Luc Ferry houdt een geëngageerd pleidooi voor ?transcendentaal humanisme? terwijl Herman De Dijn verder schrijft aan zijn kruistocht voor een waardengetrouw en tolerant conservatisme.
...

Luc Ferry houdt een geëngageerd pleidooi voor ?transcendentaal humanisme? terwijl Herman De Dijn verder schrijft aan zijn kruistocht voor een waardengetrouw en tolerant conservatisme.DEBATTEN over ethiek zijn weer in trek. De zin van het leven wordt zowaar druk bediscussieerd. En opnieuw tekenen zich hier fronten af die de jongste jaren weg werden gerelativeerd maar die blijkbaar nog springlevend zijn : de scheiding tussen humanisme en religieus fundamentalisme, tussen links en rechts, progressief en conservatief. Hoe postmodern het er dus ook mag aan toe gaan, het project van de moderniteit dat in de Verlichting werd opgestart, lijkt nog niet af. De Franse filosoof Luc Ferry en de Vlaamse wijsgeer Herman De Dijn illustreren met een bijna didactische duidelijkheid die hertekening van de aloude tegenstelling, die in het zicht van het jaar 2000 weer productief lijkt te worden. Ferry en De Dijn zijn elk op hun manier kenners van de moderne filosofie vanaf de Verlichting. Hun interpretatie van die filosofische moderniteit is, naast alle inhoudelijke eensgezindheid, echter totaal tegengesteld. Beiden zijn het erover eens dat de gebruiksethiek die rationele argumenten hanteert, tekortschiet bij de fundamentele menselijke problemen. Het verlangen naar zin gaat het petje van de argumentatieve rationaliteit te boven en stelt de vraag naar transcendente waarden. Daarmee houdt echter de gelijkenis tussen beide filosofische tenoren op. De Dijn wrijft zich haast in de handen bij het zogenaamde failliet van het moderne subject dat alles manipuleerbaar en maakbaar achtte en tegenwoordig niet meer weet van welk hout pijlen maken. Ferry daarentegen maakt in zijn recentste publicatie, ?L'homme-Dieu ou le Sens de la vie?, schoon schip met het, eveneens door De Dijn gehanteerde, cliché als zou de Verlichting een modern gruwelsubject hebben gebaard dat in zijn grenzenloos narcisme van een onmetelijke arrogantie blijk geeft. ONBEHOUWEN.De Dijn heeft de verdienste dat hij de laatste jaren via talloze opiniebijdragen en essaybundels ( ?Hoe overleven we de vrijheid ??) zonder verpinken op de barricaden klimt voor wat hij zelf noemt, een ?waardengetrouw en toch tolerant conservatisme? : ?De vraag is of nog voldoende individuen en groepen voeling hebben al was het maar met brokstukken van een levende traditie en of ze de sterkte en het vertrouwen bezitten om vandaaruit te leven en de genade zullen ondervinden de betekenis, de subtiliteit en de kwetsbare grootsheid van de transcendente waarden aan anderen door te geven.? Met dergelijke nieuwjaarsbriefachtige tirades pleegt De Dijn zijn epistels voor een nieuwe ?sterkte? te besluiten. Aan het slot van zijn spraakmakende opiniestuk, ?Waar zijn de katolieke intellektuelen gebleven ?? ( De Standaard van 30 maart 1996) toen nog in ?progressieve? spelling klinkt dat nogal onbehouwen als volgt : ?Het overleven zelf van de moderne demokratie vraagt bij ons het vasthouden aan een waardenbesef dat ontsproten is uit, en minstens mede gedragen moet worden door een religiositeit die geen andere kan zijn dan die van het ons overgeleverde kristendom (in casu het katolicisme).? Van iemand die het voortdurend opneemt voor ?stilte, gebed, troost, verwonderde viering, ?doelloos? samenzijn ook van niet-gelijkgezinden? laat een dergelijke vuistslag aan duidelijkheid niets te wensen over. De interessante thema's die De Dijn betokkelt, worden steevast in een katholiek-theologische optiek dichtgebetonneerd tot een zoveelste revival van neotraditionalisme. Hoe anders dezelfde discussie kan worden gevoerd, bewijst Ferry als hij in kort bestek de filosofische menswording van dat moderne subject in de laatste tweehonderd jaar reconstrueert. De onttovering of secularisering van de werkelijkheid die de Verlichting op gang heeft gebracht, wordt volgens Ferry van antwoord gediend door een parallelle sacralisering van alles wat menselijk is. Het heilige van destijds wordt dus ontmaskerd en het menselijke als het ware opgewaardeerd tot iets goddelijks : ?als de mensen geen goden waren, zouden ze ook geen mensen meer zijn.?LIEFDE.Vanaf Rousseau en Kant wijst het mondige individu elke betutteling van buitenaf van de hand. De Verlichting geeft de doodsteek aan een ethische rechtvaardiging van het bestaan via theologische, geopenbaarde argumenten. De zelfstandige mens wordt de maat van alle dingen en ontdekt eerst en vooral zichzelf. Hij herkent zichzelf in de medemens én ontdekt voor het eerst in de geschiedenis de liefde voor die andere. De autonome rationaliteit die in de achttiende eeuw op het voorplan treedt, zo Ferry, effent de weg voor het vinden van het grootste mysterie van de jongste twee eeuwen : de menselijke liefde. In tegenstelling tot hetgeen De Dijn beweert, betekent het autonoom worden van het moderne individu dus geenszins dat daarmee de spiritualiteit of het transcendente, overstijgende karakter van het menselijke bestaan wordt ontkend. Wel integendeel : de spiritualiteit kiest vanaf de moderne tijd een ander kanaal om zich te manifesteren. De sentimentaliteit van het moderne subject, en dan vooral de ontdekking van het moderne liefdesgevoel, is voor Ferry het symptoom voor een nieuwe inbedding van het transcendente, mysterieuze levensgevoel. De liefde van de ouders voor het kind, zoals trouwens ook de passionele liefde tussen man en vrouw, vindt haar oorsprong in de door de Verlichting geproclameerde dood van een geopenbaarde God. Het autonome subject herkent als het ware God in de ander. Nog sterker : het individu moest eerst onafhankelijk worden van elke externe bevoogding om zichzelf en dus de liefde te kunnen ontdekken. Terwijl De Dijn de binding met de traditie opnieuw wil hersteld zien in een transcendentaal, ?mystiek lichaam? dat niet ter discussie staat dé familie, dé kerk, dé gemeenschap, dé continuïteit der generaties , herkent Ferry in de talloze caritatieve acties van de jongste jaren én in de vele UNO-interventies de signatuur van een transcendentaal humanisme. Hoe omstreden en gemediatiseerd die acties en interventies ook mogen zijn, toch blijkt hieruit fundamenteel, aldus Ferry, hoe intens de mens van vandaag begaan is met de andere medemens. De sympathie van mensen voor elkaar is nooit groter geweest. Filosofisch gesproken zou Ferry het absolute subject van de Verlichtingsfilosofen willen vervangen voor een planetair subject, dat als nooit tevoren meeleeft met het wel en wee van andere mensen. CHARISMA.De paradoxale conclusie van Ferry is dan ook dat de pre-moderne mensheid vooral op een formele manier begaan was met het religieuze, terwijl de moderne mens vanaf de achttiende eeuw die religie met haar boodschap van liefde blijkbaar inhoudelijk ernstig heeft genomen en haar daardoor heeft afgeschaft. De liefde die in de christelijke religie werd gepredikt, vindt haar uiteindelijke realisatie in de solidariteit van mensen met elkaar : of het nu gaat om hongerslachtoffers in Ethiopië of vermoorde kinderen in eigen land. Die massale uitingen van mondiale sympathie zijn meer dan alleen maar uitingen van gecalculeerd, fiscaal winstbejag. De emoties die de televisie kanaliseert bij het rapporteren over het lijden van andere mensen overschaduwen uiteindelijk eventueel commercieel winstbejag. Die emoties van medeleven zijn volgens Ferry in de kern waarachtig. Zij overstijgen de commerciële context waarin het medium televisie vaak opereert. Terloops breekt Ferry trouwens een lans voor het medium televisie dat voorbeschikt is om emoties en spektakel te visualiseren. Ook culturele programma's op televisie moeten niet zozeer kennis etaleren, dan wel te denken geven en prikkelen tot eventueel verder onderzoek dat dan in de geschreven media het best tot zijn recht komt. Een dergelijk solidair humanisme waarin mensen sympathiseren met andere wereldburgers, noemt Ferry transcendentaal, omdat het nergens kan hard maken waarom het zo intens begaan is met het wel en wee van die medemens. Ondanks de potentiële en reële misbruiken blijven mensen geld storten voor anderen en blijven individuen zich belangenloos inzetten voor het lenigen van de nood. Ook van de politici verwachten de mensen een charisma dat de technische competentie van hun beslissingen moet overstijgen. Niemand loopt volgens Ferry warm voor Europa, omdat de Unie in een technisch vertoog de fameuze Maastrichtnorm bijvoorbeeld blijft ondergedompeld. Bij gebrek aan politici die la politique politicienne overstijgen, kiezen de massa's voor de mysterieuze aantrekkingskracht van sporthelden die in hun inspanningen nog wel iets bovenmenselijks, transcendentaals uitstralen. Ferry's geëngageerde pleidooi voor een humanisme van deze tijd wortelt overduidelijk in diens eigen sympathie voor deze tijd en voor de mensen van vandaag. Zijn historische kijk op verandering zorgt voor de inkleuring van zijn warm pleidooi voor een transcendentaal humanisme. Hoe anders gaat het eraan toe in De Dijns anti-modernistisch universum. Hij ziet overal negativiteit om zich heen cynisme, narcisme, stuurloosheid, willekeur, verloedering en spreekt nergens concreet over menselijke projecten, laat staan over concrete mensen in concrete situaties. Bij De Dijn gaat het in aloude thomistische traditie over kardinale deugden, zoals trouw en overgave, die dreigen verloren te gaan versus kardinale ondeugden, zoals rusteloosheid, activisme of apathie, die vandaag overal om zich heen grijpen. ?Het sacrament van de vriendschap of de liefde werkt in de vergetelheid van de dagelijkse zorg en omgang.? Wie een dergelijke beschimmeld geformuleerde ethiek met een gerust geweten uitbazuint, hoeft zeker niet te keer te gaan tegen het engagement van de klassieke intellectueel à la Zola of Sartre, zoals De Dijn dat onlangs nog op televisie deed. Van De Dijns désengagement valt helemaal niets te verwachten, tenzij de verrechtvaardiging van de bestaande maatschappelijke orde. Ferry's geëngageerd pamflet kan de Vlaamse intellectueel misschien doen ontwaken. Frank Hellemans Luc Ferry, ?L'homme-Dieu ou le Sens de la vie?, Grasset, Paris, 250 blz., ca. 650 fr.De boeken van Herman De Dijn verschijnen bij uitgeverij Pelckmans. Herman De Dijn ziet overal negativiteit, nooit concrete mensen in concrete situaties.