Wie kan garanderen dat bomen of mensen niet op een dag van hun vaste standplaats worden weggerukt? Bomen bekopen het dan vrijwel altijd met hun leven, mensen kunnen hun heil zoeken in de vlucht, onveilige paden volgend. Wereldwijd in beeld gebracht, worden ze gereduceerd tot anonieme dragers van de universele angst, uitputting en innerlijke leegte. Zijn ze ondertussen doodgegaan, blijven ze nog wat in leven, tonen ze tekenen van herstel? Altijd zien we hen gehuld in dekens. Geen ding is zozeer een teken van eerste hulp, tijdelijke warmte ...

Wie kan garanderen dat bomen of mensen niet op een dag van hun vaste standplaats worden weggerukt? Bomen bekopen het dan vrijwel altijd met hun leven, mensen kunnen hun heil zoeken in de vlucht, onveilige paden volgend. Wereldwijd in beeld gebracht, worden ze gereduceerd tot anonieme dragers van de universele angst, uitputting en innerlijke leegte. Zijn ze ondertussen doodgegaan, blijven ze nog wat in leven, tonen ze tekenen van herstel? Altijd zien we hen gehuld in dekens. Geen ding is zozeer een teken van eerste hulp, tijdelijke warmte en voorlopige bescherming voor wie geen huis meer heeft, als het deken. Vreemd genoeg verhevigt het door zijn kleuren, patronen en plooibare stoffelijkheid altijd het hoopje grijze ellende dat het omhult. Werken met verhevigde vormen van betekenis is kunstenaars voorbehouden. Het deken past Berlinde de Bruyckere in haar nomadische queeste. Ze zet tekens uit, die een tijdelijk behoud van warmte verzekeren, en maakt ze rijk in vorm en betekenis. Onlangs hield ze halt in Park ter Beuken in Lokeren, waar ze de menselijke connotaties van het deken doorgaf aan drie van de eeuwenoude bomen aldaar. De kastanje, de beuk en de treurbeuk die ze er onder handen nam, hebben een bovenmenselijke, sculpturale présence waar niets aan toe te voegen valt. Tenzij, om te markeren dat ook hún bestaan afhangt van de wisselende goodwill van mensen, dat ze in de winter evengoed naakt en dood zijn, en dat een warme, kleurrijke, sculpturale tooi hen dan goed afgaat. De kastanje verheft zijn dikste takken als kandelaars, als armen ook. In de oksels heeft De Bruyckere stapeltjes dekens genesteld. Ze specificeren zijn gestalte en verlenen hem een hevig rood kleuraccent. Ook roepen ze associaties op met het Amerikaanse meisje dat twee jaar in een boom leefde om te beletten dat hij werd geveld. Een hoge beuk spreidt zijn breed netwerk van takken in het rond. Zijn vorm wordt in de diepte gecompleteerd door zijn spiegelbeeld in het water van de vijver. De Bruyckere bond er groepen buigzame, met dekens omhulde planken aan vast, als ruimtelijke kleurarceringen. De tinten komen terug in het gebroken mozaïektegelpatroon op het brugje vanwaar hij kan worden bekeken. En achteraan in het park werkte ze in de beschutte ruimte die een treurbeuk er vormt, onder zijn laag bij de grond hangend takkendeken. Met de omzwachtelde dode takken van andere bomen wikkelde ze zijn dikke stam in, tot hij het uitzicht aannam van zijn eigen ondergronds wortelwerk. Als dit aan de lucht blootgesteld werd, zou de treurbeuk binnen de kortste keren doodgaan. Naarmate de reuzen hun eigen groen zullen terugvinden, heel kort een harmonie vormend met hun winterse kunsttooi, zal het werk van De Bruyckere ophouden te bestaan (tot 16.4).Jan Braet