Buiten de geriatrie (geneeskunde gericht op ouderen) ontwikkelde geen enkele medische tak zich zo traag als de kindergeneeskunde. Tot ver in de negentiende eeuw waren chirurgen, oogartsen en andere specialisten niet bereid afstand te doen van de kinderzaal op hun eigen ziekenhuisafdeling. Ze verzorgden er de kinderen zoals ze hun andere patiënten verzorgden.
...

Buiten de geriatrie (geneeskunde gericht op ouderen) ontwikkelde geen enkele medische tak zich zo traag als de kindergeneeskunde. Tot ver in de negentiende eeuw waren chirurgen, oogartsen en andere specialisten niet bereid afstand te doen van de kinderzaal op hun eigen ziekenhuisafdeling. Ze verzorgden er de kinderen zoals ze hun andere patiënten verzorgden. Nochtans verscheen het eerste boek over de medische behandeling van kinderen al in 1583. De Italiaanse arts Geronimo Mercuriali (1530-1606) schreef toen De morbis puerorum ('Over de ziekten van kinderen'). Hoewel zijn naam vandaag bij weinigen een belletje doet rinkelen, speelde Mercuriali een belangrijke rol in de ontwikkeling van de geneeskunde in de Renaissance. Hij raadde moeders aan hun zuigelingen zelf te voeden. Dat was een opmerkelijke uitspraak in een tijd dat de betere geneeskunde vooral gericht was op het rijke deel van de bevolking. Die deed voor het geven van borstvoeding meestal een beroep op een baker. Maar zelfs in het minder gefortuneerde deel van de bevolking werd in de ogen van Mercuriali niet lang genoeg borstvoeding gegeven. Doorgaans gebeurde dat drie maanden intensief en na dertien maanden werd die voeding volledig stopgezet. Echt veel navolging kreeg het voorbeeld van Mercuriali niet. In Engeland was er wel Walter Harris, de arts van koning Willem en koningin Mary, die zich een beetje interesseerde voor het probleem van krampen bij jonge kinderen. Hij schreef hen calciumzout voor als remedie. In 1689 schreef hij De morbis acutis infantum ('Over acute aandoeningen van kinderen'). Omdat het nagenoeg het enige boek over het onderwerp was, bleef het meer dan een eeuw hét standaardwerk voor de weinige artsen die zich met kindergeneeskunde bezighielden. In de tweede helft van de achttiende eeuw richtte George Armstrong (1719-1789) aan de Red Lion Square in Londen een dispensarium op voor kinderen, het was een herstellingsoord voor kinderen van arme ouders. Door een gebrek aan financiële middelen was het initiatief geen lang leven beschoren. Met zijn in 1767 verschenen An essay on the diseases most fatal to infants legde hij wel de basis voor de pediatrie in Groot-Brittannië en de Angelsaksische wereld. Het dispensarium van Armstrong moest dan wel snel de deuren sluiten, zijn initiatief kende de daaropvolgende jaren navolging in verschillende landen. Zowel in Oostenrijk (het Kuranstalt für arme Kinder in Wenen, 1788), Pruisen (Breslau, 1793) als Frankrijk (het Hôpital des enfants malades, 1802) ontstonden ziekenhuizen voor (arme) kinderen. Wat Armstrong betekende voor de pediatrie in Engeland, betekende de Zweedse arts Nils Rosen von Rosenstein (1706-1773) voor de kindergeneeskunde in de rest van Europa. Hij schreef in 1764 al een werk over de meest voorkomende ziektes bij kinderen. In het al snel in het Duits vertaalde boek Underrättelser beschrijft hij uitvoerig aandoeningen als pokken, mazelen, kinkhoest, rachitis, roodvonk, schurft. Hij bepleit in het boek als een van de eersten de inenting tegen pokken als een efficiënte manier om de ziekte te bestrijden. Het werk groeide uit tot hét standaardwerk voor kindergeneeskunde op het Europese vasteland. Het opmerkelijke aan het boek van Nils Rosen von Rosenstein was dat hij op een zo begrijpelijke manier zijn ideeën wist weer te geven, dat niet alleen artsen maar ook ouders het probleemloos konden lezen en gebruiken. Vooral zijn aanbevelingen voor borstvoeding (frequentie en impact op de gezondheid van de boreling) werden gretig verslonden door jonge ouders. Niet alleen in Scandinavië, maar in nagenoeg heel Europa. Dat Rosenstein veel aandacht besteedde aan borstvoeding is niet zo vreemd. Voeding in het algemeen trok zijn aandacht. Hij was ervan overtuigd dat een goede voeding van het kind aanzienlijk bijdroeg tot de gezondheid, ook op latere leeftijd. Hij gaf niet alleen tips over het soort voeding, maar voegde daar ook raadgevingen over hygiëne aan toe. Zo raadde hij ouders aan het voedsel van hun kinderen af te dekken, zodat er geen insecten aan konden komen. De echte doorbraak van de kindergeneeskunde kwam er pas in de loop van de negentiende eeuw. Aan de basis van de trend om afzonderlijke ziekenhuizen voor kinderen op te richten, lagen de wezen- en vondelingentehuizen. De omstandigheden waren er erbarmelijk, met een weinig benijdenswaardige sanitaire situatie en een hoog sterftecijfer tot gevolg. In de loop van de negentiende eeuw ontstond het besef dat dit eigenlijk mensonwaardig was en werden artsen naar de instellingen gestuurd om er de kinderen te onderzoeken. Dat gebeurde bijna uitsluitend met privé-geld. Op een moment dat van sociale zekerheid nog geen sprake was, werden er uiteraard geen middelen vrijgemaakt om weeskinderen te behandelen. De meeste initiatieven - zeker in ons land - werden door de Kerk of door een groepje rijke burgers genomen, zij richtten in hun stad een soort kinderziekenhuis op. Pas rond het begin van de twintigste eeuw worden deze privé-initiatieven gerecupereerd door de overheid, en ontstaan er door de overheid gesubsidieerde kinderziekenhuizen. Op ziekenhuizen voor pasgeboren baby's was het nog langer wachten. Veel artsen waagden zich niet aan de zorg van de allerkleinsten. Het was een moeilijke discipline waarover relatief weinig bekend was. Wie een fout maakte, verloor vaak de baby en meteen ook zijn goede naam en faam als arts. Het zijn de overheden van de verschillende Europese landen die de faculteiten geneeskunde aan het einde van de negentiende eeuw en bij het begin van de twintigste eeuw dwingen om werk te maken van een opleiding in de pediatrie. Niet het heil en de gezondheid van de kinderen waren de eerste zorg van de politici. Wel hadden ze voldoende arbeiders nodig die de door de industriële revolutie ontstane fabrieken konden bevolken. En soldaten die ingezet konden worden in militaire conflicten met buurlanden. De enige manier om voldoende van beide categorieën te hebben, was door de kindersterfte terug te dringen. Het land dat daarin het verst ging, was ongetwijfeld het tsaristische Rusland. Onder druk van de tsaar werden er aparte faculteiten voor pediatrie opgericht, los van de faculteiten geneeskunde. Dat leidde er tot een bloeiende kindergeneeskunde. In Pruisen/Duitsland lag Friedrich Althoff (1839-1908), een overheidsambtenaar, aan de basis van de moderne pediatrie. Hij stelde vast dat het bevolkingsaantal vanaf 1890 begint te stagneren. Niet alleen omdat er minder kinderen geboren werden, maar ook omdat de borelingensterfte erg hoog lag. Onder het motto 'De eeuw van het kind' startte hij rond de eeuwwisseling een grootschalig project op om de kindergeneeskunde te promoten. Omdat de kindersterfte ook na 1900 enorm hoog bleef (een kwart van de kinderen sterft in het eerste levensjaar), kon hij de Duitse keizerin zo ver krijgen een speciaal kinderziekenhuis op te richten in Berlijn. Het Keizerin Auguste Victoria-Huis kreeg van de Berlijners al snel de bijnaam 'zuigelingenpaleis'. Niet alleen de kinderen kregen er een voorkeursbehandeling. Ook de koeien die moesten zorgen voor de dagelijkse portie verse melk, behoorden tot de gelukkigen. Zij kregen elke dag een douche. Filip Ceulemans