Het zal je maar gebeuren: werk je een jaar of tien aan een boek waarin je je met het thema 'vaders' verstaat, kun je in januari 2000 het manuscript eindelijk inleveren -en dan ontdek je, geen twee weken later, dat je eigen vader van 1957 tot 1980 medewerker is geweest van de politieke politie van het Kádár-regime. Péter Esterházy overkwam het, toen hij de tijdens het communistisch bewind aangelegde dossiers over zijn familie aan het doornemen was die in het Instituut voo...

Het zal je maar gebeuren: werk je een jaar of tien aan een boek waarin je je met het thema 'vaders' verstaat, kun je in januari 2000 het manuscript eindelijk inleveren -en dan ontdek je, geen twee weken later, dat je eigen vader van 1957 tot 1980 medewerker is geweest van de politieke politie van het Kádár-regime. Péter Esterházy overkwam het, toen hij de tijdens het communistisch bewind aangelegde dossiers over zijn familie aan het doornemen was die in het Instituut voor Contemporaine Geschiedenis worden bewaard. Twee dagen daarna, op 30 januari 2000, begon Esterházy te schrijven aan wat het vorig jaar verschenen, 280 pagina's dikke Javitott kiadás zou worden, 'Herziene editie'. Dat boek behelst het dagboek dat de schrijver van 30 januari tot 15 juni 2000 bijhield (plus de commentaren die hij er in de maanden nadien hier en daar aan toevoegde), en excerpten uit de rapporten die zijn vader Mátyás Esterházy destijds schreef. Ook al had Esterházy senior niets anders dan onbeduidende details over zijn vrienden en verwanten voor zijn opdrachtgevers vastgelegd, dát hij een informant van het vorige regime was geweest, schokte zijn zoon diep. De zaak veroorzaakte in Hongarije, dat met zijn recente verleden nog lang niet in het reine is, ook grote opschudding. Opmerkelijk genoeg leverde Esterházy in dit ene geval nu eens geen postmodern geassembleerd, virtuoos vormbeheerst werkstuk af. 'Nee, dat kon natuurlijk niet', licht de schrijver toe. Waarom dan niet? 'Nee, ik moest me heel streng houden aan wat gebeurd was, aan de feiten, aan de aantekeningen die me onder ogen waren gekomen. Anders voel ik me inderdaad niet geremd om met zulk materiaal heel vrij om te gaan, maar hier was dat naar mijn gevoel verboden. Omdat ik namelijk geen roman aan het schrijven was, maar getuigenis wou afleggen over iets. En als ik daarvoor dezelfde technieken zou gebruiken als in mijn romans, dan zou men het ook voor fictie kunnen houden. Theoretisch past het daar ook erg mooi bij: de maskerloosheid als het ultieme masker - nietwaar?''Harmonia Caelestis daarentegen is geen autobiografisch boek, ook al gebruik ik er veel autobiografisch materiaal in. Pure autobiografie - als romanstof - vind ik niet interessant. Als ik schrijf, wil ik niet iets over mezelf te weten komen, maar iets over de wereld - waar ik zelf uiteraard ook deel van uitmaak, dat wel.'Herman Jacobs