Zoals je inzake de holocaust nog altijd her en der op negationisten stoot, zo lopen er in bepaalde kringen in België, en niet het minst in vakbondsmilieus, ook nog altijd mensen rond die blijven ontkennen dat de vergrijzing van de Belgische bevolking in de komende decennia een loodzware last wordt voor ons sociaal-economisch en financieel bestel. Diverse recente analyses onderstrepen het grote ongelijk van de vergrijzingsnegationisten.
...

Zoals je inzake de holocaust nog altijd her en der op negationisten stoot, zo lopen er in bepaalde kringen in België, en niet het minst in vakbondsmilieus, ook nog altijd mensen rond die blijven ontkennen dat de vergrijzing van de Belgische bevolking in de komende decennia een loodzware last wordt voor ons sociaal-economisch en financieel bestel. Diverse recente analyses onderstrepen het grote ongelijk van de vergrijzingsnegationisten. Twee van de meest gerenommeerde internationale instellingen inzake economisch onderzoek, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uit Parijs en het Internationaal Muntfonds (IMF) uit Washington, bogen zich onlangs over de thematiek van de vergrijzing in België. Het OESO-rapport kreeg uitgebreid aandacht in de Belgische media - vooral naar aanleiding van de kritiek van de OESO op het gratis openbaar vervoer - terwijl de ana-lyse van het IMF volkomen onopgemerkt voorbijging. Een merkwaardig verschil, zeker als men vaststelt dat het IMF nadrukkelijker aan de noodbel trekt dan de OESO. Beide rapporten lopen qua accenten in hoge mate parallel. Ten eerste hameren ze alle twee op de noodzaak van een verdergaande begrotingsconsolidatie: begrotingen in evenwicht volstaan niet, België moet nú naar structurele overschotten pro rata van 1 % van het bbp per jaar (3 miljard euro). Doen we dat niet, dan wachten tegen 2050 schuldratio's (d.i. overheidsschuld als % van het bbp) van 190 % en meer. Eind 2004 bedroeg onze schuld-ratio 94 %, nog altijd een der allerhoogste ter wereld. Ten tweede acht zowel OESO als IMF een grondige herstructurering van onze arbeidsmarkt (lees: flexibilisering) noodzakelijk om de trendgroei van de Belgische economie weer op te vijzelen tot boven de 2 % per jaar. Doen we dat niet, dan dreigt die trendgroei te verschrompelen tot plusminus 1 % per jaar wat, aldus OESO en IMF, de vergrijzingsfactuur zo goed als onbetaalbaar zou maken. Het derde gemeenschappelijke kenmerk in de analyse van zowel OESO als IMF betreft het compleet doodzwijgen - zelfs in de voetnoten en de appendices - van het Zilverfonds. Voor beide instellingen speelt het Zilverfonds blijkbaar geen enkele rol van betekenis in de aanpak van de vergrijzingsschokgolf die het Belgische bestel in de komende decennia door elkaar zal schudden. Diverse Belgische regeringslieden gaven reacties op het OESO-rapport, maar ook dan kwam het Zilverfonds niet aan de orde. En dat is toch wel bijzonder merkwaardig. Eerste minister Guy Verhofstadt, minister van Financiën Didier Reynders , minister van Begroting Johan Vande Lanotte en diverse andere excellenties beklemtoonden de voorbije jaren met de regelmaat van een klok dat de reserves opgestapeld in het Zilverfonds ons méér dan één appeltje tegen de vergrijzingsdorst bezorgen. De totale veronachtzaming van het Zilverfonds door zowel OESO als IMF bevestigt wat eenieder die de zaken de voorbije jaren van nabij heeft gevolgd allang weet, namelijk dat het Zilverfonds beter zou worden omgedoopt tot de Zilverfarce. De manier waarop deze regering het Zilverfonds aan de bevolking verkocht heeft als een efficiënt middel om de vergrijzingsfactuur te helpen betalen, is even geniaal als misdadig. Zelden slaagde de politiek er zo goed in om gebakken lucht als tastbaar en reëel te slijten en zodoende de goegemeente een rad voor de ogen te draaien. De 10 miljard euro aan reserves die vandaag in het Fonds zouden zitten, zijn ofwel volkomen fictief ofwel gewoon overheidsschuld. Hopelijk leidt de ijzige stilte van OESO en IMF over het Zilverfonds tot een stille begrafenis van dit bedrieglijke vehikel. Johan Van Overtveldt