer bewust van de filosofische veranderingen die de geschiedschrijving de laatste decennia heeft ondergaan. Terwijl de grote cultuurpessimisten vanuit de studie van het verleden pretendeerden te kunnen voorspellen wat de toekomst zou brengen, en dus beschikten over een groot kaderverhaal waarin alle feiten ingepast konden worden, gelooft geen enkel hedendaags historicus nog in zo'n verhaal. De geschiedenis is een aaneenknoping van merkwaardige toevallen, zo houdt men tegenwoordig vol. De contingentietheorie heerst: alles wat wij in de geschiedenis als stroming menen te kunnen waarnemen, is onze eigen constructie. En ook Von der Dunk wil niet meer dan beschrijven en kleinschalige lijnen optekenen. Aan een grondige kijk op de toekomst waagt hij zich niet, wel aan een persoonlijke analyse van het verleden, met veel interesse voor de psychologie van de menselijke actoren. Soms lijkt zijn boek dan ook meer op cultuurfilosofie dan op cultuurgeschiedenis. Maar is deze man een pessimist of een realist, zo wilden we weten, en dus vroegen we hem of de twintigste eeuw uiteindelijk een succes of een mislukking was geworden.Hermann von der Dunk: Geen van tweeën. Die vraag is trouwens een typische uitdrukking van onze hedendaagse westerse cultuur. Kwantiteit heeft kwaliteit vervangen. Men wil van alles de som maken. Misschien is dat wel een algemeen menselijke eigenschap, maar in onze tijd domineert die wel heel sterk. Zij leidt tot ontzettende vereenvoudigingen. Natuurlijk hebben we een immense vooruitgang meegemaakt, zo denk je meteen, maar we hebben geen enkel wetenschappelijk criterium om ons op te baseren wanneer we dat denken. Maar dat bezwaar hoort men liever niet. Liefst van al maakt men een optelsom van baten en kosten, een streep eronder en als het even kan een positief eindresultaat. Ik kan dat niet. Er zal wel vooruitgang geweest zijn, maar er zijn ook verschrikkelijke dingen gebeurd de voorbije eeuw. Wanneer ik de balans opmaak, kom ik uit bij nul. Het was geen negatieve eeuw en geen positieve. Om tot een ander antwoord te komen, ben ik te veel historicus. Enerzijds kan je stellen dat zeker tachtig procent van de mensen nu onder gelukkiger omstandigheden leeft dan een eeuw geleden. Echte armoede is er praktisch niet meer. Het proletariaat, dat zijn leven beheerst zag door de zorg om de komende dag, is in West-Europa vandaag onbestaande. Door de leerplicht heeft praktisch iedereen toch wel enige scholing achter de rug. We kunnen allemaal over informatie beschikken om er iets van te maken en ook de persoonlijke vrijheid is enorm toegenomen. Door de vlucht die de geneeskunde genomen heeft, is de gemiddelde leeftijd al tot een eind in de zeventig opgeklommen. Dat is allemaal waar, maar er is ook een anderzijds, en dat is des te intrigerender omdat het zo nauw verbonden is met de vooruitgang. Bepaalde verwachtingen komen immers nooit uit, en als ze toch uitkomen, blijken ze toch weer net anders te zijn. Geen enkele toekomstdroom of utopie is ooit verwezenlijkt. De jaren dertig, de periode bij uitstek van de grote toekomstverwachtingen, is een era van desillusies gebleken. Maar ook de zegeningen van de democratie hebben hun onvermoede keerzijdes. De welvaart is vergroot, maar nog steeds niet algemeen. En ook onze vrijheid is heel betrekkelijk. We zijn misschien niet langer afhankelijk van de staat, maar het commerciële krijgt ons daarentegen steeds meer in zijn macht. Wat ons in de reclame wordt aangeboden of opgedrongen, gaat onze geestelijke vrijheid steeds meer beperken. De media bieden niet alleen iets aan, ze zijn ook smaakbepalend. Anderzijds moeten ze zich ook voegen naar wat de massa verlangt. Een tv-station of een tijdschrift dat weinig kijkers of lezers trekt, zal het niet lang uitzingen. Op die manier versterken zij steeds de reeds bestaande populaire cultuur. Het verdwijnen van hiërarchieën, wat misschien wel het meest bepalende was voor de voorbije eeuw en wat ik zeker toejuich, heeft voor een nivellering gezorgd. Elite en massa zijn zich steeds meer naar elkaar toe gaan bewegen, wat geleid heeft tot een verregaande banalisering en trivialisering van de cultuur. Kijk bijvoorbeeld naar de tv. Het grootste deel van wat er uitgezonden wordt, is niet meer dan pulp. Er zijn nog een paar goede programma's, maar op uren dat geen mens ernaar kan kijken. Het conformisme wordt steeds groter. Steeds meer mensen passen zich aan - moeten zich aanpassen - aan wat er geboden wordt. Alles wordt onderhevig aan de markt, ook de opvattingen en de smaak. Niet alleen in het politieke en het sociale vlak, maar ook op het esthetische gebied vervlakt daardoor het gevoel voor rangorde. Het idee van cultuur als iets hogers is in de twintigste eeuw volkomen verdwenen. We hebben trouwens überhaupt geen criteria meer om te bepalen wat hoge kunst is. We hebben daar nog wel persoonlijke ideeën over, maar die kunnen we niet meer verdedigen. We vallen terug op traditie en opvoeding, maar dat zijn geen rationele criteria waarmee ik iemand kan overtuigen. Dit is het gevolg van het emancipatieproces dat de evenwaardigheid van verschillende levenswijzen en smaken vooropstelt.Hebben we dan geen enkel argument meer om te bewijzen dat het beter is te luisteren naar de strijkkwartetten van Schubert dan naar de nieuwste cd van The Rolling Stones?Von der Dunk: Natuurlijk hebben we die nog. Het verschil tussen klassiek en rock, of in zijn geval jazz, is goed uitgelegd door Theodor Adorno. Bij klassiek heeft ieder onderdeel een specifieke en unieke plaats in een organisch geheel, terwijl bij pop en jazz er een soort mechanistische ondertoon heerst die telkens weer anders ingevuld kan worden en daardoor ook makkelijk te concipiëren is. Klassieke muziek kan je niet succesvol samplen, pop wel. En zo bekeken heeft pop de kenmerken van een machine: je kunt er onderdelen van vervangen zonder dat het geheel vastloopt. Vervang eens een onderdeel in een symfonie van Van Beethoven; dat kan helemaal niet. Een van de positieve aspecten van de voorbije eeuw noemt u het verdwijnen van de grote dictaturen en u bent ervan overtuigd dat die ook niet meer zullen terugkomen. Maar dreigt er stilaan geen geestelijke dictatuur te ontstaan waarbij een bepaald soort denken niet langer getolereerd wordt? De reactie op uw boek in de Nederlandse pers stemt toch wel tot nadenken?Von der Dunk: Het is inderdaad raar dat mijn boek heel emotionele reacties uitlokt. Eigenlijk bevestigen zij in hun reactie mijn analyse van wat er gaande is. Wie zich niet conformeert, wordt afgewezen. Wat is bijvoorbeeld de invloed van het gebruik van de computer op de wijze waarop we denken? Dat weten we helemaal niet, maar die vraag stellen, wordt vandaag ongepast geacht. Onze wijze van communiceren wordt door de computer beperkt en in formules gedrukt, waardoor belangrijke aspecten van het menselijke leven niet meer aan hun trekken komen. Daar komt ongetwijfeld een reactie op. Die kan natuurlijk best meevallen, maar de dreiging van een sluipend totalitarisme blijft. Het internet heeft natuurlijk geweldige voordelen. Opeens krijgt iedereen toegang tot enorm veel informatie. Maar daar schuilt ook een gevaar in, want informatie en kennis zijn twee verschillende zaken. Iedere dag opnieuw word je volgegoten met informatie en geen mens komt er nog aan toe om iets met die informatie te doen. Dat leidt natuurlijk tot desoriëntatie en conformisme, want wat is de gemakkelijkste oplossing wanneer je iets niet aankan? Doen zoals de anderen.De automatisering van de samenleving laat een affectief tekort ontstaan, waaraan dan met artificiële middelen een mouw gepast wordt, zo meent u. U wijst in dit verband op de verkleutering van de hedendaagse mens en zijn voorliefde voor Disneyknuffels. Maar tezelfdertijd zien we toch ook de kinderwereld enorm agressief worden. Kijk eens naar de hedendaagse tekenfilms. Die lijken in de verste verte niet meer op Sneeuwwitje of Doornroosje. Dat zijn getekende geweldfilms geworden.Von der Dunk: Hier hebben we inderdaad met iets veel gevaarlijkers te maken. Van een knuffel ga je immers niet dood, van een overdaad aan geweld misschien wel. De tekenfilm kun je zien als een uitvloeisel van de strip. In een steeds chaotischer wordende wereld, overstelpt met informatie, is dit een heel handige houvast: vaste karakters, een voorspelbare plot met goeden en slechten en een enorm reductionisme. Opeens lijkt alles begrijpelijk. Strips, en zeker de gewelddadige, zijn dan uitlaatkleppen voor de frustraties opgedaan in het dagelijkse leven. De explosieve groei van het vandalisme en de criminaliteit moet je ook in die context begrijpen. De automatisering van de samenleving zorgt voor uitbarstingen op het individuele vlak. Waar het individu gefnuikt wordt, zal het exploderen. De oude liberale theorie was dat criminaliteit socio-economische redenen had. Wie arm was, ging uit stelen. Dat was vroeger ook echt zo, en misschien is het gedeeltelijk ook vandaag nog zo, maar wat we sinds de Tweede Wereldoorlog zien, is dat agressie ook uit andere bronnen spruit. Het grootste deel van de voetbalhooligans mag dan misschien bestaan uit kansloze jongeren, een belangrijk deel ervan bestaat uit voor het overige keurige familievaders met een vaste baan die tijdens het weekend volstrekt uit de bol gaan.Heeft de voorbije eeuw ook niet tot een grote vereenzaming van het individu geleid?Von der Dunk: Uit het succes van programma's als Big Brother en De Bus kunnen we inderdaad afleiden dat de mens constant op zoek is naar zichzelf. Hij is zichzelf kwijt door die opeenhoping van informatie om zich heen. Het ik-tijdperk is daar het gevolg van, wat op zich natuurlijk ook weer een curieus fenomeen is, want van het ik blijft zo stilaan niet veel meer over. Kom op voor jezelf predikt het neoliberale denken. Je moet assertief zijn in het leven. Nu willen we wel voor onszelf opkomen, maar in feite weten we helemaal niet wie we zijn. Is er dan helemaal geen lichtpuntje?Von der Dunk: Jawel, het is bijvoorbeeld opmerkelijk hoe veel technologische innovaties zichzelf na verloop van tijd beginnen tegen te werken. Neem nu bijvoorbeeld de auto. Die kun je tegenwoordig maar beter thuis laten, want ergens anders vind je er geen parkeerplaats meer voor. Als reactie daarop gaan steeds meer mensen met de trein, maar die zit ook al overvol. Met de telefoon zien we hetzelfde: er zijn er stilaan zo veel van dat je niemand meer kunt bereiken. Staan het antwoordapparaat of de voice mail niet op - wat je toch geen communicatie kan noemen -, dan zit de persoon die je zoekt wel in een vergadering. Op een bepaald moment bereikt zo'n situatie een climax en komt er reactie, zoals de autovrije zones in de steden, die een paar decennia geleden nog ondenkbaar waren. De mens lijkt dus wel een interne beveiliging te hebben tegen bedreigingen. Wanneer het echt te bar wordt, grijpt hij ogenschijnlijk onbewust in om de situatie ten goede te keren. Neem nu het milieu, wellicht de grootste bedreiging voor de mens. De voorbije eeuw is onze attitude tegenover het milieu fenomenaal veranderd. Kinderen groeien nu op met het idee milieuzorg, wat niet wegneemt dat ze er wanneer het erop aankomt net zo goed een zwijnenstal van maken. Hoe verder de vervuiling gaat, hoe sterker de tegenkrachten zullen worden. Daar heb ik het volste vertrouwen in. H.W. von der Dunk, De verdwijnende hemel, over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 2 delen, 1072 blz., 2290 fr.Marnix Verplancke