Michel de Montaigne, 'De essays', vertaald door Hans van Pinxteren, Athenaeum û Polak & van Gennep, 1557 blz., euro 54,95.
...

Michel de Montaigne, 'De essays', vertaald door Hans van Pinxteren, Athenaeum û Polak & van Gennep, 1557 blz., euro 54,95.'Ik praat over mijzelf, Michel de Montaigne... Ik ga in zoverre volgens de regelen der kunst te werk, dat geen mens ooit een onderwerp behandelde dat hij beter kende of begreep dan ik het mijne, en dat ik hierin de grootste geleerde ter wereld ben', aldus omlijnt de Franse seigneur Michel Eyquem of Michel de Montaigne (1533-1592) ietwat ironisch het onderwerp van zijn beschouwingen. Ondanks de nabijheid van de materie - 'ik vorm zelf de stof van mijn boek'- vindt hij het niet simpel om almaar uit 'de steeds opwellende bron van het eigen wezen' te putten. Anderen bekritiseerden hem daar later voor. Pascal vond Montaigne verwaand omdat hij zichzelf in het centrum van zijn onderzoek plaatste. Voltaire prees hem daar juist voor. Montaigne zelf is lucide genoeg om de complexiteit van zijn onderneming in te schatten. Hij weet hoe moeilijk het is om vat te krijgen op de fluctuerende en grillige menselijke natuur en dus ook op zijn eigen 'ik'. Hij beseft dat dat 'ik' van alles en nog wat behelst en dat het daardoor onmogelijk is om zijn zelfbeeld helemaal scherp te stellen. Niet alleen neemt het 'ik' een steeds wisselend standpunt in, maar het is bovendien altijd in beweging: 'Ik kan mijn model maar niet laten stilstaan. Hij zwalkt en waggelt in een natuurlijke dronkenschap. Ik neem hem in deze toestand op, zoals hij is op het moment dat ik mijn aandacht op hem richt.' Om het even welk thema Montaigne kiest - ijdelheid of droefheid, eenzaamheid of vriendschap - en hoe boeiend hij daar ook over schrijft, altijd is zijn onderwerp een voorwendsel om zichzelf te bekijken vanuit een ander perspectief. Hij observeert zichzelf en hij becommentarieert op een laconieke toon de veranderingen die hij in verschillende situaties ondergaat. Maar dat de wereld het vergrootglas is waaronder hij zichzelf analyseert, behoedt hem voor navelstaarderij. De jurist Michel de Montaigne wist zelf niet goed waaraan hij begon toen hij, 37 jaar oud, in de herfst van 1570 de deur van het gerechtshof in Bordeaux achter zich dichttrok en zich vestigde in het kasteel van Montaigne, op het landgoed dat hij van zijn vader - 'de beste vader die er ooit heeft bestaan' - had geërfd. Wanhopig omdat hij niet in staat was de rechters van Bordeaux ervan te overtuigen dat ze het recht niet hadden om vrouwen als heksen te verbranden, trok hij zich in 1572 terug in een van de torens van zijn slot om er de klassieken te bestuderen. Geen haar op zijn hoofd dacht er toen aan te gaan schrijven. Maar hoe graag hij zich ook in zijn boeken verdiepte, toch ervoer hij zijn levensstijl op de duur als steriel. Montaigne, die in zijn essay Pleidooi voor Raymond Sebond de beroemde frase ' Que sais-je' ('Wat weet ik') opwierp, was immers een tegenstander van het weten om te weten, van oeverloze kennis die alleen maar leidt tot pronkzucht, ijdelheid en pretentie. Hij bleef een redelijk koele minnaar van de letteren: 'Ikzelf ben er wel dol op, maar maak er geen afgod van.' Ook in een teveel aan kennis bespeurde de scepticus een schadelijke bron. Hij verwierp de stelling van de filosoof Herillus die kennis beschouwde als het hoogste goed: 'Dat kan er bij mij niet in, en ik kan mij al net zomin voorstellen dat kennis, zoals anderen hebben beweerd, de moeder is van alle deugd, en dat alle ondeugd voortkomt uit onwetendheid.' Hij verafschuwde schoolvosserij en pedanterie en alle producten van dogmatisme waarmee zijn leraren hem op school hadden gekweld. Wellicht zijn het juist zulke overwegingen die Montaigne er in zijn toren toe hebben aangespoord notities te maken bij zijn lectuur. Hij noteert spreuken, gezegden en anekdotes. Hij deelt ze in in onderwerpen en rubrieken. Natuurlijk is hij niet meteen de meester van het genre. Hij scherpt zijn pen. Maar uit de summiere aantekeningen groeien mettertijd voldragen opstellen, ook al zijn ze voor Montaigne nooit helemaal af. Tot zijn dood blijft hij eraan priegelen: nuanceren, vervolledigen, tegenspreken. Hij noemt de hutsepot van zijn aantekeningen uiteindelijk 'mijn fricassee'. Je zou de essays van Montaigne kunnen beschouwen als een schitterende woekering van ideeën, vonken die ontstaan uit de confrontatie van zijn eigen levendig temperament met de klassieken, die hij soms uit hun context vervreemdt zodat de citaten een montaigneske betekenis gaan krijgen. Hij citeert graag en veel, wat niet betekent dat hij om ideeën verlegen zit, al simuleert hij dat wel eens met enige koketterie: 'Want wat ikzelf niet zo goed kan zeggen omdat mijn taal of mijn verstand daar te zwak voor is, laat ik anderen zeggen. Ik tel mijn citaten niet, ik weeg ze af. Als ik met hun aantal eer had willen inleggen, zou ik er twee keer zoveel genomen hebben.' Ondanks zijn bescheidenheid wordt hij een zelfbewuste schrijver die zich wapent tegen de kritiek van de afgunstigen. Hij springt nonchalant om met wat we 'intellectuele eigendom' noemen. Hij erkent ruiterlijk dat hij soms woorden van anderen in zijn essays invoegt zonder de naam van de auteurs te vermelden. Meer nog, hij gebruikt die methode als wapen tegen mogelijke belagers die het zouden wagen hem in hun kritieken neer te halen: 'Ik wil dat ze Plutarchus zwartmaken als ze mij een veeg uit de pan geven, en dat ze hun eigen vingers openhalen als ze in mijn persoon Seneca over de hekel halen.'Montaigne voert de klassieken dus niet op als autoriteiten die zijn eigen standpunten kracht moeten bijzetten. Van de denkers en dichters uit de Oudheid neemt hij alleen die ideeën over die de vuurproef van rede, redelijkheid en duurzaamheid doorstaan. Dat maakt van de humanist Montaigne een oorspronkelijk schrijver. Hij denkt er niet aan ook maar een sprankel van zijn intellectuele vrijheid prijs te geven of zijn zelfstandigheid in het gedrang te laten brengen: 'Hij is het machtigst die macht over zichzelf heeft.' Als auteur gooit hij de hele tijdsballast uit. Zodra we hem beginnen te lezen, beseffen we dat hij niet naar de mottenballen ruikt. Montaigne kent zijn Cicero door en door, maar hij verwerpt hem resoluut (in Over boeken) omdat de gesofistikeerde Romein geen echt thema heeft. Montaigne wil namelijk 'dat een auteur met de hoofdzaak begint' en hij verlangt naar betogen 'die meteen insnijden op de kern van het probleem'. Dat zijn kwaliteiten die je volgens Montaigne vergeefs zoekt bij Cicero: 'Als ik, na hem één uur te hebben gelezen, wat voor mijn doen lang is, naga wat er mij werkelijk van bijblijft, blijkt meestal dat het niets is dan wind.' Nonchalante vrijmoedigheid en oprechtheid zijn het waarmerk van de Franse essayist. Hij is recht voor de raap. Opportunisme is hem vreemd. Wel is hij vatbaar voor de dubbelzinnigheden van het leven en hij schrikt er niet voor terug paradoxen te etaleren. Hij beweert dat een mens die niet onophoudelijk aan de dood denkt, een onzinnig leven leidt. Maar aan het einde van zijn eigen leven poneert hij dat het niet erg is als je niet weet hoe je moet sterven: 'Als het zover is, leert de natuur je dat wel, volledig en afdoende.'Wat blijft ons in Montaigne bekoren? Hij schrijft alsof hij met ons aan tafel zit te praten. De indruk van de levende dialoog ontstaat doordat hij de vele stemmen in zichzelf laat weerklinken in zijn geschriften, hij wikt en weegt, je hoort hem improviseren, hij discussieert met zijn hele omgeving, hij draait en keert, weegt voor en tegen af en is liever volledig dan selectief. Soms verraadt de titel van een essay het zaadje waaruit de hele struik is opgeschoten. Een opstel dat de titel Over koetsen draagt, opent met de drie winden die een mens kan laten - de scheet, de adem en het niezen - maar draait uiteindelijk uit op een striemende aanklacht tegen de wreedheid van de conquistadores, die zich schaamteloos beroemen op de schande die ze op Europa geladen hebben. Net als in zijn essay Over kannibalen hekelt de schrijver in dit opstel de beschavingspretenties van een continent dat zoveel bloed aan zijn handen heeft. Montaigne is het vleesgeworden bewijs dat je intellectueel en moreel niet gedetermineerd hoeft te worden door het tijdperk waarvan je gedoemd bent een kind te zijn. In een periode waarin de waarden in vrije val waren, heeft hij zijn integriteit bewaard, wat hem tot een voorbeeld maakt. In Over de ijdelheid schrijft hij: 'Ik ben niet van één, drie of honderd misdaden getuige, maar van een algemeen aanvaarde moraal, die door haar meedogenloosheid en haar kwade trouw (die ik als de ergste van alle ondeugden beschouw) zo mensonwaardig is dat ik er niet zonder afschuw kan naar kijken. En over deze manier van doen ben ik bijna even verbijsterd als verontwaardigd.' De tijdgeest of de omstandigheden zijn bij hem nooit een excuus om met het voor iedereen herkenbare kwaad te collaboreren. In al zijn opstellen is hij een vijand van dogmatisme, fatalisme, defaitisme, opportunisme, determinisme en alle andere drogredenen die alleen maar dienen om de wreedheid van de mens te rationaliseren. Ten slotte is Montaigne ook een schrijver die in staat is om zichzelf te ironiseren zonder dat hij daardoor zijn waardigheid verliest. Hij is geen rigide predikant. Hij adviseert ons om niet te overdrijven in onze matigheid en om matig te zijn in onze overdrijvingen. Hij verdedigt met passie de waarden die hij de moeite waard vindt, maar hij heeft ook de moed om de oprispingen van ijdelheid waarop hij zichzelf betrapt voor iedereen te etaleren. Met zijn geschriften verheft hij de lezer in de stand van een hoger voyeurisme waarin het verhevene altijd door het aardse wordt getemperd: 'Wat u hier in een ietwat geciviliseerde vorm krijgt voorgeschoteld, zijn de uitwerpselen van een oude geest: nu eens te hard, dan weer te flodderig, maar nooit eens goed gebakken.'Door Piet de MoorMontaignes onderwerp is steeds een voorwendsel om zichzelf te bekijken vanuit een ander perspectief.