Hoe zou een nieuwe, grote Nederlandse literatuurgeschiedenis eruit kunnen zien ?
...

Hoe zou een nieuwe, grote Nederlandse literatuurgeschiedenis eruit kunnen zien ?De jongste jaren was het bon ton om, met een verwijzing naar Lyotard, elke poging tot synthese als misplaatst totalitarisme te brandmerken. In deze postmoderne tijden zijn zaligmakende verklaringen niet langer geloofdwaardig. Vaarwel socialisme, utopie en geschiedenis, lang leve het fragment, het unieke detail en het onaffe. Dit postmoderne credo heeft zijn beste tijd blijkbaar gehad, want de roep naar een coherente visie, een omspannend verhaal is nu zelfs te horen bij de postmoderne pleitbezorgers bij uitstek : de literatuurwetenschappers. Vanuit literatuur-historische hoek wordt meer dan ooit gebrainstormd over een nieuwe ?Knuvelder?, een literair-historische synthese van de Nederlandstalige literatuur. Met steun van de Nederlandse Taalunie zou in de komende jaren een geschiedschrijving van de Nederlandstalige literatuur in vijf of zes delen worden aangemaakt. Tegen de eeuwwisseling zou, vijftig jaar na het vierdelige ?Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde? (1948-1952) van Gerard Knuvelder, een geactualiseerd panorama van de Nederlandse letterkunde klaar moeten zijn. Eigenlijk was het Ton Anbeek die in het begin van de jaren negentig de kat de bel aanbond. Het is nu al dertig jaar dat er over Knuvelder wordt geklaagd, aldus Anbeek. Het wordt tijd dat de neerlandici zelf maar eens de hand aan de ploeg slaan. Zijn ?Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985? (1990), maakte komaf met de kommaneukerij zoals die vanaf de jaren zeventig in de literatuurstudie de toon aangaf. Close reading zwoer bij tekstanalyse en niets dan de tekst zelf. De retorische procédés en stilistische trucjes waren onderwerp van analyse. Elke buitenliteraire beschouwing werd als onserieus van tafel geveegd. DE LETTER KWAM EERSTDeze strikt tekstuele benadering van de literatuur kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Ze reageerde tegen een visie op literatuur die sinds de negentiende eeuw erg in trek was. Het leven van de auteur en de kringen die dat leven maakten, stonden voorop bij de literatuurstudie. In die traditionele optiek werd het literaire werk gemaakt door de biografie van de auteur (psychologische literatuurbeschouwing) en de socio-economische context van dat leven (de marxistische zienswijze). Het postmoderne structuralisme wou eindelijk werk maken van het werk zelf en keek kippig naar datgene wat op de eerste plaats kwam : de letter en dus niet de geest. Anbeek was de eerste die de structuralistische oogkleppen aflegde zonder de focus op de tekst op te geven. Hij trachtte de literaire evolutie in termen van machtsconflicten of normenverschuiving te bekijken : de strijd van bijvoorbeeld de jongere generatie (Tachtigers) tegen de oudere. De challenger wordt uiteindelijk de winnaar, de norm, en roept vervolgens een nieuwe uitdager en winnaar op. Maar Anbeek wou of kon die binnenliteraire dynamiek niet verbinden met de ontwikkelingen buiten de literatuur. Literatuursociologische benaderingen van de twintigste-eeuwse literatuur, zo Anbeek, waren niet voorhanden. Hij maakte van de nood een deugd en deed zijn best om Knuvelder enigszins te corrigeren waar het ging om de moderne, Nederlandse literatuur van de jongste honderd jaar. En dat hij daarbij voorbijging aan de Vlaamse letteren werd hem niet in dank afgenomen. Terwijl het bij academici begon te dagen dat het tijd werd voor een nieuw groot verhaal, was de Vlaming Freddy De Schutter al bezig met zijn ?verhaal?. Het laatste stuk van dit drieluik, ?Het verhaal van de Nederlandse literatuur?, wordt klaargestoomd tegen het voorjaar. De Schutter windt er geen doekjes om dat hij net als Knuvelder een afgerond geheel wil presenteren, met een duidelijke verankering in het buitenliteraire leven : ?Ik wil een cultuurfilosofische geschiedenis van de literatuur brengen die de lezer prikkelt om achteraf zelf eens bepaalde werken te gaan lezen, terwijl wetenschappelijke literatuurgeschiedenissen meer een naslagwerk zijn dat je achteraf, na het lezen van een bepaald boek, even inkijkt. Bij die cultuurfilosofische kijk op literatuur heb ik oog voor de ideologieën en het levensgevoel die toen meespeelden.? ?Wetenschappers vergeten te dikwijls de band tussen het literaire werk en de cultuurfilosofische context. Zo wordt wel eens gezegd dat het individuele levensgevoel een uitvinding is van de achttiende-eeuwse romantiek, terwijl ik duidelijk probeer te maken hoe reeds in de hoofse literatuur van de Middeleeuwen het persoonlijke levensgevoel van vandaag in de steigers wordt gezet. Via de renaissance en de romantiek wordt dat individu dan de zielige, vereenzaamde zielepoot die de huidige literatuur zo vaak teistert.? DE BUITENLITERAIRE CONTEXTDe Schutter kreeg bij het verschijnen van de eerste twee delen van zijn verhaal (dat voorlopig eindigt in 1900) heel wat tegenwind vanuit wetenschappelijke hoek wegens onvolledig, tendentieus en historisch onbetrouwbaar. In 1993 bundelden 109 auteurs uit het wetenschappelijke kamp hun krachten om in 900 bladzijden en aan de hand van 150 literair-historische stalen een geschiedenis bij elkaar te puzzelen. Dit lappendeken, ?Nederlandse literatuur, een geschiedenis? dat begon met het fameuze ?olla vogala? in 1100 en eindigde in 1992, ligt aan de basis van het huidige project. Anne Marie Musschoot, betrokken bij beide projecten, onderstreept het belang van de buitenliteraire context voor elke literatuurgeschiedenis die naam waardig : ?Literatuurgeschiedenis moet rekening houden met de inbedding van teksten. Zo is het duidelijk dat de literaire evolutie in deze eeuw tussen de jaren zestig en nu te maken heeft met gelijktijdige veranderingen in de samenleving. Het doodbloeden van het maatschappijkritische elan op het einde van de jaren zestig, betekent de doodsteek voor het experimentele schrijven en het begin van het verinnerlijkte proza. De recente hausse van literaire ego-documenten is verklaarbaar aan de hand van die maatschappelijke tendens tot verinnerlijking vanaf het begin van de jaren zeventig.? Musschoot wil zich niet laten vastpinnen op één zaligmakende methode : ?We zouden wel graag de verschillende auteurs op één lijn krijgen en die lijn kan je functionalistisch noemen, maar het mag geen stringent systeem worden. We streven er naar om elk deel de Middeleeuwen, de Renaissance, zeventiende en achttiende eeuw enzovoorts door één gespecialiseerde auteur te laten maken, kwestie van de coherentie van het geheel.? Het is duidelijk dat de versnippering van de vorige uitgave uit 1993 moet worden vermeden en dat de ?functionalistische? aanpak van toen verder wordt aangehouden. M.A. Schenkeveld-van der Dussen, de hoofdverantwoordelijke voor het ratjetoe uit 1993, vatte die invalshoek als volgt samen : ?Op het ogenblik is men vrij algemeen van oordeel dat het belangrijk is in een literatuurgeschiedenis niet alleen te letten op de literaire werken zelf, maar ook en vooral op het functioneren in de samenleving. Daartoe wordt ook aandacht gegeven aan het hele literaire bedrijf, de uitgevers en boekverkopers, de rol van particulier en overheid als mecenas, de sociologische samenstelling van het lezerspubliek, de rol van de media.? POLYPERSPECTIVISCH IS DE TERMHugo Brems, die langs Vlaamse kant samen met Musschoot meedenkt aan de nieuwe literatuurgeschiedenis, benadrukt eveneens dat literatuur functioneert binnen een veld van verschillende spelers : schrijvers en lezers uiteraard, maar ook critici, marktmechanismen en de media. Literatuur is dus een zaak van velen en een geschiedschrijver moet aan ieder de plaats geven die hem toekomt : ?Een term die nogal opgang maakt, is polyperspectivisch, waarmee bedoeld wordt dat ernaar zou moeten worden gestreefd diverse invalshoeken op het literaire materiaal tot hun recht te laten komen. Ik denk aan invalshoeken van auteurs, maar ook critici, lezers, van Nederland maar ook van Vlaanderen.? Als geslaagd voorbeeld van een dergelijke literatuurgeschiedenis verwijst hij naar de studie van Frits van Oostrom over Jacob van Maerlant. Van Oostrom, zo Brems, laat mooi zien hoe literatuur in de Middeleeuwen functioneerde. Probleem is dat er tot de achttiende eeuw al heel wat materiaal voorhanden is over de wijze waarop literatuur toen werd ingevuld, maar dat de moderne tijd literair-historisch heel wat minder ruim werd belicht : ?Voor die periode is een ruime benadering van literatuur niet zo vanzelfsprekend. Er zijn weliswaar interessante sociologische benaderingen van de moderne literatuur, maar die hebben te weinig oog voor de eigenheid van de literaire teksten.? Aldus nog Musschoot over de gevaren van een té uitbundig om zich heen kijkende literatuurgeschiedschrijving. Nochtans is het uitgerekend de literatuursociologie die onlangs voor de meest intrigerende inzichten heeft gezorgd. Twee relatief onbekende Utrechtse neerlandici, Frans Ruiter en Wilbert Smulders, herschreven in zekere zin Anbeeks geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Zij geven de literaire dynamiek van zijn geschiedenis een maatschappelijk reliëf door de modernisering van de Nederlandse samenleving te synchroniseren met de modernisering van de literatuur. ?Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990? brengt heel wat meer nuancering aan in het beeld van de Nederlandse negentiende-eeuwse literatuur dan tot nog toe gebruikelijk was. DE KOGEL IS DOOR DE KERKNaast de populaire maar weinig kwaliteitsvolle literatuur, liep er traditioneel een spoor van avant-gardistische of alleszins exceptionele ?koppen? als Multatuli en Gezelle die de literaire ontwikkeling op hun ééntje vooruithielpen. Ruiter en Smulders beschrijven een viervoudig parcours waarin er naast de avant-gardistische high culture, plaats is voor de burgerlijke middle brow-cultuur en voor de low culture van de verzuilde, respectievelijk de ontzuilde massa. Ook in hun sociologische visie op de naoorlogse Nederlandse literatuur, doen zij nieuwe poortjes open door bijvoorbeeld de woelige jaren zestig over het laatste decennium van de negentiende eeuw te schuiven. Beide decennia waren tijdperken van maatschappelijke crisis en vernieuwing, ook in de literatuur. Hun typering van de Nederlandse literatuur vanaf de jaren zestig in termen van pop art die ?gewild gewoon? wil doen en die als postmodernistische activiteit een cultus van de ?burgerlijke anti-burgerlijkheid? koestert, is een eye-opener. Je vraagt je bij het lezen van hun originele literatuurgeschiedenis dan ook af of een sociologisch verrijkt functionalisme niet de weg zou kunnen zijn die de nieuwe literatuurgeschiedenis eventueel moet bewandelen. Het functionalisme, waarover in literatuurwetenschappelijke middens zo dik wordt gedaan, is een theorie-opvatting die oorspronkelijk in de sociologie werd gehanteerd en die blijkbaar nu wordt verdund of geformaliseerd tot een combinatie van uitgeholde hulzen, zoals lezer, schrijver, uitgever en media. In de oorspronkelijke, sociologische setting werden deze verschillende spelers van het literaire veld tegen de achtergrond van maatschappelijke bewegingen bekeken. Los van die methodologische discussies, is het natuurlijk een goede zaak dat de kogel eindelijk door de kerk is en dat ook het literatuurwetenschappelijk milieu ervan overtuigd is geraakt dat een samenhangende visie op de literatuurgeschiedenis meer dan ooit noodzakelijk is. Bij gebrek aan een nieuwe Knuvelder, moet de geïnteresseerde leek het voorlopig stellen met het eigenzinnig maar essayistisch verhaal van De Schutter. Daarnaast zijn er, zoals gezegd, goede tot zeer goede deelstudies van Anbeek en nu ook van het duo Ruiter en Smulders. Wie het hele literaire bedrijf wil overschouwen, van ?olla vogala? tot 2000, moet wachten tot het einde van dit millennium. Tot nader order blijft de beste West-Europese literatuurgeschiedenis nog altijd de monumentale kunst- en literatuurgeschiedenis van Arnold Hauser die ook al dateert van de jaren vijftig. Kortom, als de nieuwe ?Knuvelder? er binnenkort zal zijn, wordt het misschien tijd om ook eens een nieuwe ?Hauser? te maken : een geschiedenis die de literatuur situeert in een breder kunsthistorisch, mondiaal perspectief. Frank Hellemans Frans Ruiter en Wilbert Smulders, ?Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990?, De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 438 blz. Hugo Brems : literatuur binnen een veld van verschillende spelers.