Volgende week: waarom stoppen de Belgen zo vroeg met werken?
...

Volgende week: waarom stoppen de Belgen zo vroeg met werken?Hij weet het ook wel, dat zijn boodschap niet sympathiek overkomt bij heel wat mensen. Dat zijn oplossingen sommigen in de portefeuille raken. Maar Etienne de Callataÿ (°1962) heeft naar eigen zeggen alleen het algemeen belang voor ogen. Hij meent ook dat weinigen in dit land kunnen zeggen wat hij zegt, onafhankelijk en toch goed geïnformeerd. De Callataÿ begon zijn carrière bij de Nationale Bank en het IMF, met als specialisatie overheidsfinanciën, en is nu chief economist bij de Bank Degroof. Tussen 1996 en 1999 werkte hij als adjunct-kabinetschef voor toenmalig premier Jean-Luc Dehaene (CD&V), en daarna vervulde hij nog even dezelfde functie bij Jean-Jacques Viseur (CDH), toen die in 1999 enkele maanden minister van Financiën was. Het stokpaardje van De Callataÿ is solidariteit tussen de generaties. De overheid moet er volgens hem naar streven dat iedereen over zijn hele levenscyclus een evenwichtig en evenredig deel van de koek krijgt. De Callataÿ drukt die koek uit in koopkracht, en wil dus dat de financiële belasting van elke maatschappelijke groep op een billijke wijze gebeurt. Het enige nadeel aan die benadering is dat ze louter financieel is. Een groot deel van de solidariteit tussen jong en oud heeft niets met centen te maken. Zo mag er dan wel een fiscaal onevenwicht, of een onrechtvaardigheid bestaan tussen verschillende leeftijdscategorieën, het is altijd mogelijk dat er compensaties daarvoor bestaan buiten het financiële kader. Een grootmoeder vangt de kinderen van haar zoon op, die haar dan weer helpt bij het regelen van haar verzekering, enzovoort. Etienne De Callataÿ: 'Er is veel dat niet te meten is. Maar als we kijken naar wat wél te meten is, kunnen we tot het besluit komen dat er een risico bestaat dat de huidige jonge generatie, die nu tussen de 20 en de 40 jaar oud is, iets minder koopkracht zal hebben dan haar ouders. Want die jonge generatie zal binnenkort voor talrijke budgettaire problemen komen te staan. Zij zal meer pensioenen moeten financieren en meer geld aan gezondheidszorg besteden. Ook op het vlak van milieu zullen de jongeren van nu meer moeten investeren dan hun ouders hebben willen doen. Ik pleit daarom voor een voorzichtigheidsbeginsel. We weten niet hoe de toestand over twintig jaar zal zijn. Dus moeten we nu aan maatregelen werken die de toekomst betaalbaar houden.'ETIENNE DE CALLATA : Dat is inderdaad een probleem. We zien dat in Oostenrijk, in Frankrijk, bij de Europese ambtenaren zelfs: het is altijd heel moeilijk een stelsel te hervormen. Het probleem met ons stelsel is dat het gewoon niet dynamisch genoeg is. Een pensioenleeftijd van 60 of 65 jaar was 35 jaar geleden geen probleem, maar nu wel, omdat de levensverwachting verder gestegen is. Wat we moeten doen, is een dynamisch verband maken tussen levensverwachting en pensioenleeftijd. In Zweden werkt dat nu. Als het Nationaal Instituut voor de Statistiek de cijfers voor de levensverwachting uitbrengt, wordt de pensioenleeftijd onmiddellijk daaraan aangepast. Zonder verdere onderhandelingen. DE CALLATA : Het vereist wat durf, maar we moeten de situatie heel duidelijk aan hen uitleggen. De boodschap mag niet botweg zijn dat iedereen tot 67 jaar moet werken. Maar nu verlaat een man in België de arbeidsmarkt op 57 jaar en een vrouw op 54 jaar, en dat kan niet. Dat is te vroeg. Het zou meer dan genoeg zijn als iedereen niet voor zijn zestigste met pensioen zou gaan. DE CALLATA : Ze moeten beseffen dat met vervroegd pensioen gaan op 52 slecht is voor de economie in het algemeen. Er is een dubbele taal van de werkgevers op dat vlak. Het VBO en het VEV pleiten wel voor een verhoging van de pensioenleeftijd, maar zodra een bedrijf in de problemen komt, denkt de directie aan vervroegde pensionering. Er bestaat een coalitie van mensen die ten koste van anderen het brugpensioen blijven verdedigen. Want ook de werknemers zijn gelukkig omdat ze meer vrije tijd krijgen en de vakbonden zijn tevreden omdat de afvloeiingen minder pijnlijk zijn. Ze houden echter geen rekening met het hele plaatje. Vóór 60 met pensioen gaan, moet beperkt blijven tot arbeiders die zwaar werk verrichten. Daarnaast zijn er beroepscategorieën zoals leerkrachten, die je de mogelijkheid moet geven ander werk te vinden zonder dat ze moeten inleveren op hun toekomstige pensioenrechten. DE CALLATA : Mijn voorkeur gaat uit naar een perfecte vrijheid. U wilt tot 70 jaar werken? Prima. U wilt met 55 op pensioen gaan? Ook prima. Maar als u langer werkt, krijgt u veel meer dan nu. Als u vroeger op pensioen gaat, krijgt u veel minder dan nu. De berekening van het geld dat voortijdig gepensioneerden krijgen, moet worden gebaseerd op de werkelijke kostprijs die de maatschappij betaalt voor die vroegere uitstap. DE CALLATA : Zoiets is inderdaad moeilijk te verkopen, maar ik ben een econoom en geen politicus. Ik zeg wat we zouden móéten doen. We kunnen wel een uitleg geven, de vakbond overtuigen dat als we niets doen, dat ten koste zal gaan van arbeid in België en onze welvaart op lange termijn. Wat we op zijn minst zouden kunnen doen, is beginnende ambtenaren dezelfde pensioenrechten geven als loontrekkenden uit de privésector. Spijtig genoeg is er geen marge om tegelijk ook hun loon gevoelig op te trekken om een en ander verteerbaar te maken. Het geld dat beschikbaar was na de grote saneringsinspanningen van de jaren-Dehaene is opgesoupeerd. DE CALLATA : Ik ga daar niet mee akkoord. Waarom? Ten eerste begint hun redenering met de stelling dat de belastingdruk ongewijzigd zal kunnen blijven. Ik ben daar niet van overtuigd. We zullen wel minder geld geven aan rentelasten, dat klopt. Maar een groot deel van het uitgespaarde geld zal onvermijdelijk besteed moeten worden, daarover is iedereen het zowat eens, aan de vermindering van de belastingdruk. Voor het ogenblik betaalt de Belg meer belasting dan zijn Europese medeburgers, en dat is niet houdbaar. Tweede punt: ik vrees dat het niet democratisch is. We kunnen niet zeggen: er is een overschot hier en een tekort daar, dus we vullen het tekort aan met het overschot. Nee, we moeten ons afvragen of de maatschappij bereid is om het geld voor de pensioenen te gebruiken. Zijn er geen andere prioriteiten, andere noden om deze besparingen aan te besteden? DE CALLATA : Voor mij kan een Zilverfonds zeer gevaarlijk zijn. In plaats van onze schuld te zien verminderen van 110 % van het bbp naar 100 %, is onze schuldratio gedaald van 110 % naar 103 %, en hebben we een spaarpot waarin we de overige 3 % hebben zitten. In feite geeft men een aparte naam aan een deel van de schuldvermindering. Het gevaar daarvan is dat het Zilverfonds de indruk geeft dat het probleem van de veroudering, en de daarmee gepaarde stijging van de pensioenuitgaven, opgelost is. Terwijl we op dit ogenblik nergens fundamenteel hebben ingegrepen. We hebben geen maatregelen genomen om toekomstige uitgaven te verminderen. Gerry Meeuwssen