'De verdrijving uit de hel', Robert Menasse, uit het Duits vertaald door Paul Beers, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 424 blz., euro 25.
...

'De verdrijving uit de hel', Robert Menasse, uit het Duits vertaald door Paul Beers, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 424 blz., euro 25.Robert Menasse is een gemottoriseerd schrijver, zou wijlen Herman de Coninck naar aanleiding van diens roman De verdrijving uit de hel wellicht hebben opgemerkt (zoals hij ooit, ironisch en tegelijk met bewondering, deed over Paul de Wispelaere). Niet minder dan zeven stuks heeft Oostenrijks beroemdste contemporaine auteur (na Handke en Jelinek dan) nodig eer hij van wal steekt. Dat riekt naar ijdel vertoon, maar blijkt te getuigen van ernst, intellectuele bagage en verlangen naar nauwkeurigheid, zoals duidelijk wordt in de opmerkelijke, breed opgezette, nu eens meeslepende, dan weer taaie, didactische, zeer ambitieuze fictieve dubbelbiografie die zijn tot nu toe laatste roman is geworden. Hoewel, fictief - helemaal in de geest van de door hem bewonderde Harry Mulisch, gebruikt Menasse (°1954, Wenen) hier zijn eigen biografie als materiaal voor een literair experiment, geconsacreerd door het in het eerste motto aangehaalde woord van Ralph Waldo Emerson: ' If the whole history is in one man, it is all to be explained from individual experience.'Dusdoende schildert hij in brede streken het leven van de historische rabbi Manasseh ben Israel, leermeester van Spinoza in Amsterdam, in 1604 in Portugal ter wereld gekomen als Manoel Dias Soeiro, en dat van zijn eigen alter ego Viktor Abravanel, Oostenrijks historicus van joodse origine, ex-trotskist en Spinoza-kenner, die in 1996 de vijfentwintigste reünie bezoekt van de klasgenoten met wie hij na zijn eindexamen nimmer nog contact heeft onderhouden. Menasse staat bekend om zijn kritische attitude ten opzichte van zijn vaderland, 'de Alpenrepubliek', zoals Oostenrijk weleens lichtjes denigrerend wordt aangeduid. 'Elk bergland is bekrompen', verklaarde hij in een interview in dit blad op 8 december 1999. 'Dat is heel logisch. Je kunt niet je hele leven op bergtoppen uitkijken zonder gek te worden.' En: 'De eisen van de taximaffia zullen eerder in de grondwet worden opgenomen dan het gelijkheidsbeginsel. Dat er dus niet in staat. Het principe van de scheiding van kerk en staat al evenmin.' Waarmee het democratische gehalte van het land ook weer even gekenschetst was. Viktor Abravanel wordt nog iets explicieter dan zijn schepper, als hij op de reünie de gelegenheid om beknopt zijn leven van de afgelopen 25 jaar te schetsen aangrijpt om van alle de aanwezige leraars hun vroegere NSDAP-lidmaatschapsnummer te onthullen. Immers, 'om te begrijpen wat er van een mens geworden is, kan het ook zeer (...) verhelderend zijn te vragen: Wie waren zijn leraren?' Bijna stuk voor stuk nazi's dus, blijkbaar. Afgrijzen, tumult, het hele gezelschap, voormalige medeleerlingen niet uitgezonderd, verlaat op hoge poten het restaurant waar men het weerzien onder het genot van uitgelezen spijs en drank wilde vieren, een genoegen dat hun nu door die 'idioot', 'hufter', 'klootzak' grondig bedorven is. Iedereen, behalve Hildegund, 'Hilli', Viktors grote onvervulde liefde van destijds. Samen met haar laat Viktor zich vergasten op het bestelde feestmaal voor dertig personen, en vertelt haar onderwijl zijn leven, waarbij hij naarmate de alcohol vloeit steeds onverbloemder toespelingen maakt op zijn verlangen zich in den vleze met haar te verstaan. Tussen deze scènes door, die iets cabaretesks hebben en misschien af en toe ook wel een beetje artificieel klinken, vlecht Menasse de op veel archievenonderzoek gestoelde levensgeschiedenis van rabbi Manasseh, die niet al zoveel eeuwen oud is of ze vertoont toch opmerkelijke parallellen met die van Viktor. Misschien dat de schrijver die laatste wat te zeer heeft aangezet, opdat ze toch maar geen lezer zouden ontgaan - in de Duitse kritiek is Menasse te grote explicietheid verweten, maar het is, hoewel niet geheel onterecht, toch vooral ook een nogal nuffig verwijt. In een roman van deze omvang kun je wellicht beter iets één keertje te veel herhalen dan te weinig; storen heeft mij dat niet gedaan. Waartoe Menasse ons zo uitvoerig de levens van twee 'verborgen joden' schildert, illustreert van terzijde, maar wel helder, het verhaal van Hans Hochbichler, de alcoholist-jezuïet van wie Viktor en zijn klasgenoten op school godsdienstles kregen. Hij heeft indertijd aan het Oostfront, als militair zielzorger, tientallen tot de militaire dienst en de rol van kanonnenvoer gedwongen radicaal-socialisten de dood in helpen jagen. Deze tegenstrijdige figuur, antisemiet van nature en door wroeging verteerd christen van overtuiging, stelt Viktor, op de klassieke busreis naar Rome waarmee ook in Oostenrijk menige katholieke leerling afscheid nam van de middelbare school, de vraag die uiteindelijk alle antisemieten kwelt: wat is het geheim van het jodendom? Want hoe kan het, wat er met een van Viktors voorouders - Hochbichler blijkt de geschiedenis van het geslacht Abravanel tot in de details te kennen -, de exemplarische Isaak Abravanel (14371508), is geschied? Zoon van een tot het christendom overgegane Portugese jood werd hij, door toedoen van het geestdrijvende, inquisitoriale ultrakatholicisme dat het Portugal van de vijftiende eeuw in zijn greep had, in zijn prille jeugd bij zijn ouders, bekeerd of niet, weggehaald en groeide hij op in een gegarandeerd judenrein, onverdacht christelijk pleeggezin onder de naam Joaquim Gomez de Medeiros. Hoe kan het dat deze voorbeeldig katholieke jongen, dit 'heilig experiment van de Kerk', zo voorbeeldig dat de aartsbisschop van Coimbra een stipendium uit zijn private kas ter beschikking stelde om voor hem een studie aan de universiteit ter stede, de beste van het land, mogelijk te maken, onverhoeds spoorloos verdween en later in Venetië opdook, verkondigde dat hij Isaak Abravanel heette en zich liet besnijden? 'Zeg me alleen één ding, Abravanel! Hoe verklaar je dat? Bloed? Nee, asjeblieft, zeg geen Ja! Het bloed heeft geen stem. Want als dat zo was, dan had de inquisitie gelijk gehad, dan hadden de nazi's gelijk gehad, en hadden uitgerekend de slachtoffers dat tevoren al bewezen.'Hoe verklaar je dat? Viktor zou het niet weten, zou dat ook niet willen, ook niet nadat hij, door de beschikkingen van Hochbichler, die de nodige connecties blijkt te hebben, in de geheime afdeling van de Vaticaanse archieven, kennis heeft kunnen nemen van alle stukken die daar over zijn voorgeslacht zijn bewaard, 'spionagedossiers en folterprotocollen', en die tezamen een vrij volledig beeld geven van de geschiedenis der Abravanels (een scène, overigens, die zweemt naar een van de Romeinse episodes uit De ontdekking van de hemel). Die geschiedenis is namelijk zonder pointe. Het enige wat eruit spreekt: 'Hel - en de verdrijving uit de hel!' En toch gloeit in dit inzicht misschien een glimpje van iets hoopgevends op. Menasse, die onder meer filosofie heeft gestudeerd en van 1981 tot 1988 aan de universiteit van Sao Paolo in Brazilië Hegel heeft gedoceerd, publiceerde in 1995 het essay Phänomenologie der Entgeisterung. Geschichte vom verschwindenden Wissen. In dat voortdenken op Hegels Phänomenologie des Geistes kwam Menasse tot de these van de 'ontgeesting', de voortschrijdende banalisering van de wereld. Maar die is nu juist misschien wel onze redding: 'De enige vooruitgang in de geschiedenis is dat wat eerst levensgevaarlijk was dat later niet meer is', aldus Menasse eind november in een interview in NRC Handelsblad. En zo wordt het bij momenten tragische en aangrijpende leven van rabbi Manasseh in Portugal, in het vrije Amsterdam en in het Engeland van Cromwell gespiegeld in het weinig opzienbarende bestaan van Viktor Abravanel, wiens meest bewogen moment zo ongeveer de zitting van het trotskistisch gelegenheidstribunaal moet zijn geweest dat hem in zijn studententijd 'berechtte' omdat hij een partijgenote de kosten voor haar abortus schuldig zou zijn gebleven - een travestie van een zitting van de Inquisitierechtbanken die juist in haar mallotigheid iets wrangs krijgt en doel treft. Evenzo blijkt aan het eind de beschuldiging van NSDAP-lidmaatschap die Viktor tegen zijn oud-leraars uitte vals: hij heeft het gewoon verzonnen - al is ze in twee gevallen toevallig wel waar. En ach nee, de joodse Viktor en de katholieke Hildegund (getrouwd met een godsdienstleraar, vijf kinderen) zullen niet samen het paradijs betreden, ook al komen ze tegen het eind in Bar Eden terecht. Maar je kunt beter ladderzat in een taxi gewerkt worden (aldus de exit van Viktor uit de roman) dan afgevoerd naar de brandstapels die in de openingsscènes van het boek zo talrijk walmen, toch? Wat overigens niet wegneemt dat de tot die brandstapels leidende waan die voortkomt uit de angst voor het andere misschien wel datgene is wat je het meest bijblijft van deze niet-alledaagse roman. Zoals de kleine Manoel (de latere rabbi Manasseh) samen met zijn schoolvriendjes in zijn Portugese stadje voortdurend op 'zwijnenjacht' is (op 'jodenzwijnen' immers), tuk op het ontmaskeren van 'geheime joden' (bekeerlingen die in het geheim toch vasthielden aan het judaïsme), willoos, ja zelfs niet zonder genot in de greep van de primitieve groepsgeest die zo graag hetzt en slaat en doodt - Menasse weet het zo te beschrijven dat je er een steen bij in je maag voelt vallen. Herman JacobsDe tot brandstapels leidende waan die voortkomt uit de angst voor het andere is wat je het meest bijblijft.