Al 35 jaar is Jean Nelissen (65) wielercommentator bij de NOS. In die tijd ontwikkelde hij zich tot een eminent wielerkenner. Nelissen schreef negentien boeken over de wielersport en ging daarbij hete hangijzers, zoals doping, niet uit de weg. Heel lang combineerde Jean Nelissen zijn freelance job bij de televisie ('Ik heb bij de NOS nooit een contract getekend') met een baan bij het Limburgs Dagblad, waar hij tot 1995 als chef-sport fungeerde.
...

Al 35 jaar is Jean Nelissen (65) wielercommentator bij de NOS. In die tijd ontwikkelde hij zich tot een eminent wielerkenner. Nelissen schreef negentien boeken over de wielersport en ging daarbij hete hangijzers, zoals doping, niet uit de weg. Heel lang combineerde Jean Nelissen zijn freelance job bij de televisie ('Ik heb bij de NOS nooit een contract getekend') met een baan bij het Limburgs Dagblad, waar hij tot 1995 als chef-sport fungeerde. De laatste jaren doet hij het wat rustiger aan. Maar de passie voor de wielersport is gebleven en het televisiewerk blijft hem boeien. Op de regionale zender TV-Totaal presenteert Nelissen wekelijks een sportuitzending en voor de NOS werkt hij zo'n honderd dagen per jaar. Tijdens de klassiekers vormt Nelissen met de illustere Mart Smeets een soort twee-eenheid, een perfect op elkaar ingespeeld duo dat weet dat mensen niet uitsluitend behoefte hebben aan een opsomming van erelijsten of andere vormen van gortdroge informatie. 'De kunst van goeie verslaggeving', vindt Nelissen, 'is dat je af en toe moet durven zwijgen. Maar vooral: dat je geen non-informatie geeft. Met de intrede van al die technische raadgevers wil dat hier en daar wel eens gebeuren.' In de Ronde van Frankrijk laat Nelissen het rechtstreekse werk aan anderen over. Dan pakt hij uit met een column, een informatieve, ludieke en soms anekdotische bijdrage over wat hij in het grootste wielerspektakel ter wereld meemaakte. Of een exposé over de gastronomie in Frankrijk. Want door zijn veelvuldige reizen naar het buitenland weet Nelissen een delicieus gerecht al evenzeer te waarderen als een goed glas wijn. Hij is een echte levensgenieter. Of, zoals hij het zelf formuleert: 'Een connaisseur van het leven.' Jean Nelissen: Ik ben een liefhebber van tafelen geworden door het werk. Ik kom uit een tijd dat je in de Ronde van Frankrijk nog met vijf televisieverslaggevers op een veel te klein podium zat. Als ik nu rond me kijk, zie ik een stuk of vijftig commerciële stations. Toen Jan Ullrich in 1997 de Tour aan het winnen was, vielen er plots tachtig Duitsers de karavaan binnen. Dan denk je wel eens terug aan de romantiek van vroeger. In mijn allereerste Tour, in 1967, werkte ik voor de televisie, de radio en de krant. Dat waren echte tropenjaren. Na je job voor de radio en de televisie, als je helemaal leeg was, moest je 's avonds nog een pagina schrijven voor de krant. Als je dan niet een bepaald vooruitzicht hebt, een geestelijk houvast, dan red je het nooit. In moeilijke momenten was er altijd de gedachte aan 's avonds, aan het restaurant, aan het culinair festijn. Je kon ook 's middags uitgebreid gaan lunchen, onze culinaire kennis nam met het jaar toe. In die tijd werden immers alleen de laatste 35 kilometer in beeld gebracht. Nelissen: Ik vind dat vreselijk. En waarom doen ze dat? Uitsluitend uit commerciële overwegingen. Laten we eerlijk zijn: wat is er nu aan om de renners in het begin van een etappe de Tourmalet te zien beklimmen, in groep en met de handjes boven op het stuur? Wie kijkt daar naar? Het enige doel is om daarmee sponsors over de streep te trekken. Er worden hun zoveel minuten televisie beloofd, die maken een rekensom en denken: dat krijgen we nergens, laten we dat maar gauw doen. Deze uitzending is een anachronisme. Het volstaat voor de moderne mens om hetgeen er in de etappe is gebeurd kort samen te vatten en de laatste vijftig kilometer rechtstreeks in beeld te brengen. Dan heb je geen stom gedoe, zoals nu, maar anderhalf uur goeie televisie. Zoals vroeger. Nelissen: Als je ouder wordt, heb je de neiging om dat te beweren. Terwijl er toen natuurlijk ook dingen verkeerd liepen. Wij logeerden destijds bijvoorbeeld in krakkemikkige hotels, we hadden vier weken lang niet de minste vorm van comfort. Dat gold ook voor de renners. Ik zie nog Eddy Merckx in zijn triomfjaren in een bed liggen, vijfhoog, in een schooltje, in zo'n stapelbed. Het was 35 graden en er was op de gang één toilet voor al die renners. Dat waren mensonwaardige omstandigheden. Toen wilde Merckx dat schooltje verlaten en zei de Tourorganisatie: als je dat doet, dan zetten we je uit de koers. Als ik er nog aan denk hoe we toen in de perszaal moesten werken, de telefoons waren nog niet geautomatiseerd, in de perszaal zaten drie dames aan wie je moest zeggen met wie je wilde bellen. Dat werd dan doorgegeven aan een lokale agent die dat aan Parijs doorspeelde. En daar lag dan een stapel aanvragen van mensen uit Erembodegem of Schiedam die vanuit een camping aan de Azurenkust naar huis wilden bellen om te vragen hoe het met de kat ging. Daar lag jij dan tussen. Dat was een enorme spanning, steeds weer vroeg je je af: haal ik de deadline? Wat dat betreft is het allemaal veel verbeterd. Alleen heeft de hectiek nu de gezelligheid verdreven. Je krijgt nauwelijks nog een renner te pakken en je komt al helemaal geen hotelkamer meer in. Toen ik begon, zaten er honderd journalisten in de perszaal. Nu meer dan duizend. Net zoals er in de tijd van Eddy Merckx 120 renners waren. Nu zijn er bij wijze van spreken 67 ploegen die uit dertig renners tien man moeten aanwijzen voor de klassiekers. Het kapitaal is vervijftigvoudigd. Als je het design van de tegenwoordige wielerkleding vergelijkt met die armoedige, slobberige truitjes van twintig jaar geleden, dat is een wereld van verschil. Daar heeft zich een hele industrie op gefocust. In Amerika en Duitsland zijn er door de successen van Armstrong en Ullrich machtige imperiums opgestaan. In feite is dat een goeie zaak. Zolang grote landen succesvol zijn in de wielrennerij blijft deze sport floreren. Maar wat is het insluipende gevaar? Al die renners uit het voormalige Oostblok. Wat is de impact van een Vainsteins uit Letland? Nul. Wat heb je aan Bodrogi uit Hongarije? Niets, helemaal niets. Maar als je in Hamburg komt, zie je dat er twee miljoen mensen naar Ullrich staan te kijken. Ik begrijp de transferpolitiek van de ploegen soms niet, voor zo'n Vainsteins zou ik niet veel geven. Niet omdat die jongen niet goed is. Maar wat moet ik daarmee? Aan wie ga je door hem een trui of een petje verkopen? Laat staan een fiets. De wielersport heeft er baat bij dat de grote en traditierijke landen vedetten afleveren. Dus is het nu wachten op een nieuwe kampioen uit Frankrijk. Want wij hebben alleen Dekker en soms Boogerd en Knaven. Terwijl er bij ons zestien miljoen fietsen in de schuur staan. Er wordt in geen enkel land ter wereld in relatieve zin zoveel gefietst als in Nederland. Nelissen: Ik heb in de Ronde van Frankrijk etappes meegemaakt van vierhonderd kilometer. Van Lyon naar Parijs. Volslagen krankzinnig. Ze rijden dan in het begin tegen een snelheid van 28 kilometer per uur. Ik ben al 25 jaar voor kortere ritten. In de Tour is er ooit, omdat we niet over de Galibier konden, een ingekorte rit geweest over veertig kilometer. Met daarin de beklimming naar Sestrière. Dat werd een fantastische etappe. Wat heeft het voor zin om renners over zes of zeven cols te jagen, over 230 kilometer? Je moet ritten korter en spannender maken. Waardoor de renners ook meer recuperatie krijgen. En minder hoeven te drogeren. Dat is onlosmakelijk met mekaar verbonden. Jij kunt niet over zes cols in de Alpen en de volgende dag na een korte rusttijd opnieuw over zes, zeven cols, dat gaat niet. Dan moet je gaan bijzetten. Dan liggen ze aan een infuus zoals geopereerde ziekenhuispatiënten. Het is toch niet normaal dat je in deze tijd renners acht uren in het zadel laat zitten. Tenminste in een ronde, in een klassieker kan je de dag nadien rusten. Maar in een ronde is het volslagen waanzin. En semi-misdadig. Je lokt dopinggebruik uit. Want na tien dagen is er in de Tour altijd een onafwendbare omslag. Dan raken voorraden in een lichaam op. Tenzij er kunstmatig wordt bijgezet. Dat moet je voorkomen. Je moet door je organisatie dopinggebruik illegaliseren. De Ronde van Spanje heeft vorig jaar een mooi voorbeeld gegeven. Ritten van vier uurtjes, er werd aangevallen, geknokt, zo moet het. Dan zal de Tourdirectie wel zeggen dat er een probleem is qua verplaatsingen, maar dat is in een tijd van TGV's onzin. We moeten naar korte ritten, 160, 170 kilometer. En de Tour wordt daardoor niet minder zwaar. Want ze gaan harder fietsen. De organisatoren weten dat, maar ze laten zich beïnvloeden door de commercie. En zonder commercie is er geen topsport. Het is een verstandshuwelijk waarbij de liefde ontbreekt. Nelissen: Natuurlijk. De mens is de mens. In de Tweede Wereldoorlog pakten de piloten met hun bommenwerpers al pervitine om hun angstgevoelens te laten verdwijnen. Een mens die wordt geviseerd, verdedigt zich. Dat is in de oorlog zo en dat is in de Tour zo. Want renners worden daar aan de rand van hun existentie gebracht. Ik ben vanaf het begin een anti-dopingfiguur geweest. Ik heb acht jaar gefietst en was net niet goed genoeg om prof te worden. Ik weet wat het is in het peloton, je hoeft het mij niet te vertellen. Ik ben fel tegen doping omdat dit het leven verkort en verminkt. Los van het gegeven dat je zo de wedstrijden vervalst. Trouwens, ik heb in 1967 een dopingproef gehouden. Op het circuit van het nationaal kampioenschap in Nederland heb ik eerst met een bevriend journalist een ronde gereden van acht kilometer, naturel. Daarna lieten wij ons in het bijzijn van een sportarts injecteren met pervitine. Terwijl wij nog niet hersteld waren van onze vorige inspanning reden wij twee uur later anderhalve minuut sneller op zo'n ronde. De hele wielerwereld was razend op ons, ik kreeg toen geen accreditatie voor het WK in Amsterdam, zo kwaad waren ze. Terwijl ik vind: als journalist moet je ook over dat soort aspecten durven schrijven. Kijk, de wielersport wordt dikwijls geviseerd en vaak ten onrechte, maar ze hebben het wel zelf over zich afgeroepen. Nelissen: Nee, de excessen zijn eruit. Wij hebben vanaf het begin van de jaren negentig achttien hartdoden gehad in België en Nederland. Die zijn er niet meer. Maar dat komt natuurlijk ook omdat het onoordeelkundig gebruik is verminderd. Men heeft meer kennis. Al heb je natuurlijk altijd nog idioten... Kijk, het is aan niemand te verklaren waarom Frank Vandenbroucke zulke spullen in huis heeft, terwijl je weet wat er allemaal aan de hand is. Waarom heb je dan zulke dingen in huis? Nelissen: Absoluut niet. Maar Frigo had vorig jaar in de Ronde van Italië ook niets genomen, maar ze vinden wel allerhande akelig spul in zijn kamer. Waarom neemt hij die mee? Heel simpel: voor het geval hij door het lint gaat. Nelissen: Kijk, vroeger verdiende een renner 80.000 frank per maand. Nu zijn veel renners welvarende mensen als ze stoppen. Dat betekent ook: die mensen hebben geld. En mensen met geld zijn toegankelijk voor een soort misdadigers die met die spullen op de markt zijn. Het zijn dus aantrekkelijke slachtoffers voor de handel. En de handel in de laboratoria is er altijd op uit om een bepaalde groep cliënten te verwerven. Renners zijn miljonairs die enorm onder druk staan. Als die hun positie moeten verdedigen en denken dat ze door het lint kunnen gaan, dan is de verleiding heel erg groot om middelen te aanvaarden die dat verhinderen. Zo simpel is het verhaal. Nelissen: Vaak wel en vaak niet. De meeste ploegen hebben dokters en dat zijn slimme mensen die weten wat er aan de hand is. Als een renner een bepaald programma heeft qua preparatie, dat hoeft niet alleen doping te zijn, dan zie je aan de bloedwaarde wat er aan de hand is. Als Pantani een hematocriet heeft van 52 procent in de Giro en hij haalt een paar maanden eerder 44 procent, dan is er geknoeid. Dat zijn renners die manoeuvreren op de grens van het risico. Nelissen: Tja, dat is altijd zo geweest. Je komt het vaak maar achteraf te weten. Ik heb ooit het verhaal gemaakt over de Belgische ploeg die in 1971 in Mendrisio wereldkampioen werd in de 100 kilometer ploegentijdrit. Het verbaasde me dat ze de ijzersterke Nederlandse ploeg, met Fedor den Hertog, op ruim anderhalve minuut hadden gereden. Drie van de vijf renners die toen de Belgische ploeg vormden, zijn later gestorven. Ik heb het verhaal toen uit de doeken gedaan, die renners waren op oefenkamp geweest in De Haan, ze zaten daar in een hotel en daar werd ECTH gebruikt. Ze hebben daarmee zelfs een aap die op de binnenplaats van het hotel zat gevoerd en die werd zeer agressief, dat heeft de eigenaar van het hotel me allemaal verteld. ECTH, als je dat één keer per twee maanden neemt, is dat perfect. Maar als je dat om de drie dagen pakt, tast dat de spieren aan en dus ook de hartspier. Drie van de vijf renners zijn later overleden. Louis Verreydt en Ludo Van der Linden, en Marc Demeyer die toen als invaller fungeerde, al was daar iets anders mee aan de hand. Maar dat kan ik moeilijk vertellen, uit respect voor zijn nabestaanden. Ik heb later ook met Staf Van Cauter gesproken, een van de andere renners, hij is nu ingenieur in Amerika. Op advies van zijn huisarts nam hij toen niets. Dat is zijn redding geweest. Nelissen: Kijk, mensen zoals Louison Bobet, die zijn niet oud geworden, die hebben de zestig niet gehaald. Hoe kan het dat mensen die atletisch perfect in orde zijn niet eens zestig worden? Omdat het erg ongezond is wat ze gedaan hebben. Sla de lijst van renners die te vroeg zijn gestorven er maar op na. Terwijl de meesten van die renners niet eens zodanig veel experimenteerden met chemische troep. Nelissen: Volgens mij wel. Alleen zullen ze er nooit in slagen het milieu te reinigen omdat er altijd wel bedriegers zullen zijn. Je moet natuurlijk blijven controleren, maar het is frustrerend dat je daar zoveel in investeert terwijl het milieu steeds weer in opspraak komt. Want wat valt op? Als er weer eens een inval is, dan gebeurt dat onder massale aandacht van de pers. Als in de Driedaagse van De Panne de politie het hotel van de Mapei-ploeg binnenvalt om er een pakje te onderscheppen dat naar de vader van Gianni Bugno moet worden verstuurd, dan worden er meer manschappen ingezet dan destijds bij de zoektocht naar Marc Dutroux. En dan zijn er minimaal dertig fotografen aanwezig. Dat is gewoon buitenproportioneel. Maar blijkbaar vindt zo'n procureur in Kortrijk het goed om zo de aandacht te trekken. Het valt op hoe zeker in België alles wordt opgeblazen: als er bij Frank Vandenbroucke iets wordt gevonden, dan verhuist de problematiek in het Midden-Oosten in de kranten naar pagina vijf. Nelissen: Ik kan erg genieten van de prestaties die worden geleverd. Zo'n Andrea Tafi die in de Ronde van Vlaanderen negen keer tevergeefs aanvalt en het toch een tiende keer probeert. Of de gedrevenheid van Johan Museeuw, die niet meer moet koersen, die als enige zoon voor een gemakkelijker leven kon kiezen en de garage van zijn vader kon overnemen. Maar toch opteert hij voor de moeilijkste weg. Ook nu. Hij is miljonair, enig erfgenaam en toch blijft hij zich afjakkeren. Dat is zeldzaam. Natuurlijk is het zo dat Museeuw misschien wat al te vaak vertelt dat hij wil stoppen en toch telkens weer doorgaat. Ik denk dat dit een methode is om zich psychisch op te laden. Het vooruitzicht om te moeten stoppen schrikt hem zo af dat hij weer in staat is om buitengewone prestaties te leveren. Het is een soort psychische, repeterende actie in zijn hoofd. Met heel veel effect. Je zag het nu weer in Parijs-Roubaix. Dat ontroert me: het is de wielersport in al zijn schoonheid. Nelissen: Heel zeker. Want ik heb nog mee aan de wieg gestaan van de Amstel Gold Race. Dat was na de Waalse Pijl, toen ik met Herman Krott, de directeur van Amstel, en Ton Vissers, de toenmalige ploegleider van Willem II, naar huis ging. Toen is het idee om ook in Nederland zo'n koers te organiseren geboren. Door de jaren heen is de aantrekkingskracht alleen maar verhoogd. Ik vind het alleen maar jammer dat Erik Dekker, de winnaar van vorig jaar, er niet bij kan zijn. Dat zo'n renner na zijn val nu in het zwembad weer moet leren lopen als een baby terwijl hij helemaal boven aan de UCI-ladder stond, is schrijnend. En dat alleen maar door een valpartij die te wijten is aan een te grote zenuwachtigheid in het peloton. Ze zullen in de klassiekers het aantal deelnemers dringend moeten beperken, zes renners in plaats van acht per ploeg, het is het enige middel om het gevaar te beperken. Als je nu ziet dat ze in Milaan-Sanremo 180 renners door die smalle straten sturen, dat is vragen om ongelukken. Net zoals ik ook niet begrijp dat er rotondes in het parcours liggen, bulten, de renners worden daarover gejaagd, ze moeten halsbrekende toeren uithalen. Die idioten die op elke gewenste plek zo'n hobbel in de weg doen, terwijl we er eeuwen over deden om fatsoenlijke wegen aan te leggen, ik kan me er vreselijk over opwinden. En er is niemand die deze idioterie een halt toeroept. Kan je je voorstellen dat iemand met een hartinfarct over die wegen naar het ziekenhuis moet? Je bent al dood voor je daar aankomt. Jacques Sys